ECLI:NL:RBROT:2026:20

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
11997174 VV EXPL 25-750
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis in een executiegeschil over ontruiming van een huurwoning

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een huurder, aangeduid als [eiser], en de Stichting Havensteder, de verhuurder. De huurder had eerder een vonnis gekregen waarin hij werd veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning, omdat hij de woning in strijd met de huurovereenkomst had onderverhuurd. De huurder heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en vordert in het kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis totdat het gerechtshof in Den Haag een beslissing heeft genomen.

De kantonrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen. De huurder heeft aangegeven dat hij, als hij zijn woning verliest, niet in staat zal zijn om een nieuwe woning te huren vanwege zijn instabiele financiële situatie en de lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder ook mantelzorg verleent aan zijn moeder, wat zijn situatie verder bemoeilijkt. De verhuurder, Havensteder, heeft betoogd dat de huurder bij familie kan wonen, maar de kantonrechter heeft deze stelling niet als voldoende overtuigend beschouwd.

Uiteindelijk heeft de kantonrechter besloten om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 november 2025 te schorsen, met de voorwaarde dat de huurder er alles aan doet om het hoger beroep zo snel mogelijk te laten behandelen. Havensteder is veroordeeld in de proceskosten van de huurder, die op € 768,00 zijn begroot. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11997174 VV EXPL 25-750
datum uitspraak: 5 januari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.J. Remmelts.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘Havensteder’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 december 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 22 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] huurt sinds 2022 van Havensteder de woning aan de [adres]. De kantonrechter in Rotterdam heeft de huurovereenkomst in haar vonnis van 21 november 2025, gewezen onder zaaknummer 11537517 CV EXPL 25-2943, ontbonden en [eiser] ertoe veroordeeld de woning te ontruimen. De kantonrechter in die zaak komt kort gezegd tot dat oordeel, omdat [eiser] de woning tegen de regels in tweemaal heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven aan derden. Hierbij heeft [eiser] in het laatste geval een onderhuur van € 1.750,00 inclusief (service)kosten per maand ontvangen, terwijl het een sociale huurwoning betreft en hij zelf in die periode € 631,41 aan huur betaalde. [eiser] is veroordeeld tot betaling van de winst van € 4.808,66 aan Havensteder. Het vonnis is zonder verdere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
[eiser] vordert in dit executiegeschil de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 november 2025 op te schorten tot het gerechtshof in Den Haag beslist heeft op het door hem ingestelde hoger beroep tegen dat vonnis.
2.3.
Havensteder voert verweer.
2.4.
Als dit voor de beoordeling van belang is, wordt hierna ingegaan op de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan.

