ECLI:NL:RBROT:2026:2041
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Eiseres, voormalig callcentermedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd op grond van een arbeidsongeschiktheid van 14,22%. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 29,26%, maar bleef onder de 35% grens voor uitkeringsgerechtigdheid. Eiseres betwistte de beoordeling, met name de urenbeperking en geschiktheid van de voorgestelde functies.
De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en overtuigend was uitgevoerd. De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiseres geschikt was voor bepaalde functies met een arbeidspatroon dat rekening hield met haar beperkingen en rustbehoefte. De rechtbank volgde dit oordeel en verwierp de bezwaren van eiseres over de geschiktheid van functies en de urenbeperking.
Eiseres viel niet onder de 60-plusmaatregel omdat zij het einde van de wachttijd bereikte vóór het toepassingsgebied van deze regeling. Hoewel het bestreden besluit niet volledig deugdelijk was gemotiveerd, achtte de rechtbank dit niet benadelend voor eiseres omdat zij in beroep gelegenheid had gehad te reageren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het UWV in de proceskosten van €1.868,- en bepaalde dat het griffierecht van €51,- aan eiseres wordt vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 3 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.