Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1920

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/10/710458 / JE RK 25-2395
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, die momenteel verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter hield op 6 januari 2026 een zitting met gesloten deuren, waarbij de ouders met tolk werden gehoord en de minderjarige via een digitale videoverbinding werd betrokken.

De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de minderjarige kan niet bij de moeder wonen vanwege het verblijf van de moeder in een vrouwenopvang waar de minderjarige niet welkom is. De vader heeft een contactverbod met de moeder en moet eerst aan zichzelf werken voordat contactherstel met de minderjarige mogelijk is. De moeder ontvangt intensieve opvoedondersteuning, maar kan de zorg voor de minderjarige niet adequaat bieden. Er zijn zorgen over het gedrag van de minderjarige, het ontbreken van dagbesteding, schoolgang en behandeling, en over het online netwerk waarin hij zich bevindt.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige zal worden overgeplaatst naar een groep dichter bij de moeder, waar diagnostiek en dagbesteding plaatsvinden. De machtiging wordt verlengd tot 12 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek tot meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710458 / JE RK 25-2395
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 28 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 2 januari 2026.
1.2.
Op 6 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren gehouden. In verband met een contactverbod van de vader jegens de moeder, zijn de vader en de moeder, met instemming van partijen, op gescheiden momenten gehoord.
Gehoord zijn:
- de vader bijgestaan door een tolk;
- de moeder, via een digitale video-verbinding, bijgestaan door een tolk;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Syrisch-Libanese taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van D.M.Y. Muayad-Putros, tolk in de Syrisch-Libanese taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Koerdische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van F.H.C.H. Said, tolk in de Koerdische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.5.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting via een digitale video-verbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 november 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 februari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van tien maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 2 februari 2026 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 2 oktober 2026.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht deze als volgt toe. Het is voor de moeder, ondanks de intensieve opvoedondersteuning, niet haalbaar om [voornaam minderjarige] op korte termijn de juiste opvoeding en verzorging te bieden. Ook een ander kind van de ouders is inmiddels uit huis geplaatst. Er bestaan zorgen over de veiligheid van [voornaam minderjarige] en het (online)netwerk waarin hij zich bevindt. Tevens is [voornaam minderjarige] bij de vrouwenopvang waar de moeder momenteel verblijft niet welkom. De vader en [voornaam minderjarige] hebben een contactverbod. Het is noodzakelijk dat de vader eerst aan zichzelf werkt en behandeling gaat volgen, voordat er sprake kan zijn van contactherstel met [voornaam minderjarige] . Omdat [voornaam minderjarige] momenteel niet bij de moeder kan wonen wordt hij aankomende week overgeplaatst naar een nieuwe groep, die zich dichter bij de moeder bevindt. Op deze groep zal [voornaam minderjarige] dagbesteding krijgen en zal diagnostiek plaatsvinden. Doordat de GI vanuit Rotterdam werkt en de moeder en [voornaam minderjarige] zich in een andere regio bevinden vreest de GI voor een stagnatie in de hulpverlening. De GI zal daarom de komende tijd de mogelijkheden van de wijziging van de GI onderzoeken.

4.De standpunten van de ouders

4.1.
Door de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader wil graag contact met zijn kinderen. De vader heeft geen vertrouwen in het verblijf van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en wil dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de moeder gaat wonen. In de periode dat [voornaam minderjarige] op de groep heeft verbleven is hij niet vooruitgegaan.
4.2.
De moeder vindt het niet leuk dat [voornaam minderjarige] ergens anders moet verblijven, maar begrijpt wel waarom dit nodig is. De moeder hoopt dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk wordt overgeplaatst naar de nieuwe groep die zich in de buurt van de moeder bevindt. De moeder vindt een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot en met september wel erg lang maar is dankbaar voor alle hulp die zij krijgen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[voornaam minderjarige] verblijft momenteel op een overbruggingsplek en zal komende week overgeplaatst worden naar een groep waar hij langdurig kan verblijven. Deze groep bevindt zich in de buurt van de vrouwenopvang waar de moeder verblijft. [voornaam minderjarige] kan momenteel niet bij de moeder op de vrouwenopvang wonen omdat hij daar niet welkom is. Daarnaast lukt het de moeder onvoldoende om de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige] op zich te nemen. De opvoeding van haar andere kinderen vraagt veel van de moeder en zij heeft hier continu hulpverlening bij nodig. De zorgen om [voornaam minderjarige] blijven daarnaast ook groot. Er bestaan zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige] , het feit dat hij geen dagbesteding heeft, niet naar school gaat en geen behandeling krijgt. Ook zijn er zorgen over het onlinenetwerk waar [voornaam minderjarige] zich in begeeft en de incidenten (de vermoedens van seksueel overschrijdend gedrag) die plaats hebben gevonden op zijn huidige groep. Het is daarom belangrijk dat er de komende periode wordt ingezet op behandeling en diagnostiek. Het is daarnaast nodig dat [voornaam minderjarige] zijn schoolgang en sportactiviteiten, waaronder voetbal, kan hervatten. De vader heeft de wens om het contact met [voornaam minderjarige] te herstellen. Ondanks dat contact op dit moment nog niet mogelijk is vanwege het contactverbod, verwacht de kinderrechter dat de GI hier continu aandacht voor blijft houden. Van de vader wordt verwacht dat hij meewerkt aan de voor hem noodzakelijke hulpverlening om dit contact eventueel mogelijk te maken.
5.3.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nodig. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 september 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 20 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.