ECLI:NL:RBROT:2026:2083

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/686368 / HA ZA 24-828
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a WaadiArt. 1 WaadiArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:94 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde handelt in strijd met bemiddelings- en factoringovereenkomsten; boetes gematigd wegens redelijkheid en billijkheid

Olympus Bouw B.V. vordert betaling van contractuele boetes en vergoedingen van gedaagde, die zonder afdracht van vergoedingen werkzaamheden verrichtte voor opdrachtgevers Burgy Bouwbedrijf B.V. en een andere opdrachtgever. De rechtbank stelde in een tussenvonnis vast dat gedaagde in strijd handelde met de overeenkomsten door via een ander bureau te werken zonder melding en vergoeding.

In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank de gewijzigde vorderingen van Olympus, waaronder boetes en vergoedingen, mede aan de hand van door gedaagde overgelegde facturen. Gedaagde betoogt dat de vergoedingsplichten en boetebedingen in strijd zijn met artikel 9a van de Waadi, wat de rechtbank verwerpt omdat Olympus geen arbeidskracht ter beschikking stelde in de zin van de wet.

De rechtbank oordeelt dat onverkorte toepassing van de boetebepalingen onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, gezien de lange termijn van drie jaar en de omstandigheden van de werkzaamheden. Daarom worden de boetes gematigd, waarbij een deel wordt toegewezen en een deel wordt afgewezen. Ook de gevorderde juridische kosten worden sterk gematigd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Gedaagde is deels veroordeeld tot betaling van boetes en vergoedingen, met matiging van boetes en compensatie van proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/686368 / HA ZA 24-828
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
OLYMPUS BOUW B.V.,
gevestigd in Capelle aan den IJssel,
eiseres,
advocaat mr. D.E. Kocer te Rotterdam,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. G.S. Snippe te Etten-Leur.
Partijen worden hierna Olympus en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Olympus heeft, op basis van met [gedaagde] gesloten overeenkomsten, bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten van aanneming van werk tussen [gedaagde] en opdrachtgevers in de bouw, waaronder Burgy Bouwbedrijf B.V. (Burgy) en [naam] B.V. ( [naam] ). In verband met zijn werkzaamheden voor Burgy en [naam] heeft [gedaagde] factoringovereenkomsten gesloten met Activum Bouwdiensten N.V. (Activum). Uit de bemiddelings- en factoringovereenkomsten volgt dat [gedaagde] tot drie jaar na zijn laatste werkzaamheden voor Burgy en [naam] bemiddelings- en factoringvergoedingen is verschuldigd aan Olympus en Activum als hij zonder tussenkomst van Olympus en Activum opnieuw voor Burgy en [naam] gaat werken. In deze procedure vordert Olympus – mede als lasthebber van Activum – onder andere betaling van contractuele boetes, omdat [gedaagde] in 2023 respectievelijk 2024 heeft gewerkt voor Burgy en [naam] zonder vergoedingen af te dragen aan Olympus en Activum.
1.2.
In het tussenvonnis van 23 juli 2025 (het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] , door in 2023 en 2024 via een ander bemiddelingsbureau voor Burgy en [naam] te werken zonder dat te melden aan Olympus en Activum en zonder vergoedingen aan hen af te dragen, heeft gehandeld in strijd met de bemiddelings- en factoringovereenkomsten. De rechtbank heeft [gedaagde] opgedragen afschriften over te leggen van alle facturen die betrekking hebben op zijn werkzaamheden voor Burgy van 14 december 2020 tot en met 14 december 2023 en zijn werkzaamheden voor [naam] vanaf 3 oktober 2022.
1.3.
In dit eindvonnis beslist de rechtbank mede aan de hand van de na het tussenvonnis door [gedaagde] overgelegde facturen op de vorderingen van Olympus. De rechtbank wijst deze vorderingen grotendeels af.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis en de daarin vermelde processtukken;
- de akte ex artikel 22 Rv Pro – overlegging facturen van [gedaagde] , met producties genummerd 1 en 2;
- het bericht van de rechtbank, waarbij partijen onder meer zijn ingelicht over een wisseling van de behandelend rechter;
- de antwoordakte tevens inhoudende akte eiswijziging van Olympus, met producties 37A tot en met 37D;
- de akte van antwoord op eiswijziging van [gedaagde] , met producties genummerd 1 en 2;
- de akte overlegging producties van Olympus, met producties 38A tot en met 38D;
- de akte overlegging producties tevens akte eiswijziging van Olympus, met producties 39A tot en met 41;
- de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 1 december 2025.
2.2.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Voor een weergave van de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar rubriek 3 van het tussenvonnis. Daarnaast zijn inmiddels de volgende feiten komen vast te staan.
3.2.
[gedaagde] heeft van 5 juni 2023 tot en met 14 juli 2023 gewerkt voor Burgy, zonder in verband met deze werkzaamheden vergoedingen aan Olympus of Activum af te dragen. Voor deze werkzaamheden heeft [gedaagde] wekelijks een factuur gestuurd (in totaal zes facturen). Het totaalbedrag van deze facturen is na aftrek van betalingskortingen € 8.254,70.
3.3.
[gedaagde] heeft van 6 mei 2024 tot en met 7 juni 2024 gewerkt voor [naam] , zonder in verband met deze werkzaamheden vergoedingen aan Olympus of Activum af te dragen. Voor deze werkzaamheden heeft [gedaagde] wekelijks een factuur gestuurd (in totaal vijf facturen). Het totaalbedrag van deze facturen (“normale uren” plus “declaratie” min “betalingskorting”) is € 7.301,19.

4.De gewijzigde vorderingen

4.1.
Na het tussenvonnis heeft Olympus haar vorderingen twee keer gewijzigd. Zij vordert nu, samengevat, dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling aan Olympus van:
1) € 73.000,00 aan boetes, vermeerderd met de wettelijke rente
a) over € 33.000,00 vanaf 18 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling;
b) over € 40.000,00 vanaf 8 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
2) € 2.170,61 aan verschuldigde vergoedingen, vermeerderd met de wettelijke rente
a) over € 1.238,21 vanaf 18 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling;
b) over € 932,40 vanaf 8 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
3) € 32.850,78 althans € 16.425,44 aan juridische kosten, althans € 2.150,00 aan buitengerechtelijke kosten;
4) € 796,56 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vijftiende dag na het vonnis;
5) de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.
4.2.
Olympus baseert haar eerste drie vorderingen op de met [gedaagde] gesloten bemiddelings- en factoringovereenkomsten.
Volgens Olympus levert iedere factuur van [gedaagde] voor de in 3.2 bedoelde werkzaamheden voor Burgy een overtreding op van de bemiddelingsovereenkomst 2020 (zie 3.3 van het tussenvonnis) en de factoringsovereenkomst 2020 (zie 3.5 van het tussenvonnis). Dit leidt tot een boetebedrag van (zes maal € 5.000,00 plus zes maal € 500,00 is) € 33.000,00. Iedere factuur van [gedaagde] voor de in 3.3 bedoelde werkzaamheden voor [naam] levert volgens Olympus een overtreding op van de bemiddelingsovereenkomst 2021 (zie 3.6 van het tussenvonnis) en de factoringovereenkomst 2022 (zie 3.8 van het tussenvonnis). Dit leidt tot een boetebedrag van (vijf maal € 7.500,00 plus vijf maal € 500,00 is) € 40.000,00. Olympus vordert betaling van deze boetes, met rente vanaf de datum van verzuim (vordering 1).
Daarnaast vordert zij betaling van de vergoedingen die [gedaagde] op grond van de overeenkomsten is verschuldigd, ook met rente (vordering 2).
Verder vordert Olympus op grond van de factoringovereenkomsten betaling van alle juridische kosten die zij heeft gemaakt om betaling af te dwingen, althans van de helft van deze kosten (omdat in elk geval de helft van de kosten ten behoeve van Activum is gemaakt), althans de buitengerechtelijke incassokosten (vordering 3).
