Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- mevrouw [persoon A] , partner van en gemachtigd door verzoeker;
- mr. M. Raaijmakers, gemachtigd advocaat van verzoeker.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 5 januari 2026 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, met het verzoek om een voorlopige voorziening die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van de huurwoning uit 2020 ten uitvoer te leggen.
Tijdens de zitting van 16 januari 2026 was verzoeker wegens ziekenhuisopname niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door zijn partner en advocaat. Verweerster verscheen niet. De rechtbank beoordeelde dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond op 6 januari 2026.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die met zijn partner en vijf minderjarige kinderen in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de betaalde huur en de inkomenssituatie acht de rechtbank het aannemelijk dat de lopende termijnen voldaan worden.
De voorziening wordt voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig plaatsvinden. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De uitspraak is gedaan door rechter M.P. van Eeden-van Harskamp en griffier A.B.T. Fernandes Pedra op 23 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.