ECLI:NL:RBROT:2026:1853

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/10/685064 / FA RK 24-6433
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 februari 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. De minderjarige kinderen verblijven bij de man, met een zorgregeling in overleg met de vrouw. De vrouw verzocht een partnerbijdrage, die de rechtbank na uitgebreide berekening vaststelde op €3.710 bruto per maand, rekening houdend met behoefte, draagkracht en inkomsten.

De afwikkeling van het huwelijksvermogensregime betrof een finaal verrekenbeding en eenvoudige gemeenschappen. De rechtbank bepaalde dat de man de woning kan overnemen mits hij de hypotheek alleen voortzet en de vrouw ontslaat van hoofdelijke aansprakelijkheid, anders volgt verkoop. De waarde van het te verrekenen vermogen werd vastgesteld op ruim €1 miljoen, waarbij de man aan de vrouw €298.039 moet betalen.

De man stelde een vergoedingsrecht op basis van schenkingen en erfenis, maar dit werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank wees de verzoeken die waren ingetrokken af en bepaalde dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partnerbijdrage vastgesteld op €3.710 bruto per maand en man moet vrouw €298.039 betalen voor afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/685064 / FA RK 24-6433 en C/10/689338 / FA RK 24-8506
Beschikking van 10 februari 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M.J. Bos te Dordrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 augustus 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 13 november 2024;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van 7 januari 2025;
  • het bericht van de vrouw van 28 januari 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 16 mei 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 16 mei 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 november 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 7 november 2025;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 10 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.
1.4.
De nog minderjarige dochter van partijen is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.
1.5.
Bij berichten van 4 december 2025 en een bericht van 5 december 2025 hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de gevolgen van hun scheiding.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] , op [datum] na het maken van huwelijkse voorwaarden.
2.2.
De minderjarige dochter van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). De zoon van partijen, [naam] , geboren op
[geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] (hierna: [naam] ) is gedurende deze procedure meerderjarig geworden.
2.3.
[minderjarige] en [naam] verblijven sinds het feitelijk uiteengaan van partijen bij de man en hebben in onderling overleg contact met de vrouw.
2.4.
De huwelijkse voorwaarden van partijen luiden, voor zover relevant, als volgt:

ALGEHELE UITSLUITING
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd. (…).
VERGOEDINGEN
Artikel 4
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders overeengekomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking. (…)
JAARLIJKSE VERREKENING VAN INKOMSTEN
Artikel 9
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding (…), overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (…)
AFREKENING AAN HET EINDE VAN HET HUWELIJK
Artikel 14
1.a. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden (…) vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan, zulks met uitzondering de premies en koopsommen (…) en voorts met inachtneming van het hierna sub b. bepaalde.
b. Ingeval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (…) worden in de verrekening als hiervoor sub a. bedoeld voorts niet betrokken:
1. de inboedelgoederen als vermeld op na te brengen staat van aanbrengsten ten huwelijk;
2. de goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen, alsmede de op die verkrijgingen drukkende schulden en de wegens de verkrijgingen geheven belastingen (…), en
al hetgeen voor de sub 1. en 2. genoemde goederen in de plaats is getreden, waarbij de inkomsten uit die goederen en de renten van die schulden, alsmede de kosten en lasten die uit die inkomsten plegen te worden voldaan, evenmin in de verrekening zullen worden betrokken.
2. De verrekening heeft plaats (…) ingeval van scheiding (…) naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe. (…)
3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden, zulks met inachtneming van het in lid 1 sub a. en b. bepaalde. (…)
4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert zo, dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van de vermogens.
(…)
Slotverklaringen
(…)
- dat ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is; (…)”
2.5.
Bij beschikking van 23 oktober 2024 over voorlopige voorzieningen is onder meer bepaald dat de man met ingang van die datum aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) zal verstrekken van € 5.974,- per maand.
2.6.
De vrouw heeft de Belgische nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

Scheiding
3.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt zelfstandig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.2.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op dat verzoek van toepassing.
3.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid Pro
6 Rv).
3.4.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. Zij heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
3.5.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Ingetrokken verzoeken
3.6.
De vrouw heeft haar volgende nevenverzoeken ingetrokken:
- de verzoeken (hoofdverblijfplaats en zorgregeling) met betrekking tot [naam] , omdat hij inmiddels meerderjarig is;
- het verzoek tot het verstrekken door de man aan haar van de van belang zijnde stukken en informatie, waaronder maar niet uitsluitend de stukken opgenomen onder 43 van het inleidend verzoekschrift.