4.3.
[gedaagde] vindt dat de rechtbank de vorderingen moet afwijzen en Olympus moet veroordelen in de proceskosten, vanaf de vijftiende dag na het vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.De beoordeling

De rechtbank beslist op de gewijzigde vorderingen van Olympus

5.1.
[gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van Olympus en de rechtbank acht deze eiswijzigingen ook ambtshalve niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal daarom beslissen op de gewijzigde vorderingen, die zijn weergegeven in 4.1 van dit vonnis.
De bemiddelings- en factoringovereenkomsten zijn niet in strijd met de Waadi
5.2.
[gedaagde] voert aan dat de in de overeenkomsten opgenomen vergoedingsplichten en boetebedingen in strijd zijn met artikel 9a, eerste lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Volgens hem vormen deze bepalingen een belemmering om zonder tussenkomst van Olympus werkzaamheden te gaan verrichten voor Burgy en [naam] .
5.3.
Op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Waadi legt degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt geen belemmeringen in de weg voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waadi wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder ter beschikking stellen van arbeidskrachten: het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid.
5.4.
Olympus betoogt dat zij [gedaagde] niet ter beschikking heeft gesteld aan Burgy of [naam] in de zin van de Waadi. Olympus heeft [gedaagde] alleen in contact gebracht met deze opdrachtgevers. Daarvoor heeft zij uitsluitend een vergoeding ontvangen van [gedaagde] , niet (ook) van Burgy of [naam] . Tussen Olympus en [gedaagde] heeft ook nooit een arbeidsverhouding bestaan; [gedaagde] sloot als zzp’er een overeenkomst van aanneming van werk met Burgy en [naam] . Olympus was daarbij geen partij.
5.5.
[gedaagde] heeft de feitelijke stellingen die Olympus aan haar betoog ten grondslag legt niet weersproken. Daarvan uitgaande is niet komen vast te staan dat Olympus [gedaagde] als arbeidskracht ter beschikking heeft gesteld aan Burgy en [naam] in de zin van de Waadi. Zoals kan worden afgeleid uit de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waadi en wordt bevestigd in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel inzake de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (TK 2023-2024, 36 446, nr. 3, blz. 22), is voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de zin van de Waadi onder meer vereist dat (in dit geval) Olympus een vergoeding ontvangt van de inlener, dus (in dit geval) van Burgy of [naam] . Een dergelijke vergoeding is naar Olympus onweersproken stelt niet betaald. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat het door Olympus gehanteerde model, waarin zij voor haar bemiddeling uitsluitend van [gedaagde] een vergoeding ontvangt, als zodanig in strijd is met de Waadi. Dat [gedaagde] benadrukt dat de Waadi niet alleen van toepassing is op klassieke uitzendrelaties en dat de feitelijke verhouding en uitvoering bepalend zijn, neemt niet weg dat gelet op het voorgaande niet is voldaan aan alle elementen van de wettelijke definitie van ‘ter beschikking stellen van arbeidskrachten’. Of Olympus daarnaast terecht weerspreekt dat tussen haar en [gedaagde] een arbeidsverhouding heeft bestaan (en of dat gelet op de wettelijke definitie relevant is), hoeft de rechtbank daarom niet te beoordelen. Het beroep van [gedaagde] op artikel 9a, eerste lid, van de Waadi slaagt niet.
Onverkorte toepassing van de overeenkomsten is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
5.6.
[gedaagde] betoogt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem na beëindiging van de door Olympus bemiddelde werkzaamheden nog drie jaar onverkort aan de overeenkomsten te houden. [gedaagde] benadrukt in dit verband dat hij pas na langere tijd opnieuw voor Burgy en [naam] is gaan werken en dat de gevorderde boetes in een wanverhouding staan tot de volgens Olympus verschuldigde vergoedingen. [gedaagde] doet hiermee (onder meer) een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro en artikel 6:94 lid 1 van Pro deze wet.
5.7.
