ECLI:NL:RBROT:2026:2065

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/5018
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ParticipatiewetArt. 4:84 Algemene wet bestuursrechtBeleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand energiekosten wegens te late indiening

Eiseres diende op 31 januari 2025 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor energiekosten, gebaseerd op een energienota van 22 oktober 2024. Het college wees de aanvraag af omdat deze te laat was ingediend, aangezien de nota ouder was dan drie maanden op het moment van aanvraag, conform de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024.

Eiseres voerde aan dat haar medische omstandigheden, waaronder een operatie op 7 januari 2025, een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigden. Zij stelde dat zij voor die datum niet in staat was de aanvraag te doen en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar situatie en wisselend inkomen als zzp’er. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij tussen 22 oktober 2024 en 7 januari 2025 niet kon aanvragen, en dat zij bovendien op de hoogte was van de mogelijkheid tot aanvraag.

De rechtbank stelde vast dat het college het beleid juist had toegepast en dat er geen sprake was van onevenredige gevolgen die een afwijking van het beleid zouden rechtvaardigen. De stelling van eiseres over schulden en risico op afsluiting werd niet onderbouwd. Ook de toepassing van de hardheidsclausule werd verworpen omdat deze niet in de beleidsregels is opgenomen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen bijzondere bijstand ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Shahani op 6 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5018

