ECLI:NL:RBROT:2026:1955

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/10/715108 / KG ZA 26-163
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod executieveiling woning wegens ontbreken misbruik van recht

In deze zaak vordert eiser het verbod op de executieveiling van zijn woning door Rabobank, stellende dat Rabobank misbruik maakt van haar executiebevoegdheid en dat de belangen van eiser en zijn gezin zwaarder wegen dan die van Rabobank.

De rechtbank stelt vast dat Rabobank terecht een recht van parate executie heeft en dat eiser vanaf september 2025 op de hoogte was van de voorgenomen verkoop, waardoor hij tijd had om alternatieve woonruimte te zoeken. Eiser heeft geen medewerking verleend aan onderhandelingen en heeft een achterstand van negen maanden in hypotheekbetalingen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser op een beperkt inkomen en gemeentelijke ondersteuning onvoldoende is onderbouwd en dat uitstel van executie alleen tot meer schulden leidt. Ook andere aangevoerde omstandigheden, zoals de toeslagenaffaire en beslag op ander pand, zijn onvoldoende geconcretiseerd.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af, veroordeelt eiser in de proceskosten en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op de executieveiling af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715108 / KG ZA 26-163
Vonnis in kort geding van 20 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend op een geheim adres,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.H. de Jong,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. T.P. Timmers.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak vordert [eiser] om de door Rabobank voorgenomen executieveiling van zijn woning op 24 februari a.s. te verbieden en voorts om Rabobank te verbieden om tot verkoop van die woning, in welke vorm dan ook, over te gaan zolang hij nog geen alternatieve woonruimte heeft, althans voor de duur van één jaar. Grondslag van de vorderingen is dat Rabobank misbruik van bevoegdheid maakt en dat de belangen van [eiser] , en zijn gezin dat door de voorgenomen executie op straat komt te staan, zwaarder wegen dan die van Rabobank. Rabobank heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en legt dat oordeel hierna uit.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding en de 11 producties van [eiser] en de conclusie van antwoord en 11 producties van Rabobank. De mondelinge behandeling vond plaats op 20 februari 2026.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De aankoop daarvan heeft [eiser] gefinancierd bij Rabobank en ten gunste van Rabobank is een hypotheekrecht op de woning gevestigd.
3.2.
Bij vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2021 is voor recht verklaard dat [eiser] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van B.V. Machinefabriek M.K.B. en is [eiser] veroordeeld tot betaling van een voorschot daarop van € 285.000,-. Dit vonnis is bij arrest van 17 september 2024 in hoger beroep bekrachtigd.
3.3.
De curator in voornoemd faillissement heeft op 2 juni 2025 executoriaal beslag doen leggen op de woning.
3.4.
Op 19 juni 2025 heeft Rabobank [eiser] geïnformeerd over een achterstand in de betaling van zijn hypotheekverplichtingen.
3.5.
Op 10 juli 2025 heeft Rabobank [eiser] geïnformeerd over het beslag en de mogelijke gevolgen van niets doen of het niet betalen van de schuld.
Bij brief van 2 augustus 2025 heeft Rabobank [eiser] meegedeeld dat de (beslag leggende) deurwaarder heeft verzocht om de woning te gaan veilen en meegedeeld dat de hypothecaire lening wordt opgeëist als [eiser] niets doet.
Bij brief van 4 september 2025 heeft Rabobank aan [eiser] meegedeeld dat de woning verkocht gaat worden en hem meegedeeld dat hij, met het oog daarop, moet meewerken aan een taxatie van de woning.
[eiser] heeft geen medewerking verleend en de woning is middels een geveltaxatie getaxeerd.
3.6.
In de periode september/oktober 2025 heeft Rabobank een gesprek met [eiser] gevoerd. Daarin is gesuggereerd dat [eiser] de woning onderhands zou kunnen verkopen. [eiser] heeft in dat gesprek gezegd dat hij zou stoppen met het betalen van de hypothecaire maandtermijnen. Inmiddels heeft hij een achterstand van negen maanden.
3.7.
Bij exploot van 16 januari 2026 heeft Rabobank de openbare verkoop van de woning aangezegd. De veiling staat gepland op 24 februari 2026 om 09.00 uur.

4.Het geschil

4.1.
In dit kort geding vordert [eiser] – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de executieveiling van 24 februari 2026 van de woning te schorsen, dan wel te verbieden, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-;
II. Rabobank te gebieden alle handelingen gericht op de executieveiling van 24 februari 2026 te staken en de notaris voor de geplande executieveiling te instrueren en de veiling te annuleren, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per dag met een maximum van
€ 500.000,-;
III. Rabobank te verbieden om tot onderhandse verkoop van de woning over te gaan, althans haar te verbieden over te gaan tot parate executie van haar recht van hypotheek ten aanzien van de woning en Rabobank te verbieden enige executiemaatregel ten opzichte van de woning te treffen, zolang [eiser] nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden, dan wel tot één jaar na de datum van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per dag met een maximum van € 500.000,-.
4.2.
[eiser] stelt dat Rabobank misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. De belangen van [eiser] bij het achterwege laten van de executie wegen zwaarder dan het belang van Rabobank bij onmiddellijke uitwinning van haar hypotheekrecht. Die executie zal leiden tot een noodtoestand voor [eiser] en zijn gezin. Zij zullen op straat komen te staan. [eiser] beschikt over een zeer beperkt inkomen en alternatieve woonruimte is niet beschikbaar. Dit zal ingrijpende en ontwrichtende gevolgen voor hen hebben, in het bijzonder voor de minderjarige kinderen van 12 en 17. Die belangen wegen des te zwaarder gelet op de zeer korte termijn tussen de aanzegging en de feitelijke verkoop van de woning, waarbinnen het voor [eiser] onmogelijk is om vervangende woonruimte te vinden of de woning te verlaten. Inmiddels is de gemeente Rotterdam betrokken. Deze biedt [eiser] ondersteuning op het gebied van de schuldenproblematiek. De executie moet gelet daarop worden uitgesteld, zodat [eiser] de gelegenheid krijgt samen met de gemeente een concreet plan op te stellen voor het oplossen daarvan. Daar komt bij dat Rabobank niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de woning op zo’n korte termijn moet worden verkocht. Als de executie later plaatsvindt, heeft [eiser] mogelijk de gelegenheid om passende alternatieve woonruimte te vinden.
4.3.
Rabobank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

