ECLI:NL:RBROT:2026:2079

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713354 / KG ZA 26-39
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 BWArt. 3:15i BWArt. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing executoriaal beslag op aandeel in voormalig ouderlijk huis wegens ondeugdelijke dwangsomvordering

Eiser en gedaagde, broers en aandeelhouders van een vennootschap, zijn verwikkeld in een geschil over inzage in de volledige administratie van de vennootschap en de betaling van dwangsommen. Gedaagde legde executoriaal beslag op het aandeel van eiser in het voormalig ouderlijk huis ter verzekering van dwangsommen die volgens eiser niet verschuldigd zijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende heeft voldaan aan de veroordeling tot inzage in de administratie door digitale aanlevering van 33 bestanden en het aanbieden van inzage in overige stukken. Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en kan daarom niet aantonen dat eiser niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

De voorzieningenrechter vindt de dwangsomvordering ondeugdelijk en heft het beslag op. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten. De levering van het pand aan een derde staat gepland, wat het belang bij opheffing van het beslag versterkt.

Uitkomst: Het executoriaal beslag op het aandeel van eiser in het voormalig ouderlijk huis wordt opgeheven wegens ondeugdelijke dwangsomvordering.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713354 / KG ZA 26-39
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Breur.

1.Waar gaat deze zaak over?

[gedaagde] heeft executoriaal beslag laten leggen op het aandeel van [eiser] in het voormalig ouderlijk huis van partijen. Het beslag is gelegd ter verzekering van de betaling van door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde dwangsommen van € 100.000,00. [eiser] stelt dat hij die dwangsommen niet is verschuldigd en vordert dat het beslag wordt opgeheven.
De voorzieningenrechter wijst de vordering toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 16 januari 2026 met producties 1 tot en met 20;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;
  • de mondelinge behandeling gehouden op 13 februari 2026;
  • de pleitnota van de kant van [eiser] ;
  • de pleitnota van de kant van [gedaagde] .

3.De feiten

3.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn broers en zij houden ieder 50% van de aandelen in Autoschadebedrijf [naam] B.V. (hierna: de Vennootschap). [eiser] is tevens bestuurder van de vennootschap.
3.2.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 8 december 2023, voor zover nu relevant:
  • de Vennootschap veroordeeld om binnen twee weken na betekening van de beschikking aan [gedaagde] inzage te verschaffen in de volledige administratie over de boekjaren 2019 tot en met 2022, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;
  • (…)
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.3.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 27 november 2024 de Vennootschap en [eiser] hoofdelijk veroordeeld (hierna: de veroordeling) om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] inzicht te verschaffen in de volledige administratie van de Vennootschap aangaande de boekjaren 2019 tot en met 2023, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 100.000,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4.
Het vonnis van 27 november 2024 is op 29 november 2024 aan [gedaagde] betekend.
3.5.
Op 30 november 2024 heeft [eiser] per e-mail 33 bestanden gestuurd naar de toenmalig advocaat van [gedaagde] , mr. G. Gabrelian . In de begeleidende tekst staat onder meer: “
In de bijlage alle mij beschikbare stukken m.b.t. de administratie van Autoschadebedrijf [naam] B.V. over de jaren 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023.” De e-mail is afgesloten met de tekst: “
De inkoop facturen en de verkoop facturen kunt u inzien op een door mij te bepalen locatie. Als u dat wenselijk is, maak dan ruim op tijd een afspraak hiervoor.
3.6.
Op 19 december 2024 heeft mr. Gabrelian aan [eiser] laten weten dat met het delen van de 33 bestanden nog niet is voldaan aan het vonnis van 27 november 2024.
Mr. Gabrelian schrijft:

Ik heb inmiddels ook de gelegenheid gehad om de stukken die u heeft aangeleverd te beoordelen. Het moet u duidelijk zijn dat met het delen van deze documenten u niet heeft voldaan aan de door de rechter uitgesproken veroordeling. Zowel u als de vennootschap bent veroordeeld tot het verschaffen van inzicht in de volledige administratie over de boekjaren 2019 tot en met 2023. De rechter heeft daarbij verduidelijkt dat volledige administratie betekent: alle documenten die verband houden met de bedrijfsvoering van de vennootschap in de ruimste zin van het woord. Uit bijvoorbeeld de bankmutaties die u heeft gedeeld, blijkt dat lang niet alle onderliggende documenten zijn verstrekt, zoals inkoopfacturen, verkoopfacturen, contracten en bonnen. Deze stukken zijn essentieel voor het opstellen van de jaarrekeningen. Aangezien u zelfjaarrekeningen heeft laten opstellen en deponeren, moet u over de volledige administratie beschikken. U bent dan ook gehouden deze te delen, zoals door de rechter is uitgemaakt.”
3.7.
Op 1 februari 2025 heeft mr. Huijzer namens [eiser] inhoudelijk gereageerd op die e-mail, voor zover hier relevant:

Aan het vonnis is invulling gegeven doordat, zo begrijp ik, op 30 november 2024 talloze stukken digitaal zijn aangeleverd. Verder is aangegeven dat u, desgewenst, ook de inkoop- en verkoopfacturen van de afgelopen jaren (2019 tot en met 2023) kunt komen inzien. Cliënt heeft zich bereid verklaard daar tijd en ruimte voor te maken. Van dat aanbod heeft u(w cliënt) geen gebruik gemaakt. (…)
3. Anders dan u schrijft, is cliënt niet veroordeeld om uw cliënt kopieën of scans te verstrekken van de volledige boekhouding over de boekjaren 2019 tot en met 2023. Dat zou immers ook een ondoenlijke opdracht zijn, gelet op de omvang daarvan. Cliënt heeft al meer gedaan dan waartoe hij veroordeeld is door een groot aantal stukken (de meest belangrijke in zijn visie) reeds digitaal aan te leveren. Voor het overige is uw cliënt, zoals opgemerkt, zonder enige beperking onvoorwaardelijk inzicht geboden in de administratie, zoals in het dictum van het vonnis staat. Uiteraard staat het aanbod van cliënt nog steeds. Als u of uw cliënt wil langs komen om in de administratie te kijken, dan is daar nog steeds ruimte en gelegenheid voor en moet daarvoor een concrete afspraak worden gemaakt.”
3.8.
Bij exploot van 20 mei 2025 is de Vennootschap en [eiser] aangezegd dat zij niet binnen de gestelde termijn hebben voldaan aan het vonnis van 27 november 2024 en dat daarom aan dwangsommen een bedrag van € 100.000,00 is verbeurd. Het exploot bevatte een kennelijke verschrijving (er staat 20 mei 2024). Daarom is op 1 augustus 2025 een herstelexploot uitgebracht.
3.9.
Op 12 augustus 2025 heeft mr. Breur (de advocaat die mr. Gabrelian opvolgde) aan mr. Huijzer een brief gestuurd, met als bijlage de brief van 4 augustus 2025 van registeraccountant, Lion Financial Services.
In de brief van 12 augustus 2025 van mr. Breur staat, voor zover nu relevant:

De van uw cliënte ontvangen administratieve bescheiden heb ik voorgelegd aan een registeraccountant, met het verzoek om die informatie te beoordelen. Concreet heb ik gevraagd om de ontvangen informatie volledig was of niet en zo neen welke informatie ontbreekt. Het ‘Rapport van bevindingen’ van de registeraccountant, gedateerd 4 augustus 2025, voeg ik bij (*). De feitelijke bevindingen kunt u lezen onder punt 4. (…)
Het verzoek om nazending, alsnog, van ontbrekende informatie, geldt in elk geval voor de informatie genoemd onder punt 7 (‘Ontbrekende informatie’) van het Rapport van bevindingen. Die informatie ontvang ik graag alsnog binnen één week na dagtekening van deze brief.”
In de brief van 4 augustus 2025 van Lion Financial Services staat, voor zover nu relevant:

4.1 Administratieve volledigheid
De beschikbare administratie omvat o.a. jaarrekeningen, VPB-aangiften en bankafschriften over de periode 2018 t/m 2023. Onderliggende stukken zoals inkoopfacturen, verkoopfacturen, grootboekkaarten en specificaties van balansposten zijn grotendeels niet meegeleverd. Hierdoor is niet vast te stellen waarop de gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd. Op basis hiervan geldt dat de administratie op dit moment niet als volledig verifieerbaar kan worden beschouwd. (…)
7. Ontbrekende informatie
Voor een vollediger beoordeling van de administratie zijn in elk geval de volgende stukken benodigd:
  • Alle inkoop- en verkoopfacturen over de periode 2018-2022;
  • Grootboekkaarten met aansluiting op de jaarrekeningen;
  • Specificatie en onderbouwing van de verplichting op de balans;
  • Arbeidsovereenkomsten of loonstroken van betrokkenen;
  • Activastaat 2019-2022
  • Specificatie van de rekening-courantverhouding met verbonden partijen.
Deze informatie was op het moment van onze werkzaamheden voor ons niet beschikbaar.”
3.10.
Op 14 augustus heeft [gedaagde] executoriaal beslag laten leggen op het aandeel van [eiser] in het voormalig ouderlijk huis aan de [adres] te [plaats] ter verzekering van de betaling van de verbeurde dwangsommen van € 102.700,00, inclusief kosten.
3.11.
Bij exploot van 11 november 2025 is de Vennootschap en [eiser] aangezegd dat [gedaagde] aanspraak maakt en blijft maken op de verbeurde dwangsommen en dat dit exploot de verjaring van de verbeurde dwangsommen stuit.
3.12.
Het voormalig ouderlijk huis is voor een bedrag van € 536.500,00 verkocht aan een derde. De levering moet volgens de koopovereenkomst uiterlijk plaatsvinden op 1 april 2026.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • het op 14 augustus 2025 gelegde executoriale beslag opheft danwel [gedaagde] veroordeelt tot opheffing van dit beslag, op straffe van een dwangsom;
  • [gedaagde] gelast geen nieuwe executoriale beslagen te leggen met betrekking tot de vermeende dwangsomvordering,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd niet bestaat. [gedaagde] stelt geen dwangsommen aan [gedaagde] verschuldigd te zijn, omdat hij heeft voldaan aan de veroordeling. Op 30 november 2024 heeft [eiser] alle stukken die hij had gescand en naar [gedaagde] gemaild, behalve de inkoop- en verkoopfacturen. Deze stukken – die worden bewaard in mappen en dozen – waren te omvangrijk om te scannen en mailen. Daarom heeft [eiser] [gedaagde] uitgenodigd om die stukken op locatie te komen inzien. De stukken die [gedaagde] op aangeven van Lion Financial Services nog wenst te ontvangen (zie hiervoor onder randnummer 3.9.) heeft [eiser] niet en kan hij niet verstrekken.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] is ontvankelijk in zijn vordering tot opheffing van het beslag van 14 augustus 2025. Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van die vordering.
5.2.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen op een van de in artikel 705 Rv Pro genoemde gronden. In het oordeel moet de voorzieningenrechter de belangen van alle partijen, voor zover die gesteld zijn, meewegen. In deze zaak beperkt de beoordeling zich tot de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht blijkt. Andere opheffingsgronden doen zich niet voor.
5.3.
[eiser] krijgt gelijk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de door [gedaagde] ingeroepen vordering summierlijk ondeugdelijk. Er bestaat geen reden om op grond van een belangenafweging tot een ander oordeel te komen. Het beslag wordt opgeheven.
Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
5.4.
Op de achtergrond speelt dat partijen al geruime tijd met elkaar in onmin leven. Deze strijd spitst zich nu toe op de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders. Die nalatenschap bestaat onder meer uit het voormalig ouderlijk huis – waar [gedaagde] beslag op heeft gelegd – en de waarde van de aandelen in de Vennootschap. Partijen willen tot een algehele afwikkeling van de Vennootschap komen, maar daarover hebben zij om diverse redenen verschil van mening. Partijen hebben hierover al diverse gerechtelijke procedures gevoerd, waaronder de procedures die hebben geleid tot de onder de feiten genoemde vonnissen van 8 december 2023 en 27 november 2024.
5.5.
Bij vonnis van 8 december 2023 heeft de voorzieningenrechter de Vennootschap veroordeeld [gedaagde] inzicht te geven in haar volledige administratie over de boekjaren 2019 tot en met 2022. De Vennootschap (lees: [eiser] ) heeft deze veroordeling niet nageleefd. [gedaagde] heeft vervolgens in een nieuwe procedure gevorderd dat [eiser] ook persoonlijk wordt veroordeeld tot het verstrekken van de volledige administratie. In die nieuwe procedure discussieerden partijen onder meer over de vraag wat wordt bedoeld met ‘de volledige administratie’. In het vonnis van 27 november 2024 heeft de voorzieningenrechter ter beantwoording van deze vraag onder randnummer 4.4. overwogen: “
