Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 december 2025, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een huurder, aangeduid als [eiser], en de Stichting Havensteder, de verhuurder. De huurder had eerder een vonnis gekregen waarin hij werd veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning, omdat hij de woning in strijd met de huurovereenkomst had onderverhuurd. De huurder heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en vordert in het kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis totdat het gerechtshof in Den Haag een beslissing heeft genomen.
De kantonrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen. De huurder heeft aangegeven dat hij, als hij zijn woning verliest, niet in staat zal zijn om een nieuwe woning te huren vanwege zijn instabiele financiële situatie en de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder ook mantelzorg verleent aan zijn moeder, wat zijn situatie verder bemoeilijkt. De verhuurder, Havensteder, heeft betoogd dat de huurder bij familie kan wonen, maar de kantonrechter heeft deze stelling niet als voldoende overtuigend beschouwd.
Uiteindelijk heeft de kantonrechter besloten om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 november 2025 te schorsen, met de voorwaarde dat de huurder er alles aan doet om het hoger beroep zo snel mogelijk te laten behandelen. Havensteder is veroordeeld in de proceskosten van de huurder, die op € 768,00 zijn begroot. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.