Olympus weerspreekt het betoog van [gedaagde] . Zij benadrukt dat zij en Activum voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de overeengekomen vergoedingen. Zij hebben er een gerechtvaardigd belang bij dat zzp’ers zoals [gedaagde] niet buiten hen om verder gaan met opdrachtgevers en zij hebben daarom ook belang bij een sterke prikkel tot nakoming van de gesloten overeenkomsten. De in dit verband overeengekomen termijn van drie jaar is volgens hen niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
5.8.
Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
5.9.
[gedaagde] heeft voor het laatst in week 50 van 2020 een weekstaat naar Olympus gestuurd voor zijn werkzaamheden bij Burgy (zie 3.9 van het tussenvonnis). Ruim twee jaar en vijf maanden later is hij opnieuw aan de slag gegaan bij Burgy, in totaal voor zes weken (zie 3.2 van dit vonnis).
[gedaagde] heeft voor het laatst in week 40 van 2022 een weekstaat naar Olympus gestuurd voor zijn werkzaamheden bij [naam] (zie 3.9 van het tussenvonnis). Ruim anderhalf jaar later is hij opnieuw aan de slag gegaan bij [naam] , in totaal voor vijf weken.
5.10.
De rechtbank begrijpt het belang van Olympus en Activum bij naleving van de overeenkomsten en is zich bewust van de strenge maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Desondanks is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank (grotendeels) aan deze maatstaf voldaan. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5.11.
De overeenkomsten waar deze zaak over gaat, zijn opgesteld door Olympus of Activum. De overeenkomsten hebben betrekking op de kern van hun bedrijfsmatige activiteiten en Olympus en Activum moeten daarom geacht worden over de nodige deskundigheid en in elk geval ervaring te beschikken wat betreft het sluiten van dergelijke overeenkomsten. Ook voor [gedaagde] geldt dat hij de overeenkomsten is aangegaan in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf; [gedaagde] is geen werknemer of consument (en dat stelt hij overigens ook niet). Dat neemt niet weg dat [gedaagde] als zzp’er die de overeenkomsten niet zelf heeft opgesteld ter zake over duidelijk minder deskundigheid en ervaring beschikt dan Olympus en Activum. Dat hij volgens Olympus is voorgelicht over de overeenkomsten, wat daarvan ook zij, neemt deze ongelijkheid tussen partijen niet weg. Dit gezichtspunt is tot op zekere hoogte relevant bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de termijn van drie jaar.
5.12.
Naar het oordeel van de rechtbank komt de inhoud van de gesloten overeenkomsten in vergaande mate tegemoet aan de bedrijfseconomische belangen van Olympus en Activum. Op grond van deze overeenkomsten droeg [gedaagde] namelijk in totaal 10% van zijn salaris af aan Olympus en 5% van zijn salaris aan het aan Olympus gelieerde Activum, in totaal dus 15% van zijn salaris. Dat kan niet anders worden gezien dan als een zeer ruime vergoeding voor de dienstverlening van Olympus en Activum aan [gedaagde] . Deze omstandigheid, die ter zitting van 1 december 2025 is besproken, weegt voor de rechtbank zwaar bij de beoordeling.
5.13.
Verder is van belang dat de latere werkzaamheden van [gedaagde] voor Burgy en [naam] pas geruime tijd na het opsturen van de laatste weekstaten aan Olympus hebben plaatsgevonden (zie 5.9 hierboven) en dat deze latere werkzaamheden ook niet lang hebben geduurd. Deze gang van zaken wijst niet in de richting dat [gedaagde] ten tijde van het opsturen van de laatste weekstaten van plan was om buiten Olympus en Activum om opnieuw voor Burgy en [naam] aan de slag te gaan en daarmee financieel voordeel te behalen (of Olympus en Activum te benadelen). De hoogte van vordering 2 wijst daar ook niet op.
5.14.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde] wat betreft de latere werkzaamheden voor Burgy, meer dan twee jaar en vijf maanden na het einde van de werkzaamheden voor deze opdrachtgever via Olympus, te houden aan de overeengekomen boetes en vergoedingen. Deze termijn is gegeven de hiervoor besproken feiten en omstandigheden onaanvaardbaar lang.
