Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij een akkoord werd aangeboden dat geen uitkering aan schuldeisers voorzag en gebaseerd was op voortzetting van een WW-uitkering. Negen schuldeisers stemden in, vier grote schuldeisers, vertegenwoordigd door LAVG, weigerden in te stemmen en betoogden dat het aanbod niet het maximaal haalbare was en dat verzoeker in staat zou zijn om te werken en zo een hogere afloscapaciteit te realiseren.
De rechtbank overwoog dat de weigering van deze schuldeisers, die een substantieel deel van de schuldenlast vertegenwoordigen, zwaarwegend is. Het was onvoldoende aannemelijk dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken, temeer daar verzoeker zelf verklaarde actief te solliciteren en bereid was te werken.
Daarmee woog het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. De rechtbank wees het verzoek tot gedwongen schuldregeling af en zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.