Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2024

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11705202 CV EXPL 25-11820
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230h lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 3:3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst warmtepomp- en pv-installatie en uitsluiting informatieverplichtingen

BAM Energy Services B.V. heeft een koopovereenkomst gesloten met gedaagde voor de levering van een warmtepomp- en pv-installatie. BAM vordert betaling van €14.400,- plus rente en kosten. Gedaagde stelt dat BAM de vordering heeft ingetrokken en dat hij niet tijdig informatie ontving om de aankoop mee te financieren.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst is gesloten en niet is ingetrokken. Gedaagde heeft onvoldoende bewijs geleverd voor afstand van de vordering. De overeenkomst valt onder uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 BW, waardoor de informatieverplichtingen uit afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet ambtshalve worden getoetst.

De installaties zijn onroerende zaken en maken deel uit van de constructie van een nieuwbouwwoning, waardoor de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 sub f en g BW van toepassing zijn. Hierdoor is geen sprake van schending van informatieverplichtingen die tot vernietiging of korting zouden leiden.

De incassokosten van €919,- en wettelijke rente van €2.902,08 worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal €18.221,08 plus proceskosten van €2.591,28. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €18.221,08 inclusief rente en proceskosten aan BAM.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11705202 CV EXPL 25-11820
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
BAM Energy Services B.V.,
vestigingsplaats: Bunnik,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘BAM’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 8 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de rolbeslissing van 14 november 2025;
  • de akte van BAM, met bijlagen;
  • de akte van [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
BAM heeft met [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten voor een warmtepomp- en een pv-installatie. BAM eist in deze procedure betaling van de facturen die zij in verband met de levering van deze installaties heeft gestuurd, van in totaal € 14.400,-, plus rente en kosten.
2.2.
[gedaagde] zegt dat BAM haar vordering op een eerder moment heeft ingetrokken en vindt dat hij niet (meer) hoeft te betalen. Ook vindt hij dat hij niet op tijd informatie van BAM heeft gekregen over de koop, waardoor hij deze niet kon meefinancieren met de aankoop van zijn woning.
[gedaagde] moet betalen
2.3.
Dat tussen BAM en [gedaagde] een overeenkomst is gesloten voor een warmtepomp- en een pv-installatie, staat vast. BAM heeft de ondertekende overeenkomst overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij die overeenkomst inderdaad heeft ondertekend en ook niet dat BAM de installaties heeft geleverd.
2.4.
Volgens [gedaagde] heeft BAM haar vordering ingetrokken, maar dat is niet gebleken. BAM heeft betwist dat zij de vordering heeft ingetrokken. Het dossier bij een ander incassobureau dan haar huidige gemachtigde is gesloten, maar niet omdat zij de vordering op [gedaagde] heeft ingetrokken. [gedaagde] moet in zo’n geval aantonen dat BAM inderdaad afstand heeft gedaan van haar aanspraak op betaling. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom moet de kantonrechter ervan uitgaan dat de betalingsverplichting nog steeds bestaat en dat betekent dat [gedaagde] de facturen alsnog moet betalen.
Geen ambtshalve toetsing informatieverplichtingen
2.5.
In de rolbeslissing van 14 november 2025 heeft de kantonrechter BAM gevraagd om uit te leggen hoe de overeenkomst met [gedaagde] tot stand is gekomen en of sprake is van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. BAM heeft geantwoord dat zij een handelaar is en [gedaagde] een consument en dat de overeenkomst buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen. Volgens BAM valt de overeenkomst echter onder een van de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is. Als dat zo is, toetst de kantonrechter niet (ambtshalve) of BAM aan de informatieverplichtingen uit die afdeling heeft voldaan.
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat op de overeenkomst tussen BAM en [gedaagde] de hiervoor genoemde afdeling inderdaad niet van toepassing is. De overeenkomst valt onder de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 sub g BW en onder die van artikel 6:230h lid 2 sub h BW. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
2.7.
In artikel 6:230h lid 2 onder g BW staat dat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is op overeenkomsten “betreffende de constructie van nieuwe gebouwen (…)”. Hoewel de installaties op zichzelf niet onder de noemer ‘constructie van een nieuw gebouw’ vallen, oordeelt de kantonrechter dat er een zodanige samenhang bestaat tussen de koop van de installaties en de koop van de nieuwbouwwoning, dat de overeenkomst tussen BAM en [gedaagde] ook onder de uitzondering van dit artikellid valt. BAM heeft erop gewezen dat [gedaagde] verplicht was om deze installaties aan te laten brengen in de woning die hij had gekocht en dat de gasloze woning zonder deze installaties incompleet zou zijn geweest. Dat heeft [gedaagde] (ook) niet betwist. Er is in dit geval sprake van overeenkomsten (een koop/aanneemovereenkomst voor de woning en een overeenkomst voor de warmtepomp- en pv-installaties) die zodanig met elkaar verbonden zijn dat ze allebei onder de noemer ‘constructie van een nieuw gebouw’ moeten vallen.
2.8.
In artikel 6:230h lid 2 onder f BW staat dat afdeling 2b van titel 5 van boek 6 BW niet van toepassing is op overeenkomsten “over het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerende zaken of rechten op onroerende zaken”. De koop voldoet ook aan deze definitie. BAM heeft toegelicht dat de installaties onroerende zaken zijn. In de koopovereenkomst is opgenomen dat voor de installaties ten gunste van BAM een opstalrecht gevestigd wordt. Een opstalrecht is uitsluitend bedoeld voor onroerende zaken.
Ook uit de definitie van het begrip ‘onroerend’ in artikel 3:3 BW Pro volgt dat de installaties onroerend zijn. In dit artikel staat:
“Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.”
Uit de toelichting van BAM volgt dat het gaat om werken die duurzaam met de grond en/of de door [gedaagde] gekochte nieuwbouwwoning zijn verenigd.
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat de informatieverplichtingen uit afdeling 2b van boek 6.5 BW niet van toepassing zijn. Er kan dan ook geen sprake zijn van een schending van die verplichtingen die tot een gedeeltelijke vernietiging van de koopovereenkomst kan leiden (vertaald naar gewoon Nederlands: [gedaagde] krijgt geen ‘korting’ op de koopprijs). [gedaagde] heeft wel in het algemeen opgemerkt dat hij niet tijdig informatie van BAM zou hebben gekregen over de aankoop van de installaties, waardoor hij de aankoop niet heeft kunnen meefinancieren, maar hij heeft hier verder geen toelichting op gegeven. De kantonrechter ziet in deze opmerking geen grondslag voor het afwijzen van de vordering van BAM of voor een korting op de koopprijs.
[gedaagde] moet incassokosten van € 919,- betalen
2.10.
De incassokosten van € 919,- worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Dos Soares moet rente betalen
2.11.
De wettelijke rente wordt toegewezen, omdat BAM genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. BAM eist de handelsrente (artikel 6:119a BW) en heeft die naar het lijkt ook aangehouden bij het berekenen van de vervallen rente, maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW Pro. De vervallen rente tot en met 7 mei 2025 bedraagt € 2.902,08. Deze is berekend op basis van de vervaldata van de afzonderlijke facturen: de eerste factuur van 17 juli 2020 (rente vanaf 1 augustus 2020) en de tweede factuur van 6 november 2020 (rente vanaf 21 november 2020).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan BAM moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 865,50 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.591,28. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat BAM dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan BAM te betalen € 18.221,08 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 14.400,- vanaf 8 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van BAM worden begroot op € 2.591,28;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
51909