5.15.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde] wat betreft de latere werkzaamheden voor [naam] , meer dan anderhalf jaar na het einde van de werkzaamheden voor deze opdrachtgever via Olympus, onverkort te houden aan de overeengekomen boetedingen. Deze termijn is gegeven de hiervoor besproken feiten en omstandigheden onaanvaardbaar lang voor zover het onverkorte handhaving van de boetebedingen betreft. Gelet op de belangen van Olympus en Activum is het niet onaanvaardbaar dat zij betaling van één boete verlangen in verband met deze werkzaamheden, met dien verstande dat het tijdsverloop, de relatief korte duur van deze werkzaamheden en (daarmee) het relatief lage bedrag aan misgelopen vergoedingen aanleiding geven om deze boete met toepassing van artikel 6:94 lid 1 BW Pro te matigen tot € 4.000,00 in totaal (waarvan € 3.750,00 voor Olympus en € 250,00 voor Activum, de helft van de standaardboete per overtreding). De rechtbank acht het verder niet onaanvaardbaar dat wat betreft [naam] betaling wordt verlangd van de overeengekomen vergoedingen. Beide partijen lijken in dit verband uit te gaan van de bedragen aan salaris en de posten ‘declaraties’ en de betalingskortingen op de facturen niet mee te rekenen. Ook omdat hierover geen geschil bestaat tussen partijen, zal de rechtbank deze benadering volgen.
Conclusie: vordering 1 en 2 worden gedeeltelijk toegewezen
5.16.
Gelet op het voorgaande wordt vordering 1 toegewezen tot € 4.000,00 in verband met de werkzaamheden van [gedaagde] voor [naam] . De gevorderde (ingangsdatum van de) wettelijke rente is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen. Voor het overige wordt vordering 1 afgewezen.
5.17.
Vordering 2 wordt toegewezen voor zover deze betrekking heeft op [naam] . Omdat [gedaagde] het in dit verband gevorderde bedrag en de gevorderde (ingangsdatum van de) wettelijke rente niet heeft weersproken, zal de rechtbank in dit verband toewijzen wat Olympus vordert. Voor het overige wordt vordering 2 afgewezen.
De gevorderde juridische kosten zijn disproportioneel en worden sterk gematigd
5.18.
Van het in hoofdsom gevorderde bedrag van ruim € 75.000,00 wordt, gelet op het voorgaande, in hoofdsom minder dan € 5.000,00 toegewezen. Daarvan is slechts een beperkt gedeelte te relateren aan Activum. Onder deze omstandigheden is het niet aanvaardbaar dat Activum alle juridische kosten die zij heeft gemaakt van [gedaagde] vordert. De rechtbank zal daarom het forfaitaire bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen dat correspondeert met het toegewezen bedrag aan hoofdsommen, wat neerkomt op € 618,24. Olympus heeft geen rente gevorderd over dit bedrag.
De gevorderde beslagkosten worden toegewezen
5.19.
Omdat de vorderingen van Olympus (zij het voor een beperkt deel) worden toegewezen, komen de gevorderde beslagkosten voor vergoeding in aanmerking. Het bedrag van deze kosten is voldoende onderbouwd en door [gedaagde] niet specifiek weersproken. De over dit bedrag gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, wel zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen.
De (verdere) proceskosten worden gecompenseerd
5.20.
Omdat een aantal vorderingen al dan niet gedeeltelijk wordt toegewezen, maar de vorderingen grotendeels worden afgewezen, zijn beide partijen te beschouwen als over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld (artikel 237 lid 1 Rv Pro). De rechtbank ziet hierin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in de zin dat partijen elk hun eigen kosten dragen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.932,40 aan Olympus, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 8 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 795.96 aan Olympus, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 618,24 aan Olympus;
6.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
compenseert de proceskosten, in die zin dat Olympus en [gedaagde] elk hun eigen kosten dragen;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3194/3152