ECLI:NL:RBROT:2026:1887

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/10/702342 / JE RK 25-1348
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorg- en omgangsregeling minderjarigen in pleegzorg en schorsing regeling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot wijziging van de zorg- en omgangsregeling voor twee minderjarige kinderen die momenteel in een pleeggezin verblijven. De vader heeft een zelfstandig verzoek ingediend om, bij terugplaatsing, de kinderen bij hem te laten wonen of eerst nader onderzoek te verrichten naar de veiligheid bij de moeder.

De kinderrechter heeft meerdere eerdere beschikkingen gegeven waarin de zorg- en omgangsregeling is vastgesteld en vervolgens geschorst vanwege veiligheidszorgen, waaronder positieve chlamydiatests bij de kinderen en de moeder. Er is een tijdelijke bodemregeling ingesteld met begeleide omgang en videobelcontact.

Tijdens de zitting is gebleken dat de omgang met de vader moeizaam verloopt en dat de vader niet altijd de afspraken nakomt. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen een zorgvuldige aanpak met gezinsopnames en observaties. De kinderrechter acht het van belang dat de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd en besluit de zorgregeling opnieuw te schorsen tot 18 augustus 2026, de bodemregeling in stand te houden en het verzoek tot wijziging aan te houden tot een pro forma zitting op 1 juli 2026.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de GI wordt verzocht schriftelijk te rapporteren over de stand van zaken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De zorg- en omgangsregeling wordt geschorst tot 18 augustus 2026 met een tijdelijke bodemregeling en het verzoek tot wijziging wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team jeugd
Zaaknummer: C/10/702342 / JE RK 25-1348
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de zorg- c.q. omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.H. van Tongerlo, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Durdu, kantoorhoudende te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 12 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 22 januari 2026;
  • het verweerschrift van de vader, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 6 februari 2026;
  • de nakomende stukken van de vader, ontvangen op 9 februari 2026.
1.2.
Op 11 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. F. Durdu, waarnemend voor mr. H. Durdu;
- de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] ;
  • twee vertegenwoordigers van de Raad, [persoon B] en [persoon C] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] . De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 februari 2025 met inachtneming van de in die beschikking opgenomen veiligheidsafspraken de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) c.q. omgangsregeling vastgesteld:
Regeling tot 4 oktober 2025:
- [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gaan elke vrijdag om 12:00 uur naar de vader en verblijven daar tot zondag 19:00 uur, wanneer zij teruggaan naar de moeder.
Regeling vanaf 4 oktober 2025:
  • In de ene week haalt de vader [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vrijdag na school op. Vader brengt de kinderen op maandag weer terug naar school, waar de moeder [voornaam minderjarige 2] ophaalt;
  • In de andere week haalt de vader [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op dinsdag na school op. De kinderen verblijven bij vader tot vrijdagochtend, wanneer hij hen naar school brengt waar de moeder [voornaam minderjarige 2] ophaalt.
Vakantieregeling:
  • Bij vakanties van één week blijft de reguliere regeling van kracht;
  • Bij vakanties langer dan één week worden de weken gelijk verdeeld tussen beide ouders. Ouders maken onderling afspraken over de verdeling.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 april 2025 de bij
beschikking van 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling gewijzigd, in die zin dat deze voor de duur van 4 weken is geschorst.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 mei 2025 de bij beschikking van 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling opnieuw gewijzigd, in die zin dat deze tot 18 augustus 2025 is geschorst.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 18 augustus 2026.
2.7.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 augustus 2025 de bij beschikking van 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling opnieuw gewijzigd, in die zin dat deze is geschorst tot 18 december 2025 en hierbij bepaald dat tot
18 december 2025 de volgende tijdelijke bodemregeling geldt:
- [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben wekelijks minimaal 45 tot 60 minuten per ouder begeleide omgang en minimaal 15 minuten per ouder videobelcontact met de vader en de moeder. Deze regeling kan worden verruimd onder regie van de GI.
2.8.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 december 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 februari 2026.
2.9.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 december 2025 de bij beschikking van 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling opnieuw gewijzigd, in die zin dat deze is geschorst tot 18 februari 2026 en hierbij bepaald dat tot 18 februari 2026 de tijdelijke bodemregeling geldt zoals deze bij beschikking van 15 augustus 2025 is bepaald.

