5.3.1.Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten: twee bedreigingen, twee vernielingen en oplichting. Het meest recente feit betreft een bedreiging tegen de begeleider van de woonvorm waar de verdachte verbleef. De verdachte had meerdere nachten niet geslapen en had drugs gebruikt en hij was het niet eens met de begeleider, die hem de toegang tot de woonvorm had ontzegd. De verdachte is daarop een koksmes gaan halen en hij heeft de begeleider daarna met dat mes bedreigd. Uit camerabeelden blijkt dat de begeleider zich niet liet afschrikken en terugvocht, waardoor mogelijk erger is voorkomen. Later heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij de begeleider wilde doden door hem te steken en welke plek in het lichaam hij daarbij het beste had kunnen raken, dat hij hem zou vermoorden als hij hem tegenkwam en dat hij het niet vervelend vond voor de begeleider.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van een medewerkster van de Kredietbank. Tijdens een verschil van mening over zijn leefgeld heeft de verdachte
e-mailberichten met bedreigende teksten gestuurd naar de medewerkster, die gewoon haar werk deed. De rechtbank weegt hierbij in strafverzwarende zin mee dat de verdachte ook daadwerkelijk naar de Kredietbank is toegegaan.
Daarnaast heeft de verdachte vernielingen gepleegd bij een supermarkt nadat er onenigheid was over een winkelverbod en een medewerker als gevolg daarvan weigerde om statiegeld aan de verdachte uit te betalen. Ook heeft de verdachte op drie verschillende momenten ruiten van de woning van zijn ouders vernield. Deze handelingen hebben flinke overlast veroorzaakt.
Uit de verschillende dossiers ontstaat het beeld van een verdachte, die deels uit onmacht maar voor een deel ook berekenend, bedreigingen en geweld inzet als het hem te veel wordt of hij het niet eens is met anderen.
Tot slot heeft de verdachte doelbewust drie mensen opgelicht door geld te vragen voor de verhuur van (kamers in) de sociale huurwoning, die hij gedwongen moest verlaten, terwijl hij dus wist dat hij niet meer over (de kamers in) die woning kon beschikken. Op die manier heeft de verdachte drie personen, die op zoek waren naar woonruimte, financieel benadeeld.
5.3.2.Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psychiater [persoon A] van 21 november 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en theatrale trekken, een stoornis in het gebruik van cocaïne (ernstig) en zwakbegaafdheid.
Daarom is het advies om de feiten 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23) in een licht verminderde mate toe te rekenen, aangezien de verdachte meer berekenend en doelbewust de bedreiging heeft geuit en, meermaals, de vernielingen aan de woning van zijn ouders toe heeft gebracht. Geadviseerd wordt de verdachte feit 2 (10-228189-25, feit 2) in een verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt op de korte, middellange en langere termijn als hoog ingeschat indien de situatie ongewijzigd blijft.
Behandeling van de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek is noodzakelijk om het recidiverisico te doen verlagen. De verdachte heeft inmiddels een strafblad, waarbij de delicten in ernst toenemen. Ambulante behandeling in het verleden is niet succesvol gebleken. Klinische behandeling heeft de verdachte in het verleden nooit eerder ondergaan. De verdachte heeft, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, onvoldoende adequate copingmechanismen om met gevoelens van boosheid en krenking en andere stressfactoren om te gaan. Daarnaast is er sprake van ernstig gebruik van cocaïne. De verdachte blijkt niet in staat om zijn emoties op adequate wijze te reguleren. Behandeling is gegarandeerd noodzakelijk om zijn inadequate copingmechanismen te bespreken en te veranderen om niet opnieuw in verslavingsgedrag en delictgedrag te vervallen.
Deze intensieve behandeling dient in een forensische psychiatrische afdeling op een voldoende hoog beveiligingsniveau te starten. De inschatting is dat de klinische fase van deze behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte voldoende veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij.
