Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2059

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12028468 VV EXPL 25-793
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 3 sub b BWArt. 7:653 lid 5 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schorsing concurrentiebeding wegens belangenafweging

In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer schorsing van een concurrentiebeding dat hem verbiedt binnen een jaar na het einde van zijn dienstverband bij een concurrerend bedrijf te werken. De werknemer wil bij een nieuw opgericht bedrijf, dat zich bezighoudt met gelijksoortige technische werkzaamheden, in dienst treden. De werkgever vreest schade aan haar bedrijfsdebiet en beroept zich op het concurrentiebeding.

De kantonrechter oordeelt voorlopig dat het nieuwe bedrijf onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding valt vanwege de overlap in bedrijfsactiviteiten. Vervolgens weegt de rechter de belangen af en concludeert dat het belang van de werkgever bij het behoud van haar klanten en opdrachten zwaarder weegt dan het belang van de werknemer bij de nieuwe functie, ondanks het hogere salaris dat de werknemer zou ontvangen.

De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding en de subsidiaire vordering tot voorschotbetaling worden afgewezen. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van het concurrentiebeding en voorschotbetaling worden afgewezen; proceskosten worden aan eiser opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 12028468 VV EXPL 25-793
datum uitspraak: 27 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. C.A. Fokker,
tegen
[gedaagde] .,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. B.C. Doolaard.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 29 januari 2026, met bijlagen;
  • de brief van 6 februari 2026 van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.2.
Op 13 februari 20026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser] was sinds 1 januari 2020 in dienst bij [gedaagde] als senior technisch tekenaar. Hij heeft zijn arbeidsovereenkomst op 12 november 2025 opgezegd omdat hij als junior engineer wil gaan werken bij [bedrijf X] . (hierna: [bedrijf X] ), een bedrijf dat op 17 november 2025 is opgericht door een ex-werknemer van [gedaagde] en een zzp’er die lange tijd voor [gedaagde] heeft gewerkt. Tussen partijen geldt een concurrentiebeding op grond waarvan het [eiser] (kort samengevat) niet is toegestaan om binnen een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst bij een concurrent van [gedaagde] te gaan werken. [eiser] vindt dat [gedaagde] moet gedogen dat hij bij [bedrijf X] in dienst treedt, omdat zij niet onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding valt. Als dat wel zo is, wil [eiser] dat het concurrentiebeding wordt geschorst, omdat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . [gedaagde] is het daarmee niet eens. Zij vreest voor schade aan haar bedrijfsdebiet. De vorderingen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Het is dus mogelijk dat partijen in een bodemprocedure worden geconfronteerd met een ander oordeel dan in deze kortgedingprocedure met alle gevolgen van dien. De kantonrechter houdt daarmee ook rekening bij zijn beoordeling.
Werkingssfeer
2.3.
Voorlopig wordt geoordeeld dat [bedrijf X] onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding valt en [gedaagde] daarom niet hoeft te gedogen dat [eiser] daar in dienst treedt. Die werkingssfeer is namelijk ruim geformuleerd: [eiser] mag niet in enige vorm werkzaam of betrokken zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van [gedaagde] of aan haar gelieerde ondernemingen en/of relaties. Het is voldoende aannemelijk dat de activiteiten van [gedaagde] en [bedrijf X] in ieder geval gelijksoortig zijn. Partijen zijn het erover eens dat beide bedrijven zich bezighouden met de technische ontwerpfase van projecten in de ondergrondse infrastructuur. Meer specifiek is [gedaagde] actief in de technische dienstverlening en houdt zich onder andere bezig met de engineering en uitwerking van stads- en wijkverwarmingsprojecten en het vervaardigen van CAD en installatietekeningen en applicatiesoftware voor CAD toepassingen. [bedrijf X] houdt zich bezig met het opstellen van civieltechnische en installatietechnische tekeningen en ontwerpen voor ondergrondse infrastructuren (elektriciteit, gas, water). Aan dit voorlopig oordeel doet niet af dat [bedrijf X] zich anders dan [gedaagde] ook bezig zou houden met advisering en uitvoering van deze projecten, want dat laat onverlet dat er wel degelijk overlap bestaat tussen de bedrijfsactiviteiten.
