5.1.Niet is in geschil dat verzoeker op dit moment geen vast woonadres heeft en dat hij op korte termijn geheel dakloos dreigt te worden. De voorzieningenrechter zal het spoedeisend belang daarom aannemen en de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, wanneer hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Op grond van artikel 3.2.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam (de Verordening) hanteert het college voor het toekennen van een maatwerkvoorziening het aanvullende criterium dat de noodzaak tot het verstrekken van de voorziening niet aan de cliënt te wijten is.
8. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving.Verzoeker kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als hij geen onderdak heeft door de problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker niet behoort tot de doelgroep van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. Verzoeker is meerdere keren vanuit Nederland teruggekeerd naar Somalië en heeft zich daar blijkens zijn eigen verklaringen steeds zelfstandig kunnen redden (met de zorgtoeslag die hij vanuit Nederland ontving). In Nederland heeft verzoeker steeds zelfstandig onderdak kunnen vinden binnen zijn sociale netwerk. Ook heeft hij meerdere baantjes gehad waarmee hij klaarblijkelijk in zijn onderhoud heeft kunnen voorzien. Voor zover verzoeker al een licht verstandelijke beperking heeft – dit heeft verzoeker namelijk niet onderbouwd – neemt dat niet weg dat hij zich steeds zelfstandig heeft kunnen redden. Bovendien heeft verzoeker op de zitting zelf verklaard dat hij voornamelijk een huisvestingsprobleem heeft en dat zijn problemen zijn opgelost als hij een woning heeft gevonden. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoeker zelfredzaam is. De enkele omstandigheid dat verzoeker voor praktische en administratieve zaken wordt bijgestaan door een vrijwilliger maakt die conclusie niet anders.
10. Omdat verzoeker als voldoende zelfredzaam kan worden beschouwd, komt hij niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. Al daarom heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Aan de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit, dat verzoeker onvoorbereid naar Nederland is gekomen, komt de voorzieningenrechter dan ook niet meer toe.