ECLI:NL:RBROT:2026:2064

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714343 / KG ZA 26-112
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:145 lid 2 BWArt. 705 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eisers in erfrechtelijk geschil en opheffing conservatoir beslag

De vader van partijen is overleden in november 2020. Eisers vorderen betaling van €3.600.941,00 van gedaagde wegens niet-nakoming van een vermeende inbreng in de nalatenschap. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat eisers niet vorderingsgerechtigd zijn. Tevens vordert gedaagde opheffing van conservatoire beslagen die eisers hebben gelegd.

De rechtbank oordeelt dat eisers niet-ontvankelijk zijn omdat zij op eigen titel geen vordering hebben en niet aannemelijk is dat de volmacht van moeder hen procesbevoegdheid geeft. Bovendien zijn niet alle erfgenamen betrokken in de procedure, terwijl dat wel vereist is bij een ondeelbare rechtsverhouding.

De tegenvordering van gedaagde tot opheffing van conservatoire beslagen wordt toegewezen omdat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter benadrukt het belang van overleg tussen alle erfgenamen om verdere procedures te voorkomen.

Uitkomst: Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard en het conservatoir beslag wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714343 / KG ZA 26-112
Vonnis in kort geding van 2 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

woonplaats: Muiden,
2. [eiser 2],
woonplaats: Abbenbroek,
eisende partijen,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Etten-Leur,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. A.C. de Bakker en A.I. Reznitchenko.
Partijen worden hierna [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De vader van partijen is op 19 november 2020 overleden. [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] zijn, samen met hun broers [naam 1] en [naam 2] en hun moeder, erfgenamen van vader. Tussen partijen bestaat discussie over de afwikkeling van door vader aan [gedaagde] geschonken cumulatief preferente certificaten van aandelen in het familiebedrijf. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] zijn alle erfgenamen overeengekomen dat [gedaagde] ter zake € 3.600.941,00 zou inbrengen in de nalatenschap. Omdat [gedaagde] weigert dat bedrag in te brengen, vorderen [eiser 1] en [eiser 2] betaling daarvan (met rente). [gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser 1] en [eiser 2]. [gedaagde] vindt dat [eiser 1] en [eiser 2] deze zaak in de verkeerde hoedanigheid zijn gestart en dat zij niet vorderingsgerechtigd zijn. Verder betwist [gedaagde] dat hij heeft afgesproken om € 3.600.941,00 in de nalatenschap in te brengen. Tot slot vordert [gedaagde] zelf – kort gezegd – dat twee door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoire (derden)beslagen worden opgeheven. De voorzieningenrechter verklaart [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk in hun vordering en wijst de tegenvordering van [gedaagde] toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 6 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 24;
  • de aanvullende bijlage 25 van [eiser 1] en [eiser 2];
  • de conclusie van antwoord tevens inhoudende eis in reconventie (tegenvordering), met bijlagen 1 tot en met 22;
  • de mondelinge behandeling op 16 februari 2026;
  • de spreekaantekeningen van mr. Blaauw;
  • de spreekaantekeningen van mr. De Bakker.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen € 3.600.941,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.
3.2.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2], met hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten in conventie. [gedaagde] vordert zelf om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de namens [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoire beslagen genoemd in randnummer 112 van de conclusie van antwoord tevens inhoudende eis in reconventie op te heffen, met hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten in reconventie.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

