ECLI:NL:RBROT:2026:1907
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aflossingsbedrag na ten onrechte ontvangen WAO-toeslag
Eiser heeft een regeling getroffen met het UWV om een ten onrechte ontvangen toeslag op grond van de Wet WAO terug te betalen. Het UWV stelde het termijnbedrag van de betalingsregeling vast op €104 per maand, waartegen eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
Eiser voerde aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het termijnbedrag was verhoogd van €30 naar €104 per maand, terwijl zijn financiële en gezinssituatie ongewijzigd waren gebleven. Tevens stelde hij dat de berekening van de beslagvrije voet niet inzichtelijk was gemaakt en dat geen rekening was gehouden met zijn actuele inkomsten, vaste lasten en schulden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV het besluit voldoende had gemotiveerd. Het UWV had toegelicht dat het termijnbedrag jaarlijks wordt herberekend op basis van het netto-inkomen en een beslagvrije voet, die was berekend op 95% van de bijstandsnorm minus het partnerinkomen. De verhoging van €30 naar €104 was het gevolg van deze herberekening. De rechtbank vond het besluit zorgvuldig en de motivering afdoende, en verwierp het beroep van eiser.
De rechtbank wees het beroep af, waardoor het termijnbedrag van €104 per maand gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M. Zoethout en griffier S. de Bloois op 16 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het door het UWV vastgestelde termijnbedrag van €104 per maand wordt ongegrond verklaard.