Eiser vordert betaling van achterstallig loon en vakantietoeslag over de periode juni tot november 2025, stellende dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst 263 uur heeft gewerkt tegen €30 netto per uur. Gedaagde betwist de arbeidsovereenkomst en stelt dat eiser als zelfstandige op basis van een overeenkomst van opdracht werkte, met minder gewerkte uren dan eiser stelt.
De kantonrechter oordeelt dat het niet relevant is of er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht was, omdat de loonvordering niet toewijsbaar is. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk 263 uur heeft gewerkt; het door gedaagde overgelegde tekstbericht suggereert een lager aantal uren. Daarnaast weegt het verrekeningsverweer van gedaagde, die tegenvorderingen heeft die het gevorderde bedrag overstijgen, zwaar.
Het restitutierisico vanwege de verblijfplaats van eiser in Costa Rica en het ontbreken van voldoende bewijs leiden tot afwijzing van de loonvordering en nevenvorderingen. De vordering tot afgifte van salarisspecificaties wordt eveneens afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op €1.009,00, met wettelijke rente, en deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.