3.7.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bericht 28 januari 2025) heeft de vrouw haar verzoek tot een onderhoudsbijdrage voor [naam] ingetrokken.
3.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek tot een kinderbijdrage voor [minderjarige] ingetrokken. Partijen hebben de volgende afspraak gemaakt over de tikkies die [minderjarige] aan de vrouw stuurt voor verblijfsoverstijgende kosten die worden gemaakt als [minderjarige] samen is met de vrouw: de vrouw betaalt het tikkie van [minderjarige] en stuurt vervolgens een tikkie voor hetzelfde bedrag aan de man, die op zijn beurt het tikkie van de vrouw betaalt. De rechtbank zal de overeenstemming niet opnemen in de beschikking omdat dit te onbepaald is. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zich aan deze afspraak houden.
3.9.
De ingetrokken verzoeken zullen worden afgewezen.
3.10.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen verzoek te verbinden aan hetgeen hij in de processtukken stelt over het afzien van pensioenverevening. Gelet hierop zal dit (stand)punt verder onbesproken blijven.
Verblijfplaats en zorgregeling
3.11.
Uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling volgt dat het verzoek van de vrouw ertoe strekt te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en dat de zorgregeling tussen haar en [minderjarige] in overleg tussen partijen en [minderjarige] zal plaatsvinden.
De man verweert zich niet tegen het verzochte.
3.12.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter bevoegd te beslissen op de verzoeken. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op de verzoeken toe.
3.13.
Niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzoeken verzet. De beide verzoeken worden daarom als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
Partnerbijdrage
3.14.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen partnerbijdrage van € 13.011,- althans € 11.197,- bruto per maand vast te stellen.
3.15.
De man voert aan dat de vrouw niet behoeftig is, althans dat zij haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Uiterst subsidiair betwist de man dat hij voldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te betalen.
3.16.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over de verzochte partnerbijdrage. Op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhouds-verplichtingen, zal de rechtbank het Nederlands recht toepassen.
3.17.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil.
De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
(Aanvullende) behoefte
3.18.
De vrouw stelt haar behoefte aan een partnerbijdrage op € 10.004,- netto per maand. De vrouw baseert haar behoefte op de zogenaamde ‘hofnorm’. De man betwist dat de hofnorm in de gegeven omstandigheden moet worden toegepast, omdat daaruit volgens hem een ‘draconisch bedrag’ aan behoefte volgt dat niet strookt met het feitelijke uitgavenpatroon van partijen tijdens hun huwelijk.
3.19.
De rechtbank overweegt dat voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte de zogenoemde hofnorm als vuistregel beschikbaar is en dat deze vuistregel kan worden toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand van de vuistregel is berekend voldoende gemotiveerd is betwist. Dat de toepassing zou leiden tot een buitengewoon hoog bedrag en dat de vrouw een inkomen ontvangt van anderhalf modaal is geen voldoende betwisting.
De man laat daarbij na te onderbouwen dat het feitelijke uitgavenpatroon van partijen tijdens huwelijk substantieel afweek van het netto besteedbaar gezinsinkomen dat wordt gebruikt voor de berekening van de hofnorm. Dat partijen een aanzienlijk deel van hun inkomsten gebruikten voor het aflossen van hun hypothecaire geldlening en om te sparen, is – anders dan de man stelt – medebepalend voor de omvang van de huwelijksgerelateerde behoefte. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de vrouw dan ook uitgaan van de hofnorm. Dit betekent dat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.20.
Partijen zijn het eens dat het jaar 2023 voor het bepalen van het netto besteedbaar gezinsinkomen leidend is. De rechtbank sluit aan bij de tarieven 2023-2.
3.21.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man over het jaar 2023 op € 11.789,- per maand. Daartoe wordt als volgt overwogen.
3.21.1.
Bij de man is in aanmerking genomen een winst uit onderneming van
€ 264.230,- per jaar, die volgt uit de niet weersproken aangifte Inkomstenbelasting 2023 (bijlage 16 van de man). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar standpunt dat de man daarnaast nog andere inkomsten ontving niet langer gehandhaafd. De ondernemersaftrek van € 5.030,- is in aanmerking genomen en de MKB-winstvrijstelling bedraagt € 36.288,-. Rekening is gehouden met de door de man opgevoerde premies lijfrente van € 3.720,- per jaar en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van
€ 18.844,- per jaar, omdat deze redelijk en fiscaal aftrekbaar zijn. Ook is in aanmerking gekomen de niet aftrekbare premie pensioenvoorziening van € 1.380,- per jaar, omdat die door de vrouw niet is weersproken. Tenslotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van
€ 3.636,-.
3.22.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar genoemde bijlage 1) het NBI van de vrouw over het jaar 2023 op € 3.763,- per maand. Bij de vrouw is in aanmerking genomen een inkomen uit dienstbetrekking van € 65.800,- bruto per jaar dat volgt uit de niet weersproken aangifte Inkomstenbelasting 2023 (bijlage 20 van de vrouw).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
3.23.
Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 15.552,- netto per maand (€ 11.789 + € 3.763). Zonder andersluidende toelichting die ontbreekt, gaat de rechtbank uit van de kosten van de kinderen van € 1.470,- per maand, waarbij aansluiting is gezocht bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 23 oktober 2024. Het gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen (hetgeen neerkomt op € 14.082,-) en de netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% daarvan, zijnde afgerond € 8.449,- per maand.
3.24.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw vast op
€ 8.449,- netto per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 9.996,- netto per maand.
Behoeftigheid
3.25.
De man voert aan dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien, omdat zij anderhalf keer modaal verdient en omdat zij sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw betwist een en ander gemotiveerd.
3.26.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke maatstaven voor een partnerbijdrage meebrengen dat eerst de behoefte wordt bepaald en daarna de mate waarin een alimentatiegerechtigde zelf in die behoefte kan voorzien (behoeftigheid). De stelling van de man dat de vrouw anderhalf keer modaal verdient en uitsluitend om die reden in haar eigen behoefte kan voorzien, verhoudt zich daarmee niet en daarom dient aan deze stelling van de man voorbij gegaan te worden. Verder is de vrouw sinds het uiteengaan van partijen niet in staat om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Om die reden is ook in het kader van voorlopige voorzieningen bepaald dat de man aan de vrouw een partnerbijdrage verschuldigd is. De man betaalt deze bijdrage ook aan de vrouw.
3.27.
Op de in r.o. 3.24 vastgestelde behoefte van de vrouw moeten haar inkomsten in mindering worden gebracht. De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij de inkomsten van de vrouw uit 2022 van € 69.524,- bruto per jaar en niet bij haar huidige, lagere inkomsten. De vrouw werkte in 2022 fulltime en werkt op dit moment vier dagen per week. Daarbij voert de vrouw aan dat zij wil genieten van het leven en dat zij zichzelf heeft voorgenomen 32 uur per week te werken. De rechtbank volgt de man in zijn standpunt dat de keuze van de vrouw om minder te werken voor haar rekening en risico komt. Daarom acht de rechtbank het redelijk om voor de behoeftigheid uit te gaan van haar eerdere, hogere inkomen. Op de geïndexeerde behoefte van de vrouw wordt daarom haar NBI uit 2022 van € 3.839,- per maand in mindering gebracht. Verwezen wordt naar de aan deze beschikking als bijlage 2 gehechte berekening.
3.28.
Onder verwijzing naar bijlage 3 resteert een aanvullende behoefte van
€ 6.157,- netto per maand, hetgeen gebruteerd neerkomt op € 12.193,- per maand.
Draagkracht
3.29.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
3.30.
De draagkracht van de man wordt in beginsel berekend aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport en derhalve aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)].
3.31.
Het huidige NBI van de man bedraagt € 11.608,- per maand (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 4 gehechte berekening). De rechtbank sluit aan bij de tarieven 2026-1.
3.32.
Bij de man is de hiervoor genoemde winst uit onderneming over het jaar 2023 van € 264.230,- per jaar in aanmerking genomen. De man is medisch specialist in een maatschap en heeft voldoende onderbouwd gesteld dat er geen recentere cijfers beschikbaar zijn. Omdat er sprake is van een stijgende lijn in de winst, ziet de rechtbank geen reden om, zoals de man wil, te rekenen met een gemiddelde winst over meerdere jaren.
De zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling zijn in aanmerking genomen. Er is rekening gehouden met de door de man opgevoerde en door de vrouw niet weersproken premies lijfrenten van € 3.699,- per jaar, de premie voor een arbeidsongeschiktheids-verzekering van € 20.012,- per jaar en het niet aftrekbare premiedeel van € 1.380,- per jaar. Ook is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet.
3.33.
De vrouw voert aan dat bij de man rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlast, omdat die structureel lager is dan het forfaitaire woonbudget en er sprake is van een tekort in zijn draagkracht. De man voert hiertegen verweer. Hij stelt dat de voormalige echtelijke woning veel onderhoud nodig heeft, zodat van het forfaitaire woonbudget moet worden uitgegaan. Bovendien dient hij de vrouw uit te kopen zodat zijn woonlasten mogelijk stijgen en er dus geen sprake is van duurzaamheid. De rechtbank overweegt dat met een lager bedrag aan woonbudget kan worden gerekend als er sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende onderbouwd gesteld dat er geen sprake is van een duurzame situatie, gelet op de benodigde financiering in de nabije toekomst. De vrouw heeft in het licht van het standpunt van de man niet voldoende weersproken dat de woning hoge lasten aan onderhoud heeft, de man niet in aanmerking komt voor subsidie Cultureel Erfgoed en dat de verbruikslasten aanzienlijk zijn onder meer omdat de woning twee aansluitingen heeft. Gelet op het voorgaande wordt bij de man het forfaitaire woonbudget in aanmerking genomen.
Conclusie
3.34.
Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal
€ 4.847,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 6.761,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar genoemde bijlage 4. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 4.057,- bruto per maand.
3.35.
Partijen zijn het erover eens dat op de draagkracht van de man in mindering strekt de kosten van beide kinderen van partijen. Verminderd met de per 2026 geïndexeerde kosten van de kinderen van € 870,- per kind per maand resteert een bedrag van € 2.317,- netto per maand, ofwel € 3.710,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar genoemde bijlage 4.
3.36.
Derhalve is een partnerbijdrage van € 3.710,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.37.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard in te stemmen met de wettelijke ingangsdatum van de partnerbijdrage, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, volgt uit de wet dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
3.38.
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
  • de voormalige echtelijke woning wordt toegedeeld aan de man, dan wel wordt verkocht aan een derde onder de voorwaarden vermeld onder de punten 21 t/m 29 van het inleidend verzoekschrift;
  • het huwelijksvermogen wordt afgewikkeld als vermeld onder de punten 30 t/m 43 van het inleidend verzoekschrift waarbij de man aan de vrouw een nog te bepalen bedrag dient te betalen.
3.39.
De man verzoekt:
  • voor recht te verklaren dat de man aanspraak heeft jegens de quasi-gemeenschap op vergoeding van € 93.900,- uit hoofde van door hem verkregen schenkingen en erfenis, althans de vrouw te veroordelen om aan hem te betalen € 46.950,- zijnde de helft daarvan;
  • het huwelijksvermogen af te wikkelen zoals vermeld onder beschreven onder de punten 9.7 t/m 9.18 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
3.40.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro huwelijksvermogensstelsels). Gelet op de datum van het huwelijk is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van toepassing. Artikel 3 van Pro dat verdrag bepaalt dat een rechtskeuze voor het huwelijk prevaleert. De rechtbank constateert dat partijen voorafgaand aan hun huwelijk in hun huwelijkse voorwaarden hebben gekozen voor het Nederlandse recht (zie 2.4), zodat dat recht toepasselijk is op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (inclusief de vergoedingsrechten). Wat betreft de eenvoudige gemeenschappen geldt dat die niet zijn ontstaan op grond van de huwelijkse voorwaarden. De Nederlandse rechter heeft ten aanzien van de eenvoudige gemeenschappen rechtsmacht op grond van artikel 4 en Pro 24 Brussel I Bis. Op grond van de artikelen 10:4 BW en 10:127 BW is op deze geschillen het Nederlandse recht van toepassing.
3.41.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd, dat zij aan het periodiek verrekenbeding geen uitvoering hebben gegeven, dat zij bij scheiding een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen en
dat er tussen hen eenvoudige gemeenschappen van echtelijke woning, en/of rekening en inboedel bestaan. Hierna zal eerst de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen aan de orde komen, vervolgens de afwikkeling van het finaal verrekenbeding en tot slot de door de man gestelde vergoedingsrechten.
Eenvoudige gemeenschappen
3.42.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen bevestigd dat de inboedel in onderling overleg is verdeeld, zodat op dat punt geen beslispunt voor de rechtbank meer voorligt. Evenmin is in geschil dat de bankrekeningen ten behoeve van de kinderen
buiten de financiële afwikkeling tussen partijen blijven. Ook op dit punt ziet de rechtbank geen beslispunt.
3.43.
Partijen zijn het eens dat de en/of rekening ( [rekeningnummer 1] ) door de man wordt voortgezet en dat de hij in het kader van de verdeling aan de vrouw vergoedt de helft van het saldo op die rekening per 31 december 2023 van € 1.385,-, zijnde het bedrag van afgerond € 693,-. De rechtbank zal in die zin beslissen.
3.44.
Partijen zijn het verder eens dat de echtelijke woning kan worden toegedeeld aan de man, mits hij in staat is de hypothecaire geldlening alleen op zijn naam voort te zetten en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de woning getaxeerd moet worden per heden en in de huidige staat. De rechtbank volgt het niet weersproken verzoek van de vrouw dat de taxatiewaarde bindend zal zijn en dat als de man niet in staat is de woning toegedeeld te krijgen, dat de woning zal worden verkocht aan een derde. De vrouw heeft op zitting verklaard dat zij de verzochte dwangmiddelen intrekt als de rechtbank voor de beide situaties een ‘spoorboekje’ geeft.
Op verzoek van de vrouw, en onder afwijzing van de verzochte dwangmiddelen, bepaalt de rechtbank een spoorboekje voor de wijze van verdeling van de echtelijke woning als volgt:
Situatie 1: toedeling aan de man
3.44.1.
De taxatie wordt op de hiervoor beschreven wijze zo spoedig mogelijk na deze beschikking uitgevoerd. Als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen makelaar voor taxatie van de woning, geschiedt dit op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de makelaar die de woning zal taxeren. Beide partijen verlenen hun volledige medewerking aan de taxatie. De kosten van de taxatie worden door partijen bij helfte gedragen.
3.44.2.
Na de taxatie zal de man uiterlijk binnen zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw mededelen of hij de overname van de woning kan financieren, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De vrouw heeft naar voren gebracht dat zes maanden vrij lang is omdat de man dit al had kunnen regelen. De man heeft dit laatste betwist omdat hij afhankelijk is van de taxatie. De vrouw heeft geen kortere termijn genoemd. De rechtbank verwacht dat de man na de beschikking direct aan de slag gaat en de termijn voor het financieringsonderzoek zo kort mogelijk houdt.
Omdat de man in een maatschap zit, gaat de rechtbank ervan uit dat de bank wel een aantal maanden na inschrijving van de echtscheiding nodig zal hebben een financieringsaanbod te doen. De notariële toedeling van de woning dient binnen twee maanden na die mededeling plaats te vinden.
3.44.3.
Bij de notariële toedeling van de woning aan de man zal de helft van de getaxeerde waarde, vermeerderd met de helft van de waarde van de polissen die zijn verpand aan de hypotheeknemer minus de helft van de resterende hypothecaire lening aan de vrouw worden uitgekeerd. Indien aan de orde zal bij de waarde van de lijfrentepolis rekening gehouden moeten worden met een belastinglatentie, zoals de man onweersproken stelt. De man betaalt de kosten van de notariële leveringsakte.
Situatie 2: verkoop aan een derde
3.44.4.
Als de man de woning niet kan overnemen, dan zal de echtelijke woning in het kader van de verdeling moeten worden verkocht. Binnen twee weken na de melding van de man aan de vrouw dat hij de woning niet overneemt, selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Als de eerder door partijen aangewezen makelaar bereid is de woning te verkopen, hoeven deze stappen niet te worden gezet. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
  • invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
  • aanleveren van door de makelaar verzochte documenten,
  • betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
  • leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
  • meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
  • meewerken aan geplande bezichtigingen,
  • zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
  • alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
  • het tekenen van de koopovereenkomst,
  • het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
3.44.5.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
  • partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,
  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
  • met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.
Vergoedingsrecht
3.45.
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap van woning ter grootte van tenminste de aflossingen van € 314.868,10 die hij uit zijn privé vermogen heeft gedaan en dat dit vergoedingsrecht in mindering dient te worden gebracht op de getaxeerde althans verkoopwaarde. De vrouw voert verweer en stelt dat de aflossingen zijn gedaan met te verrekenen vermogen en dus niet met privévermogen van de man.
3.46.
Tussen partijen is de uitleg van de huwelijkse voorwaarden in geschil. De man stelt, hetgeen de vrouw betwist, dat het de bedoeling van partijen is geweest dat sprake was van gescheiden gelden en dat dus de inkomsten uit zijn onderneming buiten iedere verrekening of verdeling zouden vallen. Partijen verklaren dat de man bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden nog in loondienst was, maar dat zij voorzagen dat hij zijn werkzaamheden als nefroloog verder zou gaan uitvoeren als ondernemer. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding van inkomsten overeengekomen.
3.47.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat huwelijkse voorwaarden moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf (o.m. Hoge Raad 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:417). Bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf zijn niet alleen de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden van belang, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank stelt vast dat de man onvoldoende onderbouwt, anders dan dat bij hem die gedachte speelt, dat het de bedoeling van partijen bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden was zijn inkomsten/kapitaal als nefroloog buiten elke verrekening of verdeling te laten. Als dat ver strekkende standpunt de bedoeling van partijen was geweest, had het voor de hand gelegen dat partijen dit uitdrukkelijk in hun huwelijkse voorwaarden waren overeengekomen. Het inkomen van de man is niet uitgesloten in het periodieke verrekenbeding (artikel 9) en het ondernemingsvermogen van de man is evenmin uitgesloten in het finale verrekenbeding (artikel 14). Dat partijen tijdens huwelijk feitelijk (stilzwijgend) iets anders zijn overeengekomen is niet gesteld of gebleken. Sterker, partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank de man niet in zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden.
Het had op de weg van de man gelegen om onderbouwd te stellen dat de aflossingen op de gemeenschappelijke hypothecaire schuld zijn gedaan met niet te verrekenen vermogen.
De man heeft dit nagelaten, zodat het gestelde vergoedingsrecht niet is komen vast te staan.
Finaal verrekenbeding
3.48.
In artikel 14 van Pro hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen een finaal verrekenbeding met elkaar overeengekomen. Op grond van dat finaal verrekenbeding vindt in geval van echtscheiding een verrekening van vermogens plaats, zo dat ieder van hen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen hen de algehele gemeenschap van goederen had bestaan. Van die verrekening is in artikel 14 van Pro de huwelijkse voorwaarden een aantal goederen uitgezonderd, waarvan in dit kader van belang zijn: (i) de inboedelgoederen die vermeld staan op de staat van aanbrengsten en
(ii) de goederen die krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen.
Peildatum
3.49.
Tussen partijen staat vast dat als peildatum voor de verrekening 31 december 2023 geldt.
De omvang van het te verrekenen vermogen
3.50.
Partijen zijn het eens dat American Express een creditcard zonder saldo betreft, zodat deze niet in de verrekening wordt betrokken. Verder zijn partijen het eens dat de lijfrente bij Reaal ten name van de vrouw een overlijdensrisicoverzekering betreft die geen waarde had en om die reden buiten de verrekening kan blijven.
3.51.
Partijen zijn het eens dat de volgende bestanddelen op de peildatum tot het te verrekenen vermogen behoren:
het saldo op SNS bankrekening [rekeningnummer 2] ten name van de vrouw;
het saldo op de KBC-bank [rekeningnummer 3] ten name van de vrouw;
het saldo op de Rabobank bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van de vrouw;
het saldo op de Rabobank bankrekening [rekeningnummer 5] ten name van de vrouw;
het saldo op de ABN AMRO bankrekening [rekeningnummer 6] ten name van de man;
het saldo op de Argenta bankrekening [rekeningnummer 7] ten name van de man;
de auto, merk Toyota Prius, op naam van de vrouw;
de lijfrentes/kapitaalverzekeringen: (i) bij Aegon ten name van de man,
(ii) Nationale Nederlanden [nummer 1] ten name van de man en (iii) KBC ten name van de vrouw.
3.52.
Partijen verschillen van mening of de volgende bestanddelen op de peildatum tot het te verrekenen vermogen behoren:
de effecten KBC (50 KBC/02 B, 50 KBC/03 D, KBC rekening/depot [nummer 2] ) ten name van de vrouw;
de certificaten Nefros ten name van de man;
de activa behorende tot de eenmanszaak van de man, zijnde (i) het saldo op de ABN AMRO zakelijke rekening [rekeningnummer 8] ten name van de man, (ii) de auto (merk Tesla), (iii) computers/inventaris en (iv) vordering op maatschap;
de lijfrentes: (i) bij Nationale Nederlanden [nummer 3] ten name van de man en
(ii) bij ASR [nummer 4] ten name van de man.
3.52.1.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de in geschil zijnde bestanddelen als volgt.
i. + j. (de effecten en certificaten)
3.52.2.
De vrouw stelt dat zij de effecten KBC al vóór het huwelijk in eigendom had, zodat deze buiten de verrekening blijven. De man voert daartegen aan dat de effecten niet vermeld staan op de lijst van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden. Verder stelt de man dat als de effecten KBC buiten de verrekening blijven, dit ook moet gelden voor de certificaten Nefros. Verder voert de man aan dat ook bij hem sprake is van vermogensbestanddelen van vóór het huwelijk, namelijk de woning en de lijfrente bij Aegon.
3.52.3.
Uit hetgeen de vrouw stelt, volgt niet dat de effecten KBC buiten de verrekening blijven. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden beschreven welke vermogens-bestanddelen van de finale verrekening zijn uitgesloten en daartoe behoren de effecten KBC niet (zie 3.48). Dit betekent dat de effecten KBC tot het te verrekenen vermogen behoren. Wat betreft de certificaten Nefros geldt hetzelfde, omdat uit hetgeen de man stelt evenmin volgt dat de certificaten buiten de finale verrekening blijven.
k.
(het ondernemingsvermogen)
3.52.4.
De man stelt primair, hetgeen de vrouw betwist, dat zijn ondernemingsvermogen niet tot het finaal verrekenbeding behoort. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen in 3.47 volgt de rechtbank de man hierin niet.
l.
(lijfrentes)
3.52.5.
Wat betreft de lijfrente bij ASR VVAA stelt de vrouw dat die in november 2023 aan de man is uitgekeerd voor het bedrag van € 68.820,-, hetgeen de man niet betwist. Omdat de vrouw niet weet waaraan de man dit bedrag heeft besteed, beschouwt zij de afkoop als een benadeling van de quasi-gemeenschap. De man voert aan dat de lijfrente op de peildatum niet meer tot het te verrekenen vermogen behoort, maar dat het afkoopbedrag nog op zijn bankrekening bij Argenta staat. Tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd in bijlage 27, pagina 3, van de vrouw dat in 2023 per saldo is gespaard waaronder het bedrag van de uitkering. Omdat de lijfrente op de peildatum niet meer bestond, wordt die niet in de verrekening betrokken. Het afkoopbedrag van de lijfrente wordt via de verrekening van de banksaldi wel tussen partijen verrekend.
3.52.6.
Wat betreft de lijfrente bij Nationale Nederlanden [nummer 3] stelt de man dat de polis is gevormd door inkomen van de man en wordt gebruikt voor aflossing van de gemeenschappelijke hypothecaire geldlening zodat de polis buiten de verrekening moet blijven. De vrouw voert aan dat de polis gevormd is door te verrekenen vermogen. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 3.47. is overwogen blijft de waarde van de lijfrente bij Nationale Nederlanden [nummer 3] in beginsel niet buiten de verrekening. Maar omdat de man onweersproken aanvoert dat de waarde van de lijfrente bij de verdeling/verkoop van de woning zal worden betrokken, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen dit op die manier zullen doen. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde € 248.087,- bedraagt. Ter voorkoming van een dubbeltelling wordt de waarde van de lijfrente dus niet (ook) betrokken in het onderstaande overzicht van het te verrekenen vermogen.
De waarde van het te verrekenen vermogen
3.53.
Wat betreft de in aanmerking te nemen waarde per de peildatum van de te verrekenen vermogensbestanddelen wordt als volgt overwogen.
a. t/m f. saldi bankrekeningen
3.53.1.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen om voor de saldi per peildatum uit te gaan van de aangifte Inkomstenbelasting 2023 (productie 20 van de vrouw). Gelet hierop sluit de rechtbank bij die bedragen aan.
g. de auto Toyota Prius
3.53.2.
De vrouw stelt, onder verwijzing naar haar productie 16, dat de waarde van de auto op de peildatum € 18.050,- bedraagt. De man voert aan dat de auto moet worden getaxeerd naar de waarde nu. De rechtbank volgt de man hierin niet. Het had op zijn weg gelegen om de door de vrouw gestelde waarde per peildatum gemotiveerd te betwisten. Dit heeft de man nagelaten, zodat de rechtbank de door de vrouw gestelde waarde in aanmerking zal nemen.
h. + l. de lijfrentes
3.53.3.
Tegen de door de vrouw onderbouwd gestelde waarde per peildatum (afgