Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2058

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12072281 VV EXPL 26-8
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:241 BWArt. 2:242 BWArt. 3:44 BWArt. 6:228 BWArtikel 71 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing kort geding van kantonrechter naar rechtbank wegens bestuurderspositie en vorderingswaarde

In deze zaak vordert eiser betaling van loon vanaf december 2025 van De Jong Veiligheidsdiensten B.V., waarbij hij stelt dat hij ziek is en aan re-integratieverplichtingen voldoet. De kantonrechter beoordeelt echter dat zij niet bevoegd is omdat de vordering een waarde vertegenwoordigt van meer dan €25.000 en eiser bestuurder is van de vennootschap.

De kantonrechter onderzoekt of eiser bestuurder is. Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders blijkt een geldig benoemingsbesluit van 25 mei 2022 en een schriftelijke aanvaarding van 27 juni 2022. Het ontbreken van inschrijving bij de Kamer van Koophandel doet hieraan niet af. Er is geen wettelijke vernietigingsgrond voor het bestuurderschap.

Daarom wordt de zaak verwezen naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven van de rechtbank Rotterdam. Tevens wordt vastgesteld dat eiser en De Jong extra griffierechten moeten betalen. De procedure wordt voortgezet bij de rechtbank, waar ook een ontbindingsprocedure aanhangig is.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven van de rechtbank Rotterdam.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12072281 VV EXPL 26-8
datum uitspraak: 2 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. Z.D. Jaarsma en mr. M.E. van Essen,
tegen
De Jong Veiligheidsdiensten B.V.,
vestigingsplaats: Zwijndrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A. Ester.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 2 februari 2026, met bijlagen;
  • drie bijlagen van De Jong;
  • nadere bijlagen 34 tot en met 36 van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van de partijen.
1.2.
Op 16 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met de partijen en hun gemachtigden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] werkt sinds 2003 bij De Jong. De Jong heeft vanaf 1 december 2025 geen loon meer aan [eiser] betaald, omdat zij vindt dat [eiser] haar niet de inlichtingen geeft die zij nodig heeft om vast te kunnen stellen of [eiser] recht heeft op loon. Dat is volgens [eiser] onterecht, omdat hij ziek is en voldoet aan alle re-integratieverplichtingen. De kantonrechter komt niet toe aan het beoordelen van de eis van [eiser] , omdat zij niet bevoegd is om deze zaak te behandelen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.
Kantonrechter niet bevoegd
2.2.
De kantonrechter is niet bevoegd om deze zaak te behandelen omdat in de wet staat dat de rechtbank kennis neemt van alle rechtsvorderingen die gaan over de overeenkomst tussen een vennootschap en bestuurder als het om een onbepaald of hoger bedrag dan € 25.000,- gaat. [1] [eiser] heeft geëist dat De Jong zijn loon vanaf december 2025 betaalt, waarbij hij rekening zegt te houden met de mogelijkheid van een loonsanctie door het UWV, alles met wettelijke rente en verhoging, buitengerechtelijke incassokosten, advocaatkosten en daarnaast vordert [eiser] dat De Jong hem toestaat bij een bepaald bedrijf zijn re-integratiewerkzaamheden voort te zetten op straffe van een dwangsom. Deze vorderingen vertegenwoordigen een hogere waarde dan € 25.000,-. De kantonrechter acht het bovendien aannemelijk dat [eiser] bestuurder is van De Jong. Dat wordt hierna uitgelegd.
[eiser] bestuurder van De Jong
2.3.
[eiser] stelt dat hij géén bestuurder is. Omdat hij niet stelt dat hij wel bestuurder is, zou de kantonrechter volgens [eiser] bevoegd zijn. Dat baseert hij op een uitspraak van de Hoge Raad van 8 oktober 1993. [2] De kantonrechter legt deze uitspraak echter zo uit dat in de onderhavige zaak gelet op de gemotiveerde betwisting van De Jong moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat [eiser] bestuurder is of niet.
2.4.