De inschatting is dat behandeling binnen het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende lang en intensief zal zijn om het recidiverisico voldoende te verlagen. Een stringenter strafrechtelijk kader is noodzakelijk om de behandeling en resocialisatie succesvol te laten verlopen, zodat de verdachte zich blijft conformeren aan voorwaarden. Een tbs-maatregel wordt noodzakelijk geacht. Met tbs met voorwaarden wordt naar verwachting de veiligheid van de maatschappij voldoende gewaarborgd. Tbs met dwangverpleging wordt vanuit gedragsdeskundig oogpunt momenteel niet door noodzakelijk geacht, aangezien de aard van het risico voldoende concreet is, de verdachte het feitelijke delictgedrag erkent en de risicofactoren en beschermende factoren zijn concreet en geïdentificeerd.
In het rapport van psycholoog [persoon B] van 27 november 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en histrionische persoonlijkheidstrekken. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cocaïne, ernstig van aard en van genderdysforie. Tot slot zijn er beperkingen in het intellectuele vermogen van de verdachte vastgesteld, namelijk zwakbegaafdheid. Daarbij is de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking niet volledig uit te sluiten.
Een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid zijn chronisch van aard en dus aanwezig geweest ten tijde van het ten laste gelegde. Ook de stoornis in het gebruik van cocaïne en wat betreft de genderdysforie zijn op dat moment actueel.
Geadviseerd wordt om de verdachte de feiten 2 (10-228189-25, feit 2), 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23), in een licht verminderde mate toe te rekenen. De bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis heeft gezorgd voor de nodige instabiliteit in zijn bestaan. Kenmerken als stemmingswisselingen, impulsiviteit en gebrekkige vaardigheden op verschillende gebieden, maken dat zijn persoonlijkheidsstoornis verweven is in het ontstaan van de ten laste gelegde feiten.
Daarbij lijkt hij verminderd grip te hebben gehad op zijn gedrag. Onder invloed van cocaïne, weinig slaap in de dagen ervoor en een instabiel zelfgevoel, komt hij tot agressief delictgedrag. Daarbij is het hem wel enigszins aan te rekenen dat hij in de opbouw hier naartoe niet aan de bel heeft getrokken bij de betrokken hulpverleningsinstanties en hij middelen is blijven gebruiken. Ten aanzien van de vernielingen van de ruiten bij zijn ouders en de bedreiging van de medewerkster van de Kredietbank, hebben ook zijn persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het gebruik van cocaïne, een rol gespeeld. Toch lijkt hij in deze situaties meer berekenend te werk te zijn gegaan. Hij heeft zijn delictgedrag hierbij mogelijk meer bewust ingezet om zijn doelen te bereiken. Hierbij is hij wel weinig geremd door schuld- of schaamtegevoelens.
Uit de gestructureerde risicotaxatieinstrumenten komt een hoog aantal risicofactoren naar voren. Tegenover deze risicofactoren, staat een laag aantal beschermende factoren. Zo heeft de verdachte weliswaar positieve doelen voor de toekomst, maar is er instabiliteit op alle levensgebieden. Alles overziend wordt geconcludeerd dat het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat.
Gezien de verdachte buiten de P.I. niets heeft om op terug te vallen en er sprake is van een hoog recidiverisico, wordt een klinische opname in een forensische setting noodzakelijk geacht. Deze behandeling dient zich te richten op het waar mogelijk vergroten van probleembesef en het uitbreiden van zijn vaardigheden. Geconcludeerd wordt dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest passend zou zijn gezien de flexibiliteit binnen deze maatregel in het zetten van stappen voor- en (indien nodig) achteruit.
In het rapport van GGZ Verslavingsreclassering Fivoor van 30 januari 2026 staat het volgende.
Er zijn mogelijkheden om met interventies binnen het kader van een tbs met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Het risico op recidive en letselschade wordt ingeschat als hoog. Het middelengebruik en de psychische problematiek worden aangemerkt als primaire criminogene factoren. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan beschermende factoren waaronder huisvesting, dagbesteding en een steunend sociaal netwerk.