Belangenafweging
2.4.
Subsidiair vordert [eiser] schorsing van het beding. Dat kan alleen als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding (gedeeltelijk) zou vernietigen zodat daarop vooruit kan worden gelopen. Daarvoor moet worden gekeken of [eiser] , in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] , door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW Pro). De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat dit niet het geval is. De vordering wordt daarom afgewezen.
2.5.
[gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er een zwaarwegend belang bij heeft dat [eiser] niet in dienst treedt bij [bedrijf X] . Concreet heeft zij daarover gesteld dat een van haar opdrachtgevers met een contractsbelang van € 625.000,- op jaarbasis geen uren meer afneemt sinds [bedrijf X] zich bij die opdrachtgever heeft gemeld en dat [bedrijf X] in staat is om die opdracht, en misschien wel meer opdrachten, volledig van haar over te nemen als [eiser] in dienst treedt van [bedrijf X] . Dit heeft [eiser] niet weersproken. Het lijkt er dus op dat [gedaagde] op goede gronden vreest voor (verdere) aantasting van haar bedrijfsdebiet en dat is waarvoor een concurrentiebeding is bedoeld. [eiser] voert in dat verband nog aan dat de vraag van de markt zo groot is dat [gedaagde] daarvoor niet hoeft te vrezen, maar als een vaste opdrachtgever overstapt of dreigt over te stappen naar een concurrent is dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een zwaarwegend belang bij instandhouding van het concurrentiebeding, hoe groot de vraag van de markt ook is. Het opbouwen van bestendige klantrelaties is naar haar aard namelijk een langdurig proces en daarom heeft [gedaagde] belang bij behoud van haar (vaste) opdrachtgevers.
2.6.
Hiertegenover staat het belang van [eiser] om bij [bedrijf X] in dienst te treden. Volgens hem is sprake van een aanzienlijke positieverbetering, omdat hij bij [bedrijf X] aan de slag kan als junior engineer met verdere doorgroeimogelijkheden tegen een salaris dat
€ 1.000,- bruto per maand hoger is dan zijn salaris bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft weersproken dat sprake is van een aanzienlijke positieverbetering, omdat in een functioneringsgesprek op 25 juli 2025 al is besloten dat de functie van [eiser] zou wijzigen van technisch tekenaar naar junior engineer en dat [eiser] per 1 januari 2026 zou doorgroeien naar medior engineer met bijbehorend salaris als hij bepaalde doelstellingen zou halen. Dit betwist [eiser] weliswaar, maar [gedaagde] heeft een en ander onderbouwd met een verslag van het functioneringsgesprek. Bij deze stand van zaken blijft onduidelijk of sprake is van een aanzienlijke positieverbetering en die onduidelijkheid kan in het kader van dit kort geding niet worden weggenomen. Wat overblijft is dat [eiser] bij [bedrijf X] een hoger salaris aangeboden heeft gekregen, maar dat belang is niet zodanig zwaarwegend dat in kort geding moet worden geoordeeld dat het moet prevaleren boven het belang van [gedaagde] , zoals hiervoor beschreven.
Voorschot
2.7.
[eiser] eist meer subsidiair dat [gedaagde] hem een voorschot van € 4.000,- per maand betaalt als vergoeding voor de duur van het concurrentiebeding. Deze vordering wordt ook afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat het concurrentiebeding [eiser] in belangrijke mate belemmert om voor een andere werkgever te werken (artikel 7:653 lid 5 BW Pro). [gedaagde] heeft een actueel overzicht van vacatures voor CAD tekenaar overgelegd, waaruit volgt dat er op dit moment honderden vacatures zijn. [eiser] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat er andere mogelijkheden voor hem zijn, maar niet tegen het salaris dat [bedrijf X] hem heeft aangeboden. Daarmee is echter geen sprake van een onbillijke benadeling van [eiser] . Dat hij zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde] heeft opgezegd terwijl hij wist dat hij gebonden was aan een concurrentiebeding en dat hij naar eigen zeggen alleen maar voor [bedrijf X] wil gaan werken, is zijn eigen keuze.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die hij aan [gedaagde] moet betalen op
€ 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiser] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
49039