Voor het rechtsgeldig benoemen van een bestuurder gelden twee eisen:
1. Een geldig benoemingsbesluit [3] ;
2. Aanvaarding van de benoeming door de bestuurder. [4]
2.5.
Punt 11 van de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van De Jong van 25 mei 2022 is:
‘Voorstel tot benoeming van [eiser] als (gezamenlijk bevoegde) bestuurder.’De uitkomst van de stemming is weergegeven en het agendapunt wordt afgesloten met de conclusie dat het voorstel tot benoeming van [eiser] is aangenomen. Deze wijze van benoemen is volgens de wettelijke regels en is dus een geldig benoemingsbesluit.
2.6.
[eiser] heeft vervolgens met een schriftelijke verklaring van 27 juni 2022 deze benoeming aanvaard. Hij erkent tijdens de zitting dat hij deze verklaring heeft gelezen en ondertekend. Omdat er dus een schriftelijke aanvaarding is, hoeft zijn aanvaarde benoeming niet te blijken uit feiten, omstandigheden en gedragingen. Evenmin maakt het ontbreken van zulke feiten, omstandigheden en gedragingen dat de aanvaarde benoeming niet geldig is. Of [eiser] wel of niet als bestuurder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, is niet relevant omdat dit geen vereiste is voor de rechtsgeldige benoeming van een bestuurder. De akte van 28 juni 2024, waarin staat dat de heer [naam] via RP Holding B.V. enig en zelfstandig bevoegd bestuurder is van De Jong, wijzigt de rechtpositie van [eiser] ook niet. Door wiens toedoen [eiser] niet als bestuurder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, kan hier verder in het midden blijven.
In de dagvaarding staat dat [eiser]
‘voor zover vereist zijn verklaring c.q. instemming met betrekking tot de aanvaarding van het bestuurderschap (het benoemingsbesluist) vernietigt’.
Voor zover [eiser] uiteindelijk, door welke omstandigheden dan ook (mogelijk zijn ziekte), geen handelingen als bestuurder heeft verricht vormt dat echter geen vernietigingsgrond. Ook verder blijkt niet van een wettelijke vernietigingsgrond. [5]
2.7.
Op grond van het voorgaande gaat de kantonrechter er voor het bepalen van haar bevoegdheid vanuit dat [eiser] als bestuurder van De Jong moet worden aangemerkt.
Zaak naar team handel en haven
2.8.
De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven van deze rechtbank (artikel 71 Rv Pro). Naar de kantonrechter begrijpt, is bij dat team inmiddels ook een ontbindingsprocedure aanhangig gemaakt door De Jong. Wellicht kan een en ander worden gecombineerd.
[eiser] moet meer griffierecht betalen
2.9.
Doordat de kantonrechter de zaak aldus verwijst, geldt een griffierecht van
€ 1.414,-. [eiser] heeft al € 93,- aan griffierecht betaald bij kanton. Er staat dus nog
€ 1.321,- open. Het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) stuurt voor dat bedrag een factuur aan [eiser] . Die verhoging moet betaald zijn binnen vier weken na de zitting bij de voorzieningenrechter (artikel 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken).
De Jong moet nu ook griffierecht betalen
2.10.
Doordat de kantonrechter de zaak verwijst moet De Jong griffierecht betalen van € 3.083,- als zij verschijnt op de zitting bij team handel en haven. Het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) stuurt voor dat bedrag dan een factuur aan De Jong. Die moet betaald zijn binnen vier weken na de zitting bij team handel en haven.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van het team handel en haven;
3.2.
bepaalt dat de advocaat van [eiser] uiterlijk op dinsdag 10 maart 2026 aan de voorzieningenrechter van het team handel en haven moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden maart en april 2026 de partijen echt niet naar een zitting kunnen komen;
3.3.
draagt de griffier op de processtukken en een kopie van dit vonnis te sturen aan de griffier van het team handel en haven van deze rechtbank.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
703

Voetnoten

1.Artikel 2:241 BW Pro
2.Hoge Raad 8 oktober 1993, NJ 1994/211 (De Waard/Mooij Verf B.V.)
3.Artikel 2:242 BW Pro
4.Dit blijkt uit punt 2 van T&C bij artikel 2:242 BW Pro
5.Artikel 3:44 BW Pro en artikel 6:228 BW Pro