Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2001

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1356
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende afloscapaciteit

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij een akkoord werd aangeboden dat geen uitkering aan schuldeisers voorzag en gebaseerd was op voortzetting van een WW-uitkering. Negen schuldeisers stemden in, vier grote schuldeisers, vertegenwoordigd door LAVG, weigerden in te stemmen en betoogden dat het aanbod niet het maximaal haalbare was en dat verzoeker in staat zou zijn om te werken en zo een hogere afloscapaciteit te realiseren.

De rechtbank overwoog dat de weigering van deze schuldeisers, die een substantieel deel van de schuldenlast vertegenwoordigen, zwaarwegend is. Het was onvoldoende aannemelijk dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken, temeer daar verzoeker zelf verklaarde actief te solliciteren en bereid was te werken.

Daarmee woog het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. De rechtbank wees het verzoek tot gedwongen schuldregeling af en zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat het aanbod niet het maximaal haalbare is en verzoeker naar verwachting kan gaan werken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 januari 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 25 juli 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een vijftal schuldeisers, te weten:
  • NS Reizigers B.V., wiens vordering in behandeling is bij LAVG (hierna: NS);
  • Hoist Finance AB, wiens vordering in behandeling is bij LAVG (hierna: Hoist Finance);
  • VGZ Zorgverzekeraar (hierna: VGZ);
  • Direct Pay Services B.V., wiens vordering in behandeling is bij LAVG (hierna: Direct Pay);
  • CE Credit Management Invest Fund 1 B.V., wiens vordering in behandeling is bij LAVG (hierna: CE 1);
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
LAVG heeft namens NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 op 14 november 2025 een verweerschrift toegezonden.
VGZ heeft voorafgaande aan de zitting, bij bericht van13 november 2025, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van VGZ wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
Ter zitting van 16 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [persoon B] , werkzaam bij CVD.
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift dertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 16.498,55 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 18 april 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WW-uitkering. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 stemmen hier niet mee in. NS heeft twee vorderingen van in totaal € 1.372,83 op verzoeker. Hoist Finance heeft een vordering van € 1.166,93 op verzoeker. Direct Pay heeft een vordering van € 1.362,95 op verzoeker. CE 1 heeft een vordering van € 67,84 op verzoeker.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft LAVG namens NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 gesteld dat toewijzing van een dwangakkoord slechts bij hoge uitzondering mogelijk is en dat daarbij terughoudendheid is geboden. Volgens haar heeft verzoeker onvoldoende gemotiveerd waarom zij in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen. LAVG wijst erop dat de weigerende schuldeisers een substantieel deel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, zodat aan haar weigering groot gewicht toekomt. Daarnaast voert zij aan dat het minnelijk traject minder waarborgen biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp), omdat daarin sprake is van intensief toezicht door een bewindvoerder en rechter-commissaris, uitgebreider onderzoek naar activa, en strengere controle en sancties. De Wsnp biedt volgens haar daarom betere vooruitzichten voor de schuldeisers. Verder stelt LAVG namens de weigerende schuldeisers dat het aangeboden voorstel van 0% geen enkel voordeel biedt ten opzichte van toelating tot de Wsnp. Zij acht het volledig afboeken van de vorderingen zonder doorlooptijd te ingrijpend en pleit minimaal voor een looptijd van 18 maanden om zicht te houden op het betaalgedrag en de financiële ontwikkeling van verzoeker. De weigerende schuldeisers menen bovendien dat het aanbod niet het maximaal haalbare is. Zij stellen dat verzoeker, gelet op diens leeftijd, uitkeringssituatie en de huidige arbeidsmarkt, in staat moet worden geacht om (fulltime) arbeid te verrichten en daarmee aanzienlijk hogere inkomsten te genereren. In dat geval zou binnen de Wsnp een hogere uitdeling aan schuldeisers mogelijk zijn dan onder het aangeboden saneringsakkoord. Om die reden had volgens de weigerende schuldeisers eerder een prognosevoorstel dan een saneringskrediet voor de hand gelegen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 24,10% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een schuldregeling waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden. Dit aanbod is gebaseerd op de inkomsten uit hoofde van een WW-uitkering. Echter, uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoeker heeft bovendien ter zitting verklaard op korte termijn te kunnen en willen werken en dat hij momenteel ook aan het solliciteren is naar een baan. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om NS, Hoist Finance, Direct Pay en CE 1 te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.