De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder is belast met het ouderlijk gezag, maar blijkt niet in staat om de basale zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft. Er is geen passende plek in het netwerk van de moeder gevonden, waardoor de minderjarige momenteel in een pleeggezin verblijft.
Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling het standpunt van de Raad ondersteund en aangegeven dat het goed gaat met de minderjarige in het pleeggezin, maar dat de moeder moeite heeft om aan zijn behoeften te voldoen. De moeder heeft beperkte omgang met de minderjarige en heeft zelf aangegeven veel hulp en ondersteuning nodig te hebben.
De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder heeft de minderjarige onvoldoende en ongeschikte voeding gegeven, hem onvoldoende verschoond en blootgesteld aan schreeuwen en fysiek contact. De moeder lijkt verstandelijk beperkt en het is onduidelijk in hoeverre zij leerbaar is.
De minderjarige blijft voorlopig in het pleeggezin, terwijl de mogelijkheid van een moeder-kindhuis en plaatsing binnen het netwerk wordt onderzocht. De omgangsmomenten met de moeder kunnen mogelijk worden uitgebreid om haar kansen te geven te laten zien of zij voor de minderjarige kan zorgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de moeder kan binnen drie maanden hoger beroep instellen.