ECLI:NL:RBROT:2026:2023

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12045638 VV EXPL 26-11
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 RvArt. 237 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming sociale huurwoning wegens ernstige overlast ondanks opname huurder

Stichting Havensteder vordert in kort geding dat de bewindvoerder van de heer huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van diens sociale huurwoning wegens ernstige overlast aan omwonenden. De overlast omvat geluidsoverlast, vervuiling, vernielingen en diefstal, zoals blijkt uit een omvangrijk dossier met politierapportages. De bewindvoerder betwist de spoedeisendheid van de eis, omdat de huurder inmiddels is opgenomen in een zorginstelling en voorlopig niet zal terugkeren.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van Havensteder blijft bestaan vanwege het onzekere verloop van de opname en het grote tekort aan sociale huurwoningen. De huurovereenkomst zal naar verwachting in een bodemprocedure worden ontbonden vanwege de ernstige tekortkomingen van de huurder. Daarom wordt vooruitlopend op die ontbinding de ontruiming toegewezen.

De gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen wordt als onredelijk kort afgewezen en vastgesteld op zeven dagen na betekening van het vonnis. De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van ruim €1.000 en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is. Het vonnis is gewezen door kantonrechter B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen wegens ernstige overlast.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12045638 VV EXPL 26-11
datum uitspraak: 26 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. Y.F. Rijswijk,
tegen
[naam 1] Bewindvoeringen B.V.,
in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de heer [naam 2] , wonende te [woonplaats] ,
vestigingsplaats: Middelburg ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd. De heer [naam 2] wordt hierna ‘ [naam 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 januari 2026, met bijlagen;
  • de akte met bijlagen van Havensteder;
  • de brief van 11 februari 2026 van Havensteder, met bijlagen.
1.2.
Op 12 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • mevrouw [naam 3] , woonconsulente bij Havensteder, bijgestaan door mr. Rijswijk;
  • mr. IJpelaar.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[naam 2] huurt de woning aan de [adres] in [woonplaats] van Havensteder. De goederen van [naam 2] zijn onder bewind gesteld. Havensteder eist in deze zaak dat de bewindvoerder wordt veroordeeld om de woning te ontruimen, omdat [naam 2] overlast veroorzaakt aan omwonenden. De overlast is volgens Havensteder zo ernstig dat zij de uitkomst van de lopende bodemprocedure niet kan afwachten. De bewindvoerder is het niet eens met de ontruiming van de woning. [naam 2] is inmiddels opgenomen op basis van een crisismaatregel en wil hulp accepteren. De verwachting is dat hij voorlopig niet in de woning terugkomt en dat Havensteder daarom geen spoedeisend belang heeft bij haar eis, aldus de bewindvoerder.
Uitkomst
2.2.
De eis van Havensteder wordt grotendeels toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
De bewindvoerder moet de woning ontruimen
2.3.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [naam 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.4.
Dat [naam 2] nu is opgenomen in een zorginstelling, betekent niet dat het spoedeisend belang van Havensteder ontbreekt of is komen te vervallen. Het is immers niet bekend hoe lang [naam 2] daar zal blijven en of hij in de toekomst hulp gaat dan wel blijft accepteren. Ook betreft het hier een sociale huurwoning, waar een groot tekort aan is. Havensteder heeft daarom een spoedeisend belang bij haar eis.
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat er met een (voldoende) mate van zekerheid vanuit kan worden gegaan dat de huurovereenkomst tussen Havensteder en [naam 2] in een gewone procedure zal worden ontbonden. Er is namelijk sprake van ernstige overlast voor omwonenden en [naam 2] handelt dus niet een goed huurder. Uit het omvangrijke overlastdossier, met daarin ook diverse politierapportages, blijkt dat de overlast die [naam 2] vanaf 2020 veroorzaakt onder meer bestaat uit geluidsoverlast door ruzies en harde muziek, vervuiling van het portiek, vervuiling van- en vernielingen in de woning, diefstal van eigendommen van omwonenden en het langs de regenpijp en balkons van omwonenden naar boven klimmen naar zijn woning op de 3e etage van het complex. De bewindvoerder heeft niet weersproken dat [naam 2] zich op deze manier heeft gedragen en ook niet dat de overlast na het starten van de gewone procedure is toegenomen.
De tekortkoming van [naam 2] is zo ernstig dat, vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een gewone procedure, de ontruiming van het gehuurde in dit kort geding wordt toegewezen. De verslavingsproblematiek van [naam 2] , hoe moeilijk dit voor hem ook is, maakt dit oordeel niet anders.
2.6.
Havensteder vraagt om een ontruimingstermijn van drie dagen. Dat vindt de kantonrechter een onredelijk korte termijn voor het ontruimen van een woning. De kantonrechter stelt deze termijn daarom in redelijkheid vast op zeven dagen nadat dit vonnis is betekend.
De bewindvoerder moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan Havensteder moet betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.011,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna bepaald.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen 7 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [naam 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
3.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.011,94 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
43416