5.De beoordeling

5.1.
Vaststaat dat Rabobank als hypotheekhouder een recht van parate executie heeft. De voorgenomen veiling van de woning vindt niet alleen plaats vanwege een achterstand van negen maanden in de termijnbetalingen maar ook omdat Rabobank het beslag van de curator, voor de vordering van € 285.000,- (te vermeerderen met rente en kosten) heeft overgenomen.
5.2.
Aan de hand van de stukken constateert de voorzieningenrechter dat [eiser] voor het eerst op 2 augustus 2025 is geïnformeerd dat zijn woning verkocht zou kunnen gaan worden. Op 4 september 2025 is dat voornemen geconcretiseerd en is de aanstaande verkoop daadwerkelijk aangekondigd. Vanaf dat moment wist [eiser] dat verkoop van de woning was opgestart en had hij op zoek kunnen gaan naar alternatieve woonruimte. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Daar komt bij dat Rabobank met [eiser] in die periode heeft gesproken over een onderhandse verkoop van de woning, waarmee – meer dan in een openbare veiling – rekening kon worden gehouden met de belangen van [eiser] en zijn gezin, zowel de financiële belangen – een onderhandse verkoop levert meestal meer op dan een executieverkoop – en de woonbelangen in de zin van gesprekken en onderhandelingen over een oplever- en ontruimingstermijn. De reactie van [eiser] hierop was de aankondiging dat hij ging stoppen met de maandelijkse betalingen aan Rabobank. Gelet op dit hele traject kan de aanzegging van 16 januari 2026 niet worden aangemerkt als misbruik van recht.
5.3.
[eiser] doet verder een beroep op een beperkt inkomen en inmiddels door de gemeente Rotterdam geboden ondersteuning bij het omgaan met schulden. Van het eerste legt hij echter geen stukken over. Ten aanzien van de ondersteuning blijkt uit de stukken dat op dit moment slechts sprake is van een aanmelding van 17 februari jl. bij Geldplein van de gemeente Rotterdam. [eiser] heeft na aanzegging van de veiling blijkbaar meer dan vier weken gewacht voordat hij stappen heeft gezet. [eiser] meent dat hem de tijd moet worden gegund om een concreet plan van aanpak te maken voor het oplossen van zijn schuldenproblematiek. De vraag rijst waarom hij daar niet mee begonnen is nadat het hof arrest wees in september 2024 of nadat Rabobank in september 2025 meedeelde de woning te zullen gaan verkopen. Daar komt nog bij dat uitstel van executie alleen maar leidt tot nog meer schulden, de kosten van een afgelaste veiling komen namelijk voor rekening van [eiser] en bedragen naar alle waarschijnlijkheid zo’n € 10.000,-. Daar komt bij dat [eiser] , die blijkbaar niet werkt, geen enkel inzicht geeft in zijn (gezins)inkomsten en vaste lasten. Hij schermt, voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling, nog wel met een voorgenomen tegenvordering op de curator, maar laat na deze ook maar enigszins te concretiseren. Of van een summierlijk deugdelijke vordering sprake is, kan de voorzieningenrechter dan ook niet vaststellen. Daarmee kan dan ook geen rekening worden gehouden. Anders geformuleerd maakt Rabobank geen misbruik van recht door het traject bij Geldplein niet te willen afwachten.
5.4.
[eiser] beroept zich, ook voor het eerst ter zitting, nog op het gegeven dat zijn oudste kind slachtoffer is van de toeslagenaffaire. Waar dat toe zou kunnen en moeten leiden, concretiseert hij echter niet, nog daargelaten dat iedere onderbouwing ook op dit punt ontbreekt. Ten slotte noemt [eiser] , ook pas ter zitting, nog dat de curator ook op een ander pand beslag heeft gelegd. Daarvan legt hij ook geen stukken over, zodat niet vastgesteld kan worden of dit voor de al toegewezen vordering van de curator is – [eiser] maakt zelf melding van een reeks van procedures van de curator – of voor een andere vordering terwijl ook het daar mogelijk mee gemoeide bedrag onduidelijk is. Dat Rabobank hier niets mee wil, levert ook geen misbruik van recht op.
5.5.
Alles wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.684,00
5.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.7.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan,
6.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026. 2009/3726