Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
:mr. C.W.M. Berendsen).
Samenvatting
Procesverloop
.
Rechtbank Rotterdam
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening van een verzoeker die door het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam schriftelijk is medegedeeld dat hij de opvanglocatie voor Oekraïners uiterlijk 29 januari 2026 moet verlaten. Verzoeker is het niet eens met deze mededeling en verzoekt de voorzieningenrechter om schorsing van de beëindiging van de opvang.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de mededeling van het college geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat deze niet is gericht op rechtsgevolg en de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt. Het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2025 hebben reeds vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft en Nederland moet verlaten.
Omdat de mededeling geen besluit is, staat er geen bezwaar of beroep open en kan de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treffen. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoeker nog bij de rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening kan vragen in het kader van het verzet tegen het terugkeerbesluit.
De uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door voorzieningenrechter A.M.J. Adriaansen en griffier M.G. den Ambtman. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de mededeling geen besluit is en niet op rechtsgevolg is gericht.