Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 29 januari 2026, met bijlagen;
- de brief van 6 februari 2026 van [gedaagde] , met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
- de spreekaantekeningen van [eiser] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer schorsing van een concurrentiebeding dat hem verbiedt binnen een jaar na het einde van zijn dienstverband bij een concurrerend bedrijf te werken. De werknemer wil bij een nieuw opgericht bedrijf, dat zich bezighoudt met gelijksoortige technische werkzaamheden, in dienst treden. De werkgever vreest schade aan haar bedrijfsdebiet en beroept zich op het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt voorlopig dat het nieuwe bedrijf onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding valt vanwege de overlap in bedrijfsactiviteiten. Vervolgens weegt de rechter de belangen af en concludeert dat het belang van de werkgever bij het behoud van haar klanten en opdrachten zwaarder weegt dan het belang van de werknemer bij de nieuwe functie, ondanks het hogere salaris dat de werknemer zou ontvangen.
De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding en de subsidiaire vordering tot voorschotbetaling worden afgewezen. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van het concurrentiebeding en voorschotbetaling worden afgewezen; proceskosten worden aan eiser opgelegd.