[eiser 1] en [eiser 2] zijn niet-ontvankelijk in hun vordering
4.1.
Het meest ver strekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, omdat (i) [eiser 1] en [eiser 2] op eigen titel geen vordering op [gedaagde] hebben, (ii) de executeur in de nalatenschap als enige (en bij uitsluiting van de erfgenamen) bevoegd is tot het instellen van vorderingen ten behoeve van de nalatenschap die hij beheert en (iii) de overige erfgenamen van vader niet door [eiser 1] en [eiser 2] in deze procedure zijn betrokken. Dit verweer slaagt.
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het door [gedaagde] te betalen bedrag door hen wordt doorbetaald aan moeder. Moeder zou daar op grond van het testament van de vader van partijen recht op hebben, omdat zij als langst levende alle goederen van de nalatenschap gelegateerd heeft gekregen. [eiser 1] en [eiser 2] stellen ook dat zij in deze procedure mede namens moeder optreden. [1] In dat verband beroepen [eiser 1] en [eiser 2] zich op een volmacht van 13 december 2025 van moeder. [2]
4.3.
De stellingen noch de volmacht vertalen zich echter in de hoedanigheid waarin [eiser 1] en [eiser 2] deze zaak zijn gestart. Uit de eerste pagina van de dagvaarding blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] op eigen titel procederen. Nergens wordt er op die pagina melding van gemaakt dat zij dit (mede) namens moeder doen, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat [eiser 1] en [eiser 2] – in ieder geval op dit moment – op eigen titel geen vordering op [gedaagde] hebben. Bovendien is naar voorlopig oordeel niet aannemelijk dat de door moeder aan [eiser 1] en [eiser 2] verstrekte volmacht leidt tot procesbevoegdheid om mede namens moeder een procedure te voeren tegen [gedaagde]. In de eerste plaats heeft moeder de volmacht op 13 december 2025 mede “
in[haar]
hoedanigheid van executeur” verleend, terwijl de kantonrechter in deze rechtbank moeder (op haar eigen verzoek) op 10 december 2025 als executeur in de nalatenschap van vader ontslag heeft verleend. Moeder had op 13 december 2025 dus niet meer de mogelijkheid om [eiser 1] en [eiser 2] in haar hoedanigheid van executeur een volmacht te verlenen. Verder heeft moeder [eiser 1] en [eiser 2] blijkens de tekst van de volmacht een volmacht verleend om “
in eigen naam elke rechtshandeling te verrichten die verband houdt met de schenking (dus procesvolmacht, waaronder volmacht om in rechte vernietiging van de schenking te vorderen, de betrokken notaris, diens kantoor, M3 Accountancy (tegenwoordig Berghout Accountants B.V.) en allemaal inclusief hun (voormalig) medewerkers aansprakelijk te stellen en in rechte – waaronder tuchtrechtelijk – aan te spreken tot schadevergoeding of anderszins”. Deze tekst duidt erop dat moeder [eiser 1] en [eiser 2] volmacht heeft verleend om eventueel tegen de bij de schenking van vader aan [gedaagde] betrokken financial planner en notaris te procederen. Uit de tekst van de volmacht blijkt niet dat deze ook specifiek is verleend om een zaak tegen [gedaagde] te starten. Sterker nog, het feit dat moeder in de volmacht schrijft dat al haar kinderen haar even lief zijn en dat zij zich niet in de ontstane situatie wil mengen, wijst eerder op het tegendeel.
4.4.
Nog afgezien van de vraag of [eiser 1] en [eiser 2] deze zaak in de juiste hoedanigheid zijn gestart en of zij gevolmachtigd zijn om in deze zaak namens moeder op te treden, wijst [gedaagde] er terecht op dat [eiser 1] en [eiser 2] niet (alleen) bevoegd zijn om namens de nalatenschap een vordering tegen [gedaagde] in te stellen. Hoewel [gedaagde] tevergeefs aanvoert dat die bevoegdheid op grond van artikel 4:145 lid 2 BW Pro bij de executeur in de nalatenschap ligt (op dit moment is er namelijk helemaal geen executeur), betoogt [gedaagde] wel terecht dat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] raakt aan de verdeling van de nalatenschap van vader en dus ziet op een ondeelbare rechtsverhouding. In zo’n geval moeten alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen (in dit geval: alle erfgenamen in de nalatenschap van vader) in een procedure worden betrokken. [eiser 1] en [eiser 2] hebben moeder, [naam 1] en [naam 2] echter niet in deze zaak betrokken.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter op processuele gronden niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2]. Dit heeft tot gevolg dat [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering in conventie.
De tegenvordering van [gedaagde] wordt toegewezen
4.6.
[gedaagde] vordert in reconventie opheffing van twee door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoire (derden)beslagen. Die vordering wordt toegewezen.
4.7.
Opheffing van een beslag kan onder meer, maar niet uitsluitend, plaatsvinden als een van de in artikel 705 lid 2 Rv Pro genoemde gronden aanwezig is en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een, zelfstandige, belangenafweging.
4.8.
De voorzieningenrechter constateert dat [eiser 1] en [eiser 2] het verzoek tot het leggen van de conservatoire (derden)beslagen op eigen titel hebben ingediend en dat de daaropvolgende conservatoire beslagen ook namens [eiser 1] en [eiser 2] op eigen titel zijn gelegd. [3] Uit wat hiervoor in 4.3. en 4.4. is geoordeeld, volgt echter dat [eiser 1] en [eiser 2] – op dit moment – op eigen titel geen vordering op [gedaagde] hebben en dat [eiser 1] en [eiser 2] niet (alleen) bevoegd zijn om namens de nalatenschap een vordering tegen [gedaagde] in te stellen. [eiser 1] en [eiser 2] hadden dus niet alleen en op eigen titel beslag mogen leggen ten laste van [gedaagde]. Dit betekent dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoire (derden)beslagen is gebleken, zoals bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv Pro, zodat die beslagen moeten worden opgeheven. Een (zelfstandige) belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Er is geen sprake van een situatie waarin het belang van [eiser 1] en [eiser 2] om de conservatoire (derden)beslagen toch te laten liggen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om die beslagen te laten opheffen.
Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen
4.9.
Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.10.
De beslissing in reconventie dat de door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoire (derden)beslagen worden opgeheven, wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Ten overvloede
4.11.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede, en mogelijk ter voorkoming van een nieuwe procedure tussen partijen, nog het volgende. Als [eiser 1] en [eiser 2] wel ontvankelijk waren geweest in hun vordering in conventie, dan was die vordering ook afgewezen. In het kader van het spoedeisend belang bij hun vordering hebben [eiser 1] en [eiser 2] – kort gezegd – gesteld dat zij gedwongen zijn stappen te zetten om de oude dag van moeder en om hun eigen erfenis veilig te stellen. [4] Gelet op het feit dat moeder op dit moment nog ongeveer € 1.000.000,00 op de bankrekening van het familiebedrijf heeft staan om in haar oude dag te voorzien, [5] levert de oudedagvoorziening van moeder geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening op. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om tot het (voorlopige) oordeel te kunnen komen dat moet worden gevreesd dat [gedaagde] hun erfenis als het ware “opsnoept” en dat – mocht in een bodemprocedure worden geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is tot inbreng van enig bedrag in de nalatenschap – [gedaagde] niet tot zo’n inbreng in staat is (en hij dat nu wel is). Daarnaast constateert de voorzieningenrechter dat er tussen partijen veel discussie bestaat over de precieze afspraken rondom de schenking van de cumulatief preferente certificaten van aandelen in het familiebedrijf door vader aan [gedaagde], de precieze waarde van die certificaten, de eventuele verplichting van [gedaagde] om uit hoofde van die schenking enig bedrag in de nalatenschap in te brengen én het moment waarop hij daar dan toe verplicht zou zijn. Bij deze stand van zaken is niet zondermeer aannemelijk dat [gedaagde] in een bodemprocedure zal worden veroordeeld om een bedrag in de nalatenschap in te brengen en, in het verlengde daarvan, om welk bedrag het dan zou gaan en op welke termijn [gedaagde] dat bedrag zou moeten betalen. Gelet op dit alles én met name omdat partijen familie van elkaar zijn, lijkt nu meer voor de hand te liggen dat partijen eerst met alle betrokkenen bij de nalatenschap in overleg treden. Hoewel partijen allen hebben aangegeven zo’n overleg te willen, is het daar blijkbaar nog niet van gekomen. De voorzieningenrechter spreekt echter de hoop uit dat zo’n overleg zijn vruchten afwerpt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
verklaart [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk in hun vordering;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in reconventie
5.3.
heft op het door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoir beslag op de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres], kadastraal bekend [perceel], en het door [eiser 1] en [eiser 2] gelegde conservatoir (derden)beslag onder [bedrijf];
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.
3349 / 2009

Voetnoten

1.Randnummer 6 van de dagvaarding.
2.Bijlage 23 van [eiser 1] en [eiser 2].
3.Bijlage 22 van [gedaagde].
4.Randnummer 45 van de dagvaarding.
5.Randnummer 6 van de spreekaantekeningen van mr. Blaauw.