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor energiekosten op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 31 januari 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor energiekosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 22 oktober 2024 heeft eiseres een afrekening energienota ontvangen over de periode 19 oktober 2023 tot en met 18 oktober 2024. Eiseres heeft op 31 januari 2025 een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor een bedrag van € 507,54, gelijk aan de hoogte van de ontvangen energienota.
Standpunt van het college
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat deze te laat is ingediend. Op de datum van de aanvraag was de nota ouder dan drie maanden, wat conform de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 (hierna: de Beleidsregels) betekent dat deze te laat is ingediend. Maar ook indien de aanvraag wel op tijd was gedaan, komt eiseres volgens het college niet in aanmerking voor de bijzondere bijstand.
Standpunt van eiseres
5. Eiseres voert aan dat vanwege haar medische omstandigheden er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij is op 7 januari 2025 geopereerd en uit de overgelegde informatie van de arts blijkt dat zij na de operatie niet in staat was om de aanvraag te doen. In de periode voor 7 januari 2025 had zij ook gezondheidsproblemen en wist zij niet dat zij een aanvraag kon doen. Doordat het college in het besluit vaststelt dat eiseres wel voor 7 januari 2025 op de hoogte was is het besluit onzorgvuldig genomen. Ook heeft het college nagelaten een deugdelijke belangenafweging te maken door haar medische omstandigheden en wisselend inkomen als zzp’er onvoldoende mee te wegen. Ten onrechte heeft het college geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de hardheidsclausule. Het college had in dit geval moeten afwijken van de beleidsregels, want de gevolgen voor eiseres zijn aanzienlijk. Door afwijzing van de aanvraag blijft eiseres zitten met schulden en bestaat er een reëel risico op afsluiting. Tot slot is het besluit gebrekkig gemotiveerd omdat het college in het subsidiaire standpunt is uitgegaan van een fictief inkomen van eiseres op bijstandsniveau. Om te kunnen vaststellen of eiseres wel of geen recht heeft op bijzondere bijstand had het college het daadwerkelijk inkomen van eiseres moeten onderzoeken.
Oordeel van de rechtbank
6. Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw beoordeeld. De hoofdregel is dat er geen recht op bijstand bestaat voor de kosten die zijn ontstaan voor de datum waarop de aanvraag is ingediend. Dit is anders in het geval bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
7. In artikel 3.1, tweede lid, van de Beleidsregels staat dat een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend voor de datum dat de kosten opkomen. In het derde lid, sub a, van datzelfde artikel, staat dat het college hiervan kan afwijken indien de nota’s niet ouder zijn dan 3 maanden en de kosten niet langer dan 6 maanden voor de datum van aanvraag zijn opgekomen.
8. De afrekening energienota is van 22 oktober 2024. Niet in geschil is dat eiseres de aanvraag uiterlijk 22 januari 2025 moest indienen en zij dit dus te laat heeft gedaan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de (hele) periode na 22 oktober 2024 niet in staat was om een aanvraag in te dienen. Eiseres heeft enkel onderbouwing overgelegd voor de periode vanaf de operatie van 7 januari 2025. Voor de periode vanaf 22 oktober 2024 tot 7 januari 2025 heeft eiseres alleen gesteld dat zij constante pijnklachten ervaarde waardoor zij geen aanvraag kon indienen. Dit is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende om te concluderen dat in die periode niet van haar kon worden verlangd om een aanvraag in te dienen. Of de aanvraag alleen fysiek kon worden ingediend en niet online, zoals eiseres op de zitting heeft gezegd, acht de rechtbank gezien het voorgaande niet van belang.
10. De stelling van eiseres dat het college ten onrechte stelt dat zij al voor 7 januari 2025 op de hoogte was van de mogelijkheid tot het indienen van de aanvraag volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft zelf gezegd dat zij gewacht heeft met het doen van een aanvraag in de maanden november en december, omdat zij dacht dat zij wel voldoende inkomen zou hebben om de energienota te betalen. Eiseres heeft bovendien al eens eerder, op 1 november 2023, bijzondere bijstand voor energiekosten aangevraagd en op 4 januari 2024 ook toegekend gekregen. Zij was dus op de hoogte van de mogelijkheid om voor deze kosten een aanvraag te doen. De stelling van eiseres dat elk jaar mogelijk andere regels gelden, maakt het feit dat zij op de hoogte was van de mogelijkheid om bijzondere bijstand aan te vragen niet anders.
11. De rechtbank oordeelt verder dat het college de omstandigheden van eiseres wel degelijk voldoende heeft meegewogen. Het college heeft aan eiseres gevraagd wat haar medische situatie is geweest in de periode 22 oktober 2024 – 31 januari 2025. Eiseres heeft vervolgens met een verklaring van een arts onderbouwd dat zij na 7 januari 2025 beperkingen ervaarde vanwege een operatie. Maar zoals hierboven toegelicht ziet deze verklaring niet op de periode vanaf 22 oktober 2024 tot 7 januari 2025. Verder is gebleken dat zij op 20 december 2024 wel een aanvraag heeft kunnen doen bij de gemeente voor individuele inkomenstoeslag.
12. Daarnaast heeft het college terecht geen aanleiding gezien om artikel 4:84 van Pro de Awb toe te passen en af te wijken van zijn eigen beleid.
13. De toepasselijke beleidsregel (artikel 3, derde lid, sub a) kwalificeert als begunstigend buitenwettelijk beleid. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dient de rechtbank eerst te toetsen of het college het beleid juist heeft toegepast. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, is vervolgens de vraag of de nadelige gevolgen van het toepassen van het beleid onevenredig zijn in verhouding met het beleid te dienen doelen. [1]
14. De rechtbank constateert dat het college het beleid juist heeft toegepast. De nota is van 22 oktober 2024 en had conform de beleidsregel uiterlijk 22 januari 2025 moeten worden ingediend. De omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht leiden niet tot het oordeel dat er sprake is van onevenredige gevolgen in verhouding met het beleid te dienen doelen. Eiseres heeft in het algemeen gesteld dat er schulden zijn en dat het niet betalen van de energienota kan leiden tot afsluiting. Niet is gebleken van een daadwerkelijke (ernstige) schuld dan wel het bestaan van een reëel risico op afsluiting.
15. De rechtbank merkt ook op dat de Beleidsregels geen hardheidsclausule bevatten, zodat het beroep van eiseres op de hardheidsclausule reeds daarom niet kan slagen.
16. Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat deze te laat is ingediend, behoeft het subsidiaire standpunt van het college en de beroepsgrond gericht daartegen geen verdere bespreking.
17. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
De griffier is verhinderd om te tekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.