ECLI:NL:RBROT:2026:1907

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/4305
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van aflossingsbedrag na ten onrechte ontvangen WAO-toeslag

Eiser heeft een regeling getroffen met het UWV om een ten onrechte ontvangen toeslag op grond van de Wet WAO terug te betalen. Het UWV stelde het termijnbedrag van de betalingsregeling vast op €104 per maand, waartegen eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

Eiser voerde aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het termijnbedrag was verhoogd van €30 naar €104 per maand, terwijl zijn financiële en gezinssituatie ongewijzigd waren gebleven. Tevens stelde hij dat de berekening van de beslagvrije voet niet inzichtelijk was gemaakt en dat geen rekening was gehouden met zijn actuele inkomsten, vaste lasten en schulden.

De rechtbank oordeelde dat het UWV het besluit voldoende had gemotiveerd. Het UWV had toegelicht dat het termijnbedrag jaarlijks wordt herberekend op basis van het netto-inkomen en een beslagvrije voet, die was berekend op 95% van de bijstandsnorm minus het partnerinkomen. De verhoging van €30 naar €104 was het gevolg van deze herberekening. De rechtbank vond het besluit zorgvuldig en de motivering afdoende, en verwierp het beroep van eiser.

De rechtbank wees het beroep af, waardoor het termijnbedrag van €104 per maand gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M. Zoethout en griffier S. de Bloois op 16 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het door het UWV vastgestelde termijnbedrag van €104 per maand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. C. Nobel).

Procesverloop

1. Eiser heeft met het UWV een regeling getroffen om de eerder ten onrechte ontvangen toeslag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (Wet WAO) terug te betalen.
1.1.
Met het besluit van 17 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV het termijnbedrag van de betalingsregeling vastgesteld op € 104,- per maand. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen vervolgens niet om een zitting hebben gevraagd, behandelt de rechtbank de zaak niet op een zitting. [1] De rechtbank sluit het onderzoek.

Standpunt eiser

2. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het termijnbedrag is verhoogd van € 30,- naar € 104,- per maand, terwijl zijn financiële- en gezinssituatie ongewijzigd zijn gebleven. Daarbij verwijst hij naar de eerder gedane uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2024, welke uitspraak is gedaan tijdens de bezwaarprocedure over een eerder, soortgelijk genomen besluit van het UWV. Bovendien voert eiser aan dat het UWV de berekening van de beslagvrije voet niet inzichtelijk heeft gemaakt en dat geen rekening is gehouden met de actuele inkomsten, vaste lasten en schulden van eiser, waardoor het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom het termijnbedrag is vastgesteld op € 104,- per maand.
4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV afdoende heeft gemotiveerd waarom het termijnbedrag is vastgesteld op € 104,- per maand. In het bestreden besluit is toegelicht dat het UWV verplicht is om de gegevens van eiser jaarlijks te controleren om te beoordelen of er wijzigingen in zijn situatie hebben plaatsgevonden, waardoor het kan voorkomen dat het vastgestelde termijnbedrag jaarlijks kan veranderen. De jaarlijkse herberekening heeft op 17 januari 2025 plaatsgevonden. Bij de herberekening is het UWV uitgegaan van een netto-inkomen van € 1.274,- per maand en een beslagvrije voet van € 1.170,-. Het UWV heeft toegelicht dat de beslagvrije voet is berekend door 95% van de bijstandsnorm voor een gehuwd persoon (95% van € 1.922,07) te verlagen met het partnerinkomen van € 656,-. Dit resulteert in een beslagvrije voet van € 1.170,-. Door het netto-inkomen te verminderen met de beslagvrije voet, is een termijnbedrag van € 104,- per maand ontstaan. Daarnaast heeft het UWV toegelicht dat eerder uit coulance een termijnbedrag van € 30,- per maand met eiser is afgesproken, maar dat dit afgesproken termijnbedrag is vervangen door het termijnbedrag wat is ontstaan als gevolg van de jaarlijkse herberekening, namelijk € 104,- per maand. Het UWV heeft dan ook toegelicht waarom het bedrag is verhoogd van € 30,- naar € 104,- per maand. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd en niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De enkele niet met stukken onderbouwde stelling van eiser dat het UWV bij de berekening is uitgegaan van onjuiste gegevens, maakt het voorgaande niet anders.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.