De volledige administratie is simpelweg alle administratie die met de bedrijfsvoering van de Vennootschap in de ruimste zin van het woord te maken heeft.” De voorzieningenrechter heeft vervolgens, naast de Vennootschap, ook [eiser] veroordeeld aan [gedaagde] inzicht te geven in de volledige administratie van de Vennootschap aangaande de boekjaren 2019 tot en met 2023, op straffe van een dwangsom.
5.6.
De kern van dit geschil is (opnieuw) de vraag wat wordt bedoeld ‘de volledige administratie’. [eiser] stelt dat hij – anders dan na de eerdere veroordeling – direct na het vonnis van 27 november 2024 alles wat hij aan administratie had aan [gedaagde] heeft verstrekt of ter inzage heeft aangeboden. [gedaagde] neemt daar echter geen genoegen mee. Hij stelt zich op het standpunt, met verwijzing naar de brief van Lion Financial Services, dat [eiser] aan had moeten leveren:
de boekhoudkundige verwerkingvan bronbestanden (zoals rekeningafschriften, facturen en overeenkomsten), voorzien van die onderliggende bronbestanden. Volgens [gedaagde] kunnen bronbestanden zelf – naar zijn zeggen ‘de beruchte verhuisdoos vol in- en verkoopfacturen’ – niet worden beschouwd als de volledige administratie, omdat die stukken geen enkel inzicht bieden waarin dan ook. Dit leidt er volgens [gedaagde] toe dat [eiser] met het enkele verstrekken van de 33 bestanden en de uitnodiging om de inkoop- en verkoopfacturen te komen inzien niet heeft voldaan aan de veroordeling, nog daargelaten dat de betreffende stukken niet compleet zijn. Daarnaast ontbreekt genoemde boekhoudkundige verwerking. [eiser] was op grond van de veroordeling, en ook overigens de wettelijke boekhoudplicht (artikel 2:10 BW Pro en artikel 3:15i BW) verplicht dergelijke stukken te (laten) maken en daarin inzage te geven. Nu een en ander niet is gebeurd, heeft [eiser] volgens [gedaagde] niet voldaan aan de veroordeling en zijn de dwangsommen verbeurd.
5.7.
Het verweer van [gedaagde] slaagt niet.
5.8.
Het doel en de strekking van de veroordeling is dat [gedaagde] inzicht krijgt in de volledige
bestaandeadministratie, dat wil zeggen in alle aanwezige financiële en andere gegevens die te maken hebben met de bedrijfsvoering van de Vennootschap. Vast stond immers dat [gedaagde] geen enkele informatie van [eiser] (namens de Vennootschap) kreeg over de administratie van de Vennootschap, niet uit eigen beweging en ook niet onder druk van een veroordeling, terwijl [gedaagde] daarbij (spoedeisend) belang had. Vanuit dat perspectief is de vordering van [gedaagde] toegewezen. Die veroordeling strekt niet zover dat [eiser] inzage moest geven in een
deugdelijke– en, zo nodig, nog te vervaardigen – administratie, zoals [gedaagde] betoogt. De discussie tussen partijen over de vraag of [eiser] ter zake van de administratie heeft voldaan aan de boekhoudplicht valt buiten het bereik van de veroordeling. Datzelfde geldt voor de vraag of [gedaagde] – in het kader van het bepalen van zijn positie ter zake van de afwikkeling van de Vennootschap – van [eiser] mag verlangen dat hij stukken aanlevert van een zekere kwaliteit.
5.9.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de veroordeling is nagekomen, door aan [gedaagde] de 33 bestanden te verstrekken en hem uit te nodigen de inkoop- en verkoopfacturen te komen inzien. Vast staat dat [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van deze uitnodiging. Hij heeft de betreffende dozen met mappen – waarin zich (mogelijk) ook nog andere stukken bevinden – niet bekeken of door een ander laten bekijken, hoewel hij bij herhaling op die mogelijkheid is gewezen. Dit betekent dat [gedaagde] – op dit moment – niet hard kan maken dat [eiser] de veroordeling niet of onvoldoende heeft nageleefd. De kans bestaat immers dat de stukken wel degelijk compleet zijn. Dit risico komt voor rekening van [gedaagde] , in die zin dat de door hem ingeroepen vordering summierlijk ondeugdelijk is.
5.10.
Het voorgaande – gevoegd bij de stellingen over de aanstaande levering van het pand – leidt tot het oordeel dat een zwaarwegend belang bestaat bij opheffing van het beslag. [gedaagde] heeft hier niets tegen ingebracht en zelf ook niet gesteld dat een belangenafweging zou moeten leiden tot een andere beslissing.
5.11.
De voorzieningenrechter heft het beslag zelf op omdat partijen op grond van de koopovereenkomst verplicht zijn het voormalig ouderlijk huis uiterlijk 1 april 2026 – vrij van beslagen – aan de koper te leveren. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat dan geen aanleiding.
5.12.
De vordering [gedaagde] te gelasten geen nieuwe executoriale beslagen te leggen met betrekking tot de vermeende dwangsomvordering wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
5.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,77

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
heft op het op 14 augustus 2025 ten laste van [eiser] op de onverdeelde helft van de woning aan de [adres] te [plaats] gelegde beslag,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
3820/2009