ECLI:NL:RBROT:2026:2042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/698605 / HA ZA 25-360
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 BWArt. 7:400 BWArt. 7:750 BWArt. 7:752 BWArt. 3:307 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming verbouwingsafspraak en veroordeling tot aanpassing beveiligingscamera

De zaak betreft een geschil tussen een dochter en schoonzoon enerzijds en de vader anderzijds, die naast elkaar wonen. De schoonzoon heeft de woning van de vader verbouwd, waarbij was afgesproken dat de vader als tegenprestatie een pad, garage en strook grond zou overdragen. De eisers vorderen nakoming van deze afspraak, maar de rechtbank oordeelt dat deze vordering is verjaard en dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

De rechtbank stelt vast dat de verbouwing kwalificeert als aanneming van werk en dat de oplevering van de werkzaamheden in april 2017 heeft plaatsgevonden. De vordering tot overdracht van het pad, de garage en de strook grond was daarmee uiterlijk in mei 2022 opeisbaar en is niet tijdig gestuit. Een erkenning door de overleden echtgenote van de gedaagde kan niet aan hem worden tegengeworpen.

In reconventie vordert de gedaagde dat de beveiligingscamera van de eisers, die inkijk geeft in zijn woning, zodanig wordt aangepast dat dit niet meer mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat dit terecht is en veroordeelt de eisers tot het monteren van een plaatje naast de camera om inkijk te voorkomen, met een dwangsom bij niet-naleving. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tot nakoming verbouwingsafspraak is verjaard en eisers worden veroordeeld tot aanpassing beveiligingscamera die inkijk geeft in woning gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/698605 / HA ZA 25-360
Vonnis van 18 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. L.A. Jansen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie eiser in reconventie,
advocaat: mr. J. van Riet.
Eisers in conventie worden hierna gezamenlijk ‘ [eisers] ’ genoemd en afzonderlijk ‘ [eiser 1] ’ en ‘ [eiser 2] ’. Gedaagde in conventie wordt hierna ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 april 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte overleggen nadere producties, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. [eiser 1] en [eiser 2] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. L.A. Jansen. [gedaagde] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. J. van Riet en door mevrouw D. Drommond (schrijftolk). Als toehoorders waren daarnaast bij de zitting aanwezig: [toehoorder 1] , [toehoorder 2] en [toehoorder 3] .

2.De beoordeling

In conventie
2.1.
[eiser 2] is de dochter van [gedaagde] en zijn echtgenote mevrouw [naam echtgenote gedaagde] (hierna: [echtgenote gedaagde] ), die op [datum] is overleden. [eiser 1] is de echtgenote van [eiser 2] en zij zijn sinds mei 2013 eigenaar van de woning gelegen aan de [adres eisers] te [woonplaats] . [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] hebben op 21 augustus 2015 de naastgelegen woning aan de [adres gedaagde] te [woonplaats] bezichtigd en op 27 november 2015 de koopovereenkomst voor deze woning ondertekend. Zij zijn sinds 18 maart 2016 eigenaar van de woning aan de [adres gedaagde] te [woonplaats] . [eisers] en [gedaagde] zijn dus buren en delen een oprit naar hun garages.
2.2.
Volgens [eisers] hebben zij in de periode van 21 augustus 2015 tot 27 november 2015 met [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] zelf alle materialen zouden betalen en dat [eiser 1] de arbeid zou leveren voor een verbouwing van de woning aan de [adres gedaagde] te [woonplaats] . Als tegenprestatie is afgesproken, aldus [eisers] , dat zij het tussenliggende pad, wat belast is met het recht van overpad, de garage van [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] , en een strook grond naast de garage van 80 centimeter zouden mogen overnemen voor een bedrag ter grootte van de kosten koper van het huis [adres gedaagde] , volgens hen € 8.100,-. Volgens [eisers] zijn [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] deze afspraak, ondanks daarop te zijn aangesproken, niet nagekomen.
2.3.
Tegen deze achtergrond vorderen [eisers] primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van het pad, de garage en de strook grond, zoals weergegeven op de tekening die is overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding, waarbij [eisers] aan [gedaagde] (preciezer: aan de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] ) een bedrag betalen van € 8.100,- en [eisers] de notariskosten voor deze overdracht betalen. [eisers] vordert tevens te bepalen dat als [gedaagde] de hiervoor bedoelde medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de instemmende wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van [gedaagde] die noodzakelijk is voor het passeren van de notariële leveringsakte.
Subsidiair stelt [eisers] zich op het standpunt dat hij op grond van ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op een bedrag van € 62.280,- aan voor de werkzaamheden bestede uren, zodat [gedaagde] (de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap [gedaagde] - [echtgenote gedaagde] ) moet worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] € 62.280,- te betalen.
[eisers] vorderen tevens dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten met rente en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
2.4.
[gedaagde] betwist dat hij met [eisers] een overeenkomst heeft gesloten. [eiser 1] heeft een en ander aan de woning verbouwd, maar er is geen tegenprestatie afgesproken of verlangd. De bedoeling was om [gedaagde] over te halen om naar de woning te verhuizen, omdat hij daar weinig zin in had en het initiatief voor de verhuizing bij [echtgenote gedaagde] en [eiser 2] lag. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de overeenkomst nietig is nu deze niet schriftelijk is gesloten (artikel 7:2 BW Pro) en, meer subsidiair, dat als er wel een overeenkomst zou bestaan, de vordering tot nakoming daarvan inmiddels is verjaard.
2.5.
Ofschoon [eisers] spreken van een overeenkomst van opdracht, constateert de rechtbank dat daarvan geen sprake is – het moet bij een overeenkomst van opdracht immers gaan om werkzaamheden die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard (artikel 7:400 BW Pro) – en dat in plaats daarvan sprake is van aanneming van werk: “de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te bepalen prijs in geld” (artikel 7:750, eerste lid, BW). Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel vindt als de tegenprestatie niet of niet geheel in geld bestaat, de wetstitel over aanneming van werk toepassing voor zover de aard van de tegenprestatie zich daartegen niet verzet. In artikel 7:752, eerste lid, BW is bepaald dat indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald, de opdrachtgever een redelijk prijs verschuldigd is. Algemeen wordt aangenomen dat tenzij anders is overeengekomen, de betalingsverplichting van de opdrachtgever ontstaat op het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst is tot stand gebracht en opgeleverd.
2.6.
[eisers] hebben in de dagvaarding een niet-limitatieve opsomming gegeven van de werkzaamheden die volgens hen zijn overeengekomen. Over een aantal werkzaamheden in die lijst (het garagepad voorzien van een nieuwe klinkerbestrating, de CV-ketel vervangen in de bijkeuken, het aanbrengen van nieuwe dakbedekking inclusief nieuw dakbeschot op de garage) hebben partijen ter zitting eenstemmig verklaard dat die pas later (in 2020 en 2022) zijn afgesproken en uitgevoerd en (dus) geen onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke afspraken waarvan thans nakoming wordt gevorderd. [eisers] hebben tevens verklaard dat niet is afgesproken dat [gedaagde] (of [echtgenote gedaagde] ) voor [eiser 1] arbeid ten aanzien van de later overeengekomen werkzaamheden zou betalen, ook omdat [eisers] ervan uitgingen dat zij de werkzaamheden in elk geval ten dele voor zichzelf deden, als de in 2015 gemaakte initiële afspraken zouden zijn nagekomen. Aldus staat voldoende vast dat [eiser 1] die werkzaamheden om niet zou verrichten, zodat [eisers] voor die latere werkzaamheden thans geen betaling kunnen vorderen. Voor zover [eisers] daarbij ten onrechte van de veronderstelling zijn uitgegaan dat zij eigenaar zouden worden van pad, garage en strook grond, komt die veronderstelling voor hun rekening.
2.7.
Wat betreft de werkzaamheden die volgens [eisers] na de levering van de woning aan [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] (in maart 2016) zouden worden verricht, hebben zij tevens verklaard dat “het overgrote deel” daarvan vóór april 2017 is uitgevoerd, toen [gedaagde] en [echtgenote gedaagde] naar de woning zijn verhuisd. Van een aantal werkzaamheden in de lijst die later pas zijn uitgevoerd, is inmiddels (zie het onder 2.6 overwogene) dus komen vast te staan dat deze ook later en apart zijn afgesproken en daarmee geen onderdeel uitmaken van de initiële afspraken. Voor het overige hebben [eisers] onvoldoende gemotiveerd gesteld welke initieel afgesproken werkzaamheden pas na april 2017 zijn uitgevoerd en wanneer die dan zijn uitgevoerd. Ter zitting hebben [eisers] gewezen op het in 2019 knippen en verwijderen van coniferen, wat [gedaagde] op zijn beurt heeft betwist: dit zou pas later opgekomen zijn en niet meer behelst hebben dan het verwijderen van enkele grote takken en wat bijknipwerk. Naar het oordeel van de rechtbank legt dit punt, wat er verder van zij, te weinig gewicht in de schaal om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het geheel van de initieel overeengekomen werkzaamheden – die bovendien gericht waren op het verbouwen en bewoonbaar maken van de woning – pas in 2019 is opgeleverd. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [eisers] naar eigen zeggen in 2018 [gedaagde] zijn gaan aanspreken op de afgesproken overdracht van pad, garage en strook grond en er toen kennelijk dus ook zelf vanuit zijn gegaan dat de initieel overeengekomen werkzaamheden waren opgeleverd, zodat de overdracht opeisbaar was. Op grond van het voorgaande is de rechtbank daarom al met al van oordeel dat de oplevering van de initieel afgesproken werkzaamheden in april 2017 heeft plaatsgevonden en dat een vordering tot nakoming van de volgens [eisers] afgesproken overdracht van pad, garage en strook grond toen opeisbaar is geworden.
2.8.
Dit betekent dat die door [eisers] gestelde vordering uiterlijk 1 mei 2022 is verjaard (artikel 3:307 BW Pro), zoals door [gedaagde] aangevoerd. Niet gesteld of gebleken is dat die vordering voordien schriftelijk is gestuit. Een erkenning door [echtgenote gedaagde] , zoals door [eisers] aangevoerd, kan hen, wat er verder van zij, niet baten, aangezien een erkenning de verjaring slechts stuit tegenover degene die de vordering heeft erkend (3:318 BW), zodat een erkenning door [echtgenote gedaagde] niet aan [gedaagde] kan worden tegengeworpen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gelet op artikel 1:97, eerste lid, BW in verbinding met artikel 3:170, derde lid, BW uitsluitend de deelgenoten gezamenlijk bevoegd zijn tot de erkenning. [eisers] hebben aangevoerd dat ook [gedaagde] de vordering heeft erkend, doordat hij, verschillende keren tot overdracht van pad, garage en strook grond aangesproken, meerdere malen verklaard heeft dat hij daarbij geen belang had. Ook wanneer [gedaagde] dat inderdaad verklaard heeft – hij heeft het ontkend – zijn die bewoordingen naar het oordeel van de rechtbank te onduidelijk en te weinig concreet om te kunnen oordelen dat [gedaagde] daarmee de vordering heeft erkend.
2.9.
Het voorgaande voert tot de conclusie dat in het midden kan blijven of er een prijs is overeengekomen – en zo ja, welke – voor de door [eiser 1] op grond van de initiële afspraken verrichte werkzaamheden en eveneens of de betreffende overeenkomst schriftelijk had moeten worden aangegaan, aangezien een vordering tot nakoming – indien die is ontstaan – inmiddels is verjaard.
2.10.
De subsidiaire vordering uit ongerechtvaardigde verrijking slaagt evenmin. Aangenomen kan worden dat [gedaagde] door de verbouwing is verrijkt en [eiser 1] door de daaraan bestede uren is verarmd, maar die verrijking en verarming vinden hun rechtvaardiging in de tussen partijen gemaakte afspraken. Dat nakoming van de volgens [eisers] initieel gemaakte betalingsafspraak niet meer kan worden gevorderd, wordt veroorzaakt door de verjaring en daarmee door stilzitten van [eisers] en vormt daarom evenmin reden om de verrijking ongerechtvaardigd te oordelen. Wat betreft de later afgesproken werkzaamheden kan de verrijking, gelet op de bedoeling van [eisers] bij het verrichten van de werkzaamheden en het uitdrukkelijk niet afgesproken zijn van enige vergoeding, evenmin ongerechtvaardigd worden geoordeeld.
2.11.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. Gelet op de familieverhouding tussen partijen zullen de kosten in die zin worden gecompenseerd, dat elke partij de eigen proceskosten draagt.
In reconventie
2.12.
Volgens [gedaagde] hebben [eisers] een camera geplaatst die de woning en tuin van [gedaagde] in beeld brengt. Hij voelt zich hierdoor beroofd van zijn privacy en vordert daarom in reconventie, kort gezegd en na eisvermindering ter zitting:
  • dat [eisers] veroordeeld worden om de camera die aan de garage is gemonteerd zodanig in te stellen, dat deze de garage, de tuin en het huis van [gedaagde] niet in beeld kan brengen en daar geen ook geen opnamen van kan vastleggen;
  • [eisers] te bevelen om van die correcte instellingen bewijzen aan [gedaagde] te verstrekken, door middel van een combinatie van screenshots en een foto van de camera in de stand waarin die screenshots gemaakt zijn te verstrekken;
  • [eisers] te veroordelen tot een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet voldoen aan dit bevel, ingaande op de achtste dag na betekening van dit vonnis aan [eisers] ;
  • [eisers] te bevelen de camera te verwijderen indien zij na verbeurte van de maximale dwangsom nog niet hebben meegewerkt aan de correcte instelling van de camera.
Tevens vordert [gedaagde] dat [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
2.13.
[eisers] stellen zich op het standpunt dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen, omdat zij de camera op de garage hebben geplaatst ter bewaking van hun veiligheid en de camera voldoet aan de wettelijke voorwaarden.
2.14.
Mede gelet op de ter zitting door [gedaagde] overgelegde foto vanuit zijn woonkamer, waarin hij zicht heeft op de door [eisers] aan hun garage bevestigde beveiligingscamera, en de bevestiging door [eisers] dat met een stelschroef het camerabeeld kan worden aangepast, moet het ervoor gehouden worden dat [eisers] door middel van die camera in de woning van [gedaagde] kunnen kijken. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging. Ter zitting is als praktische oplossing besproken dat [eisers] direct naast de camera, aan de kant van [gedaagde] en haaks op de muur, een plaatje van zodanige omvang monteren, dat duidelijk is dat met de camera – hoe ook ingesteld – niet in de woning van [gedaagde] kan worden gekeken, omdat [gedaagde] vanuit zijn woning dan ook de camera niet zal kunnen zien. Beide partijen konden zich daarin vinden en [eisers] hebben ingestemd met een veroordeling daartoe. Zij zullen daarom worden veroordeeld om een dergelijk plaatje te monteren, op verbeurte van de gevorderde dwangsom, ingaande op de achtste dag na betekening van dit vonnis aan [eisers] , zij het dat die dwangsom zal worden gemaximeerd op € 50.000,-. Nu een forse maximale dwangsom wordt toegewezen, bestaat er geen aanleiding ook de aanvullend gevorderde verwijdering toe te wijzen. Verstrekking van screenshots en foto’s zijn met het voorgaande niet meer aan de orde. Nog daargelaten, ten slotte, dat het verzoek tot eiswijziging van [gedaagde] , ertoe strekkende dat primair verwijdering van de camera wordt gevorderd, in strijd met artikel 130, eerste lid, Rv niet schriftelijk, maar mondeling ter zitting is gedaan, doet de genoemde praktische oplossing meer recht aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen: zowel beveiliging van eigen terrein en woning, als het niet hoeven dulden van inkijk in de woning.
2.15.
Gelet op de familieverhouding tussen partijen zullen ook de kosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt.
2.16.
Dit vonnis in reconventie zal, zoals verzocht, wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af;
3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
3.3.
veroordeelt [eisers] om direct naast de camera die aan de garages is gemonteerd, aan de kant van [gedaagde] en haaks op de muur, een plaatje van zodanige omvang te monteren, dat duidelijk is dat met de camera – hoe ook ingesteld – niet in de woning van [gedaagde] kan worden gekeken, omdat [gedaagde] vanuit zijn woning dan ook de camera niet zal kunnen zien, op verbeurte van een dwangsom, ingaande op de achtste dag na betekening van dit vonnis aan [eisers] , van € 500,- per dag voor iedere dag dat [eisers] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-;
3.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg, mr. M. Aukema en mr. I.M.H. van der Zon en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
3120