3.Het aangehouden verzoek

De GI verzoekt de door de kinderrechter op 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de regie hierover bij de GI wordt belegd. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het zelfstandige verzoek van de vader

De vader verzoekt
  • primair om, indien wordt overgegaan tot (gedeeltelijke) terugplaatsing van de minderjarigen, dit bij vader te laten plaatsvinden, nu bij hem sprake is van een stabiele en veilige opvoedsituatie;
  • subsidiair om de GI op te dragen eerst nader onderzoek te verrichten naar de veiligheid van de minderjarigen in de thuissituatie bij de moeder en dit te concretiseren in een duidelijk en toetsbaar veiligheidsplan, alvorens enige terugplaatsing bij de moeder wordt overwogen.

5.De standpunten

5.1.
De GI handhaaft ter zitting het aangehouden verzoek en licht dit als volgt toe. Het gaat goed met de kinderen in het pleeggezin. In de week van 16 februari 2026 vindt er een gezinsopname plaats bij Gezin Totaal met de moeder en de kinderen. Na de gezinsopname is de visie van de GI dat de kinderen, indien er geen zorgelijke signalen naar voren komen, teruggeplaatst kunnen worden bij de moeder. De GI heeft een verzoek gedaan bij de Raad om deze terugplaatsing te toetsen. De strafrechtelijke en forensische onderzoeken zijn afgerond en geconcludeerd is dat er over de besmetting van de kinderen nooit volledige duidelijkheid zal komen. De omgangs- en videobelcontactmomenten met de vader verlopen moeizaam. Het lukt de vader niet altijd om de afspraken na te komen, terwijl er wel rekening wordt gehouden met zijn voorkeur voor contactmomenten na 15.00 uur. Daarnaast reageert de vader niet op berichten van de GI en komt hij niet naar de gesprekken. In de week van 16 maart 2026 vindt er met de vader en de kinderen een observatieweek bij Gezin Totaal, zonder overnachting, plaats. Na de observatie zal worden onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor de vader in het contact met de kinderen en/of een verdere observatie, met overnachting, gewenst is.
5.2.
Door en namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader baseert zijn zelfstandig verzoek op het waarborgen van de veiligheid van de kinderen. De moeder is, net als de kinderen, positief getest op chlamydia en de vader maakt zich grote zorgen over een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Er kan niet worden uitgesloten dat de kinderen op een andere wijze dan tijdens de zwangerschap zijn besmet en de vader heeft hiervoor nadere (bewijs)stukken aangeleverd. Ook heeft er nog geen toetsing van de Raad plaatsgevonden over het beëindigen van de uithuisplaatsing van de kinderen. Het is belangrijk dat hiernaar zorgvuldig onderzoek wordt gedaan, alvorens wordt overgegaan tot een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De vader wil op een gelijke manier behandeld worden als de moeder, ook in het kader van de gezinsopname. Er is eenzijdig, zonder overleg met de vader, bepaald dat er geen gezinsopname met overnachting met hem zal plaatsvinden. De vader wordt genegeerd door de GI en voelt zich daarom niet geroepen om in contact te gaan met de GI.
De vader is van mening dat de kinderen bij hem geplaatst kunnen worden. Hij zal dan ondersteuning van derden nodig hebben om voor de kinderen te zorgen wanneer hij moet werken of trainen, maar dat is een heel normale situatie in gezinnen met kinderen. Dit mag niet in zijn nadeel worden uitgelegd.
De vader wil in ieder geval graag contact met de kinderen en stelt voor om, op de momenten dat de vader de fysieke omgangsmomenten niet kan nakomen, een videobelcontactmoment plaats te laten vinden.
5.3.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de GI, maar vindt het belangrijk dat de aanleiding van de huidige situatie – namelijk de belastende uitspraken van de kinderen over de vader – niet wordt vergeten. De moeder maakt zich zorgen en wil dat het goed gaat met de kinderen. De moeder begrijpt dat de situatie op dit moment is zoals die is. De moeder werkt mee en staat achter de gezinsopname bij Gezin Totaal.

6.Het advies van de Raad

Ter zitting heeft de Raad het volgende naar voren gebracht. De Raad acht het passend dat de omgang plaatsvindt onder regie van de GI. Hierbij is het wel belangrijk dat wordt onderzocht wat er mogelijk is; zowel voor de kinderen als voor de vader. In samenwerking met Gezin Totaal kan op termijn worden bekeken of er mogelijkheden zijn voor een uitbreiding van de zorg- c.q. omgangsregeling. Het is in het belang van de kinderen dat de gemaakte afspraken betreffende de omgang worden nagekomen. Daarnaast zal de toetsing van de Raad betreffende de beëindiging van de uithuisplaatsing van de kinderen snel uitgevoerd moeten worden.