3.De beoordeling

beoordelingskader
3.1.
Wat [eiser] vordert moet beoordeeld worden aan de hand van wat de Hoge Raad overweegt onder nummer 5.8. van zijn arrest van 20 december 2019 [1] , voor zover nu van belang:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en […] ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, […], ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan […].
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf […] in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende […] rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
3.2.
Het uitgangspunt is dus dat Havensteder het vonnis van 21 november 2025 ten uitvoer kan leggen en dat zij [eiser] er, ondanks het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis, toe kan dwingen de woning nu al te verlaten. De kantonrechter in deze zaak kan de tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 november 2025 echter schorsen als de omstandigheden meebrengen dat het belang van [eiser] om het hoger beroep af te wachten terwijl hij in deze woning blijft wonen, zwaarder weegt dan het belang van Havensteder om [eiser] er nu toe te verplichten de woning te verlaten.
belangenafweging
3.3.
Gelet op de omstandigheden valt de genoemde belangenafweging in dit geval uit in het voordeel van [eiser].
3.4.
Als [eiser] zijn huis verliest, zal hij gelet op zijn (instabiele) inkomsten niet in staat zijn om een woning in de vrije sector te huren. Door de lange wachtlijsten en de zwarte lijst waarop hij mogelijk wordt geplaatst, zal [eiser] ook geen sociale huurwoning kunnen verkrijgen. Havensteder heeft dit niet betwist, maar heeft gesteld dat [eiser] kan wonen bij zijn familie. Wonen bij moeder of bij de gezinnen van zijn zussen is gelet op de (geringe) omvang van hun woningen geen optie, aldus [eiser]. In het algemeen zal deze stelling van [eiser] juist zijn, zodat daarvan in het kader van dit kort geding wordt uitgegaan.
3.5.
[eiser] is ZZP-er en werkt als taxichauffeur. Wanneer hij zijn woning verliest en daardoor onder meer geen douche tot zijn beschikking heeft, vreest hij voor het behoud van zijn inkomen. Daarnaast verleent [eiser] mantelzorg aan zijn moeder. Dat blijkt uit de verklaring van 4 december 2025 van Steunpunt Mantelzorg IJsselstein en uit de medische stukken die [eiser] in het geding heeft gebracht. [eiser] vertelde daarnaast tijdens de zitting dat hij weliswaar twee zussen heeft die op twintig minuten afstand van zijn moeder wonen, maar dat deze zussen ieder een gezin en daardoor minder tijd hebben dan [eiser] om de zorg voor moeder op zich te nemen. Daar komt bij dat [eiser] vertelde dat zijn vader niet meer leeft en hij daardoor, in de woorden van de kantonrechter, een bepaalde verantwoordelijkheid voor zijn moeder voelt. Het heeft geen uitleg nodig dat werken en mantelzorg verlenen vanuit een situatie van dakloosheid meer voeten in de aarde heeft dan vanuit een situatie dat in dit geval [eiser] zelf een woning heeft. De te verwachten dakloosheid is op zichzelf onvoldoende om de vordering toe te wijzen, maar er zijn nog andere omstandigheden die – in onderlinge samenhang bezien – leiden tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Hierop zal hierna worden ingegaan.
3.6.
Vanwege de mantelzorg en de afstand tot de woning van zijn moeder heeft [eiser] Havensteder voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de bodemprocedure verzocht om mee te werken aan een woningruil met de voormalig huurder van de woning. [eiser] wil (weer) van woning ruilen met [naam]. [eiser] woonde eerst in Nieuwegein in het huis waar [naam] nu woont en [eiser] woont in Rotterdam in het huis waar [naam] voorheen woonde. [naam] wil dit, net als [eiser], nog steeds, zo verklaarde [eiser] tijdens de zitting. Havensteder wenst echter niet mee te werken vanwege de redenen van ontbinding oftewel de tekortkoming van [eiser]. De informatie over het verzoek tot woningruil waren kort voor de mondelinge behandeling in de bodemprocedure ingebracht, maar deze is – nadat Havensteder daar tegen bezwaar had gemaakt – door de kantonrechter buiten beschouwing gelaten. Als de woning wordt ontruimd en een nieuwe huurder de woning betrekt, is woningruil niet meer mogelijk. In het hoger beroep tegen het vonnis staat dus voor [eiser] niet alleen het behoud van zijn woning op het spel, maar ook zijn belang bij terugverhuizen naar IJsselstein, waar zijn (hulpbehoevende) moeder woont en waar hij zich wil aansluiten bij Utrechtse Taxi Centrale om vanuit die regio zijn werk als zelfstandig taxichauffeur voort te zetten.
3.7.
[eiser] heeft daarom een groot belang om het hoger beroep te mogen afwachten. Een hoger beroep kan lang duren, volgens Havensteder mogelijk zelfs een jaar. [eiser] heeft echter geprobeerd die termijn te verkorten door een paar dagen na de uitspraak van 21 november 2025 al in hoger beroep te gaan en meteen een memorie van grieven te nemen. Havensteder betwist niet dat dit uitzonderlijk snel is. Hierdoor is volgens [eiser] de procedure met vijf tot zes maanden verkort. De kans dat het hof dus ruim korter dan een jaar na het vonnis van 21 november 2025 arrest wijst, is dus zeker aanwezig. Als Havensteder ook snel een memorie van antwoord indient, kan het zelfs nog sneller en kan het gerechtshof, indien nodig, mogelijk begin 2026 al een datum voor een mondelinge behandeling vaststellen en daarna uitspraak doen.
3.8.
De kantonrechter ziet uiteraard ook het belang van Havensteder bij het ten uitvoer leggen van het vonnis. De kantonrechter heeft op 21 november 2025 geoordeeld dat [eiser] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst en zolang daar in hoger beroep niet anders over geoordeeld wordt, moet ervan uitgegaan worden dat dit inderdaad zo is. Er is welbeschouwd geen huurovereenkomst meer, wat [eiser] aan zichzelf te danken heeft, zo oordeelde de kantonrechter op 21 november 2025. Het is de taak van Havensteder om deze (schaarse) woonruimte toe te wijzen aan iemand op de wachtlijst. Als het hof het vonnis van 21 november 2025 bekrachtigt, krijgt Havensteder deze woning ook terug om te herverdelen. Het belang dat dit nú moet gebeuren en dat Havensteder geen moment meer kan wachten, ziet de kantonrechter onvoldoende. Het belang van Havensteder is hierbij afgezet tegen de hiervoor besproken omstandigheden aan de kant van [eiser], het feit dat het hoger beroep al loopt en de kans bestaat dat dit geen jaar maar aanmerkelijk korter duurt.
schorsing tenuitvoerlegging onder voorwaarde
3.9.
De kantonrechter schorst dus de tenuitvoerlegging van het vonnis 21 november 2025, met die voorwaarde echter dat [eiser] ook na het vonnis van vandaag er alles aan doet om het gerechtshof op korte termijn tot een uitspraak te laten komen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een verzoek tot versnelde behandeling en/of, als het gerechtshof een mondelinge behandeling wil plannen, alleen in het uiterste geval een dag als verhinderdatum opgeven.
proceskosten
3.10.
Havensteder krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van [eiser] uit € 90,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris voor zijn gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 768,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding blijven buiten beschouwing, omdat [eiser] procedeert met een toevoeging.
uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het onder zaaknummer 11537517 CV EXPL 25-2943 gewezen vonnis van 21 november 2025 totdat het gerechtshof in Den Haag in het lopende hoger beroep een eindbeslissing heeft gegeven, met die voorwaarde dat [eiser] er alles aan doet om het gerechtshof op korte termijn tot een uitspraak te laten komen;
4.2.
veroordeelt Havensteder in de proceskosten, aan de kant van [eiser] begroot op een bedrag van € 768,00;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
686

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026