De vrouw en haar dochter vorderden in kort geding een straat- en contactverbod tegen de man, ex-echtgenoot van de vrouw, wegens vermeende intimidatie en bedreiging na hun scheiding in 2024. Zij stelden dat de man hen regelmatig opzoekt, belt en lastigvalt, en dat er een reële dreiging bestaat dat dit zal voortduren.
De man betwistte alle beschuldigingen en verklaarde geen contact meer te hebben met de vrouw en dochter. Tijdens de mondelinge behandeling werden enkele vorderingen en verweren ingetrokken, maar het geschil bleef bestaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw en dochter onvoldoende objectief bewijs hadden geleverd, zoals schriftelijke bedreigingen of foto’s, en dat hun verklaringen onvoldoende waren om de vorderingen te ondersteunen.
Gezien de vergaande inbreuk die straat- en contactverboden vormen op de persoonlijke vrijheid van de man, is toewijzing alleen gerechtvaardigd bij duidelijke en aannemelijke dreiging. De voorzieningenrechter concludeerde dat de angst en vermoedens van de vrouw en dochter niet volstaan. Daarom werden de vorderingen afgewezen en werden de vrouw en dochter veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de man.