ECLI:NL:RBROT:2026:1881

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/10/701260 / JE RK 25-1192
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in netwerkpleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in een netwerkpleeggezin. De kinderen verblijven sinds eerder onder toezichtstelling in een pleeggezin nabij hun vader.

De vader voert verweer en stelt dat de medische situatie die aanleiding gaf tot de uithuisplaatsing is verbeterd en dat met intensievere hulpverlening en inzet van het netwerk de kinderen weer thuis kunnen wonen. Hij staat open voor begeleiding en wil samen met de kinderen begeleid wonen.

De kinderrechter oordeelt dat ondanks de betrokkenheid van de vader de thuissituatie onvoldoende stabiel is om de kinderen terug te plaatsen. Er zijn zorgen over hygiëne, fysieke en emotionele verzorging en het nakomen van afspraken met hulpverlening. De kinderen ontwikkelen zich goed in het pleeggezin en de vader onderhoudt contact.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 5 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing is genomen met het belang van de kinderen voorop en met het oog op mogelijke toekomstige begeleid wonen voorzieningen voor de vader.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 5 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701260 / JE RK 25-1192
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 17 december 2025.
1.2.
Op 6 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan een begeleider van de vader van Middin, [persoon C] .
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een netwerkpleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 5 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor netwerkpleegzorg verleend tot 21 februari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 21 februari 2026 is al beslist. Er moet nog worden beslist over de periode tot 5 augustus 2026.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het gaat goed met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in het pleeggezin. Ook de school is positief over hun ontwikkeling. Voor [voornaam minderjarige 1] is Playing for Success ingezet en hij heeft het daar naar zijn zin. De GI ziet dat de vader veel van de kinderen houdt en dat hij zijn kinderen erg mist. De GI is blij dat de vader altijd langs kan gaan bij het netwerkpleeggezin en dat de kinderen op zaterdag alleen bij hem op bezoek komen. Wel maakt de GI zich nog steeds zorgen om de situatie bij de vader. De thuissituatie bij de vader is onhygiënisch en daar moet verandering in komen. De vader heeft huishoudelijke hulp, maar dit wordt mogelijk stopgezet. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over de fysieke en mentale gesteldheid van de vader. Momenteel is de dagelijkse zorg voor de kinderen meer dan de vader hen structureel zou kunnen bieden. Wat betreft hulp van het netwerk, de GI wil met de volwassen dochter van de vader in gesprek gaan om te vragen of zij de vader zou kunnen helpen. Wel heeft de dochter ook de zorg voor haar eigen gezin. De GI wil ook samen met de vader onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een voorziening voor begeleid wonen. Omdat de kinderen nu niet bij de vader kunnen wonen wordt om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gevraagd. Het pleeggezin is bereid de kinderen op te vangen zo lang als nodig is. De screening van het pleeggezin is alleen nog niet afgerond, de GI in afwachting van een akkoord.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Primair verzoekt de vader om het verzoek van de GI af te wijzen. De vader is van mening dat de voortzetting van de uithuisplaatsing van de kinderen niet langer noodzakelijk is. De uithuisplaatsing is destijds uitgesproken vanwege de medische situatie van vader. De vader erkent dat er ook andere zorgen zijn, maar deze zorgen zijn tot aan de medische situatie van de vader onvoldoende gebleken om over te gaan tot een uithuisplaatsing. De vader is inmiddels behandeld en hersteld. Daarmee is dus ook de directe aanleiding voor de uithuisplaatsing weg. De GI zou onderzoeken of met de inzet van intensievere hulpverlening en het netwerk de thuissituatie kon worden verbeterd. De vader is van mening dat de kinderen met dat plan, de inzet van het netwerk en de geïntensiveerde hulpverlening weer naar huis kunnen. Subsidiair wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht, te weten voor drie maanden. Zo kan de thuissituatie bij de vader opnieuw worden beoordeeld, nadat het netwerk is ingezet en de hulp is geïntensiveerd. De vader staat open voor continue begeleiding en het is belangrijk dat passende hulpverlening wordt ingezet. Daarnaast moet er duidelijkheid komen met betrekking tot de wachtlijst voor het begeleid wonen bij ASVZ. Hier zou de vader samen met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] kunnen gaan wonen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
De kinderrechter wil voorop stellen dat zij een betrokken vader ziet. De vader wil graag zelf voor de kinderen zorgen en ziet het liefst dat de kinderen weer bij hem wonen. De kinderrechter is echter van oordeel dat dat nu of op korte termijn niet mogelijk is. Daarvoor is de thuissituatie van de vader niet stabiel genoeg. De vader doet zijn best en zet stappen voorwaarts, maar zijn mogelijkheden om tegemoet te kunnen komen aan de opvoedbehoeften van de kinderen lijken onvoldoende. Zo zijn er zorgen over de hygiëne in huis en het kunnen bieden van de fysieke en emotionele verzorging die de kinderen nodig hebben. Het is daarnaast belangrijk dat de vader de afspraken met de hulpverlening nakomt en een stabiel inkomen krijgt. De vader heeft ter zitting aangegeven binnenkort te beginnen met werken. Het is belangrijk dat wordt bezien hoe de situatie zich de komende tijd verder ontwikkelt. Gelet op de tijd die gemoeid zal zijn met het verbeteren van de situatie, ziet de kinderrechter geen aanleiding om het verzoek van de GI voor een kortere periode toe te wijzen dan is verzocht.
Ter zitting is duidelijk geworden dat de kinderen, zo lang als het nodig is, in het huidige pleeggezin kunnen blijven. Belangrijk is dat de screening van het pleeggezin de komende tijd wordt afgerond. De kinderen ontwikkelen zich tot op heden goed in het pleeggezin en wonen vlakbij de vader. De vader heeft een goede band met het pleeggezin, hij kan daar doordeweeks langskomen en de kinderen komen op zaterdag naar de vader toe. De wens van de vader is daarmee niet vervuld, maar de kinderrechter hoopt dat de vader ook inziet dat hij op deze manier een belangrijke rol in het leven van de kinderen kan spelen en tegelijkertijd zijn persoonlijke situatie op orde kan brengen.
Tot slot merkt de kinderrechter op dat indien er een mogelijkheid komt voor de vader om begeleid te wonen, het belangrijk is dat bij een dergelijke voorziening passende hulpverlening beschikbaar is voor de vader, ook voor bij de zorg voor de kinderen. Zorgvuldig zal moeten worden bezien wat het voor de kinderen betekent als zij daar met de vader zouden gaan wonen. Het is van groot belang dat alle betrokkenen het belang van de kinderen voor ogen blijven houden.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 5 augustus 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor netwerkpleegzorg tot 5 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.