Mede door de ernst en de complexiteit van de problematiek van de verdachte en het hoge risico op recidive en letselschade, zijn interventies geïndiceerd. De problematiek van de verdachte vereist langdurige monitoring, behandeling, begeleiding, sturing en motivering. Gelet op de problematiek en de daarvoor noodzakelijke gespecialiseerde kennis en specialistische interventies is tbs met voorwaarden toereikend om met de verdachte toe te werken naar – en te kunnen blijven werken aan – gedragsverandering om zo de risico’s te beperken en daarmee de veiligheid van de maatschappij te borgen.
De verdachte heeft ingestemd met de gestelde voorwaarden en hij geeft aan open te staan voor een langdurige klinische opname. De reclassering houdt binnen haar overwegingen rekening met het feit dat de verdachte nog nooit een langdurige (klinische) behandeling opgelegd heeft gekregen in een forensisch kader en dat zijn strafblad beperkt is.
De reclassering adviseert om – naast de tbs met voorwaarden – een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen, met dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot.
Toerekenbaarheid
Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze zijn gedrag tijdens het begaan van de strafbare feiten 2 (bedreiging), 5 (vernieling) en 6 (bedreiging) beïnvloedde. De deskundigen hebben in hun rapporten geen advies uitgebracht over de feiten 3 (vernieling) en 4 (oplichting) omdat de daarop ziende stukken niet aan hen zijn verstrekt.
Feit 2 (10-228189-25, feit 2) wordt, met name vanwege het advies van de psychiater, maar ook door de toelichting van de psycholoog, verminderd aan de verdachte toegerekend. De feiten 5 (10-195708-25) en 6 (10-249117-23) worden in licht verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
5.3.3.Oplegging straf en maatregelen
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegend wordt daarom een gevangenisstraf van 215 dagen opgelegd.
Terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld.
Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten 2 en 6 een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en theatrale trekken, en een stoornis in het gebruik van cocaïne.
De feiten 2 (10-228189-25, feit 2) en 6 (10-249117-23) zien op een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is.
Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden, namelijk:
- het verbod om strafbare feiten te plegen;
- meewerken aan reclasseringstoezicht;
- klinische opname in een zorginstelling;
- meewerken aan een time-out van maximaal zeven weken met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot een maximum van veertien weken per jaar;
- aansluitend aan de klinische opname begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische plaatsing;
- een middelenverbod en meewerken aan controle daarop;
- een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding;
- meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind;
- een reisverbod ten aanzien van de Europese grenzen van Nederland;
- een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] .
De verdachte heeft ook ter zitting verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven.
Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat
.Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op omdat de verdachte met de bedreiging van [slachtoffer 1] , feit 2 (10-228189-25, feit 2), een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht kan niet zonder meer worden gekarakteriseerd als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Echter, uit het dossier blijkt dat de verdachte niet alleen bedreigende woorden heeft geuit, maar ook met een mes het kantoor van de bedreigde is ingelopen. Daarbij heeft hij later tegen de politie verklaard dat hij de bedreigde op dat moment wilde doden en ook als hij hem later weer zou tegenkomen. De onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan weliswaar niet worden bewezen, maar dat doet niet af aan de vaststelling dat de bewezen verklaarde bedreiging onder de vastgestelde omstandigheden wel een misdrijf is dat gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
Om de algemene veiligheid van personen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat hij onvoldoende grip lijkt te hebben op zijn eigen gedrag. Vast staat dat het om meerdere feiten gaat, dat die feiten in ernst zijn toegenomen en dat de verdachte geweld niet heeft geschuwd. Daarbij houdt de rechtbank met name rekening met het rapport van Verslavingsreclassering GGZ, Fivoor van 30 januari 2026.
Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld.