De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 februari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan schizofrenie.
Betrokkene was recent vrijwillig opgenomen na een suïcidepoging en had haar medicatie thuis gestaakt, wat leidde tot verergering van psychotische klachten. Hoewel betrokkene tijdens de mondelinge behandeling gestabiliseerd was en meewerkte, bleek uit medische verklaringen dat zij onvoldoende bereid is om zorg op vrijwillige basis te accepteren. De rechtbank oordeelde dat vrijwilligheid onvoldoende bestendig is en dat verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel af te wenden.
De rechtbank wees de zorgmachtiging toe voor een periode van zes maanden, waarbij alleen het toedienen van medicatie en medische controles verplicht worden gesteld. Andere vormen van verplichte zorg, zoals voeding, vochttoediening en bewegingsbeperkingen, werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak. De maatregel is evenredig, effectief en er zijn geen minder bezwarende alternatieven.
De beschikking is op 19 februari 2026 mondeling gegeven en op 27 februari 2026 schriftelijk uitgewerkt. Tegen deze beschikking staat cassatie open.