7.De beoordeling

Het verzoek van de GI
7.1.
De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling onder punt 2.3. wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. [1]
7.2.
De kinderrechter overweegt het volgende. De genoemde regeling is meermalen geschorst, laatstelijk tot 18 februari 2026, nadat bekend was geworden dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] positief waren getest op chlamydia. In de tussentijd is er een tijdelijke bodemregeling bepaald, waarbij er begeleide omgang is opgestart tussen de kinderen en de ouders. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben wekelijks omgang met de ouders van 45 tot 60 minuten per ouder. De omgangsmomenten worden begeleid door de GI of pleegzorg. Daarnaast zijn er videobelcontacten met beide ouders.
7.3.
In de afgelopen periode wordt gezien dat het de vader als gevolg van zijn bezigheden niet lukt om de gemaakte omgangsafspraken structureel na te komen. Dit geldt zowel voor de fysieke omgangsmomenten als de videobelmomenten. Daarnaast staat de vader niet open voor contact met de GI om dit te bespreken, omdat hij het niet eens is met het beleid van de GI. Gezin Totaal ziet nog geen mogelijkheid voor een gezinsopname inclusief overnachtingen met de vader en de kinderen. Wel zal er in de week van 16 maart 2026 een observatieweek bij Gezin Totaal plaatsvinden met de vader en de kinderen, waarna de mogelijkheden verder onderzocht zullen worden. Volgende week, vanaf 16 februari 2026, vindt er bij Gezin Totaal een gezinsopname plaats met de moeder en de kinderen. Hoewel de kinderen op dit moment nog in een pleeggezin verblijven, is de GI van mening dat de kinderen na de gezinsopname weer bij de moeder kunnen wonen. Tegelijkertijd heeft er nog geen toetsing van de Raad plaatsgevonden over de beëindiging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en is het nog niet duidelijk wat het advies zal zijn van Gezin Totaal. Gelet op de huidige situatie is het belangrijk dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan om de veiligheid van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te waarborgen. Dit is een taak die door de GI, in samenspraak met Gezin Totaal, en door de Raad moet worden uitgevoerd.
7.4.
Gelet op de huidige situatie, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de eerder vastgestelde zorgregeling te wijzigen. Het is nog onzeker wat er in de komende periode gaat gebeuren. De kinderrechter zal daarom de eerder vastgestelde zorgregeling opnieuw schorsen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 18 augustus 2026, en de beslissing op het verzoek tot wijziging van de zorg- c.q. omgangsregeling aanhouden tot de hierna te noemen pro formadatum. In de tussentijd blijft de bij beschikking van 15 augustus 2025 bepaalde bodemregeling in stand, die inhoudt dat de kinderen wekelijks minimaal 45 tot 60 minuten per ouder begeleide omgang en minimaal 15 minuten per ouder videobelcontact hebben met de ouders. Deze regeling kan worden verruimd onder regie van de GI.
7.5.
De GI wordt verzocht de kinderrechter uiterlijk op de pro formadatum schriftelijk te rapporteren over de stand van zaken op dat moment, met afschrift daarvan aan de belanghebbenden, de advocaten en de Raad.
7.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het zelfstandige verzoek van de vader
7.7.
De kinderrechter heeft op 6 februari 2026 een zelfstandig verzoek van de vader ontvangen betreffende de terugplaatsing van de kinderen en het verrichten van nader onderzoek alvorens over wordt gegaan tot een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De kinderrechter vat dit verzoek op grond van het besprokene op de zitting op als een verzoek van de vader gericht aan de GI en de Raad. De kinderrechter verwacht van de Raad en de GI dat zij het verzoek van de vader en de namens hem ingediende stukken meewegen in hun verdere beoordeling van de situatie.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
schorst (opnieuw) de bij beschikking van 5 februari 2025 vastgestelde zorg- c.q. omgangsregeling tot 18 augustus 2026 en houdt de beslissing op het verzoek van de GI aan;
8.2.
bepaalt dat tot 18 augustus 2026 de volgende tijdelijke bodemregeling geldt:
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben wekelijks minimaal 45 tot 60 minuten per ouder begeleide omgang en
minimaal 15 minuten per ouder videobelcontact met de vader en de moeder. Deze regeling
kan worden verruimd onder regie van de GI;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
8.4.
bepaalt dat de verdere behandeling wordt aangehouden tot
1 juli 2026 pro forma;
8.5.
bepaalt dat de GI, de belanghebbenden, de advocaten en de Raad op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
8.6.
verzoekt de GI uiterlijk op de genoemde pro formadatum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift daarvan aan de belanghebbenden, de advocaten en de Raad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g BW.