ECLI:NL:RBROT:2026:2007

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713984 / JE RK 26-161
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder is belast met het ouderlijk gezag, maar blijkt niet in staat om de basale zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft. Er is geen passende plek in het netwerk van de moeder gevonden, waardoor de minderjarige momenteel in een pleeggezin verblijft.

Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling het standpunt van de Raad ondersteund en aangegeven dat het goed gaat met de minderjarige in het pleeggezin, maar dat de moeder moeite heeft om aan zijn behoeften te voldoen. De moeder heeft beperkte omgang met de minderjarige en heeft zelf aangegeven veel hulp en ondersteuning nodig te hebben.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder heeft de minderjarige onvoldoende en ongeschikte voeding gegeven, hem onvoldoende verschoond en blootgesteld aan schreeuwen en fysiek contact. De moeder lijkt verstandelijk beperkt en het is onduidelijk in hoeverre zij leerbaar is.

De minderjarige blijft voorlopig in het pleeggezin, terwijl de mogelijkheid van een moeder-kindhuis en plaatsing binnen het netwerk wordt onderzocht. De omgangsmomenten met de moeder kunnen mogelijk worden uitgebreid om haar kansen te geven te laten zien of zij voor de minderjarige kan zorgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de moeder kan binnen drie maanden hoger beroep instellen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing wegens bedreigde ontwikkeling door onvoldoende verzorging door de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713984 / JE RK 26-161
Datum uitspraak: 16 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Meeuwsen, kantoorhoudende in Gorinchem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 28 januari 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het raadsrapport van 28 januari 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijstaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI), [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een begeleidster van de moeder van [naam 3] , [naam 4] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 26 februari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 26 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. De moeder is niet in staat om [minderjarige] de basale zorg te bieden die hij nodig heeft. Er is onderzoek gedaan in het netwerk van de moeder, maar er is hier op dit moment nog geen passende plek gevonden voor [minderjarige] . Er moet over zes maanden meer duidelijk zijn over waar [minderjarige] kan opgroeien. Het zou fijn zijn als de moeder en [minderjarige] samen in een moeder-kindhuis kunnen verblijven. De ondertoezichtstelling is daarnaast nodig om de moeder te kunnen ondersteunen.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het standpunt van de Raad ondersteund en daarbij het volgende aangegeven. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . Toen hij net in het pleeggezin was geplaatst was hij gestrest, hij overstrekte zich veel en hij hield zijn vuistjes gespannen. Het is voor de moeder lastig om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De mogelijkheid van een plaatsing in een moeder-kindhuis wordt onderzocht. Echter, veel ouder-kindplekken vereisen wel dat de ouder de basisvaardigheden bezit. De moeder had tweemaal per week omgang en dit is teruggebracht naar eenmaal per week. Dit gaat weer terug naar tweemaal per week. Vanmorgen heeft een IQ onderzoek plaatsgevonden van de moeder.
4.2.
Namens en door de moeder is naar voren gebracht dat zij op veel punten hulp en ondersteuning nodig heeft. Het is van belang dat de hulpverlening spoedig wordt opgestart en dat er snel duidelijkheid komt of moeder samen met [minderjarige] in een moeder-kindhuis geplaatst kan worden. [minderjarige] is immers nog heel erg jong en de moeder vreest dat anders (te) snel wordt aangegeven dat [minderjarige] is gehecht in het pleeggezin. De moeder zou daarnaast [minderjarige] vaker willen zien. De moeder ziet [minderjarige] nu maar eenmaal per week een uur. Zij zou graag de mogelijkheid willen krijgen om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen en waar dit haar niet lukt, dat zij hier hulp bij krijgt. De moeder heeft zelf een contactmoment gemist, omdat zij zich had verslapen. Dit geeft al aan dat zij veel hulp en ondersteuning nodig heeft. De moeder heeft begeleiding van [naam 3] en het zou goed zijn als de hulpverlening om de tafel gaat met [naam 3] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. De moeder is tot nu toe niet in staat gebleken om [minderjarige] de basale verzorging en een veilige opvoedsituatie te bieden die hij nodig heeft. De moeder heeft [minderjarige] onvoldoende en ongeschikte voeding gegeven, hij werd onvoldoende verschoond en hij werd door de moeder blootgesteld aan schreeuwen en heftig fysiek contact. Er was ook geen veilige verblijfplek beschikbaar voor [minderjarige] in het netwerk. De moeder lijkt verstandelijk beperkt, zij heeft moeite met het uitvoeren van de basale zorgtaken en het is onduidelijk in hoeverre zij leerbaar is.
5.3.
[minderjarige] verblijft nu in een pleeggezin en hier gaat het goed met hem. Op dit moment is het van belang dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin voortduurt. In de komende periode zal de mogelijkheid van een moeder-kindhuis onderzocht worden. Daarnaast kan er nog verder onderzocht worden wat de mogelijkheden zijn van een plaatsing binnen het netwerk en in hoeverre de moeder leerbaar is. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat gekeken wordt of de omgangsmomenten met de moeder kunnen worden uitgebreid, zodat de moeder ook de kans krijgt om te laten zien of zij in staat is voor [minderjarige] te zorgen. Hierbij dient de GI het belang van [minderjarige] voorop te stellen. Het lijkt voorts zinvol als de GI met de begeleiding van de moeder, [naam 3] , overlegt over de mogelijkheden van (aanvullende) hulpverlening aan de moeder en wat zij nodig heeft.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 16 februari 2026 tot 16 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 februari 2026 tot 26 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van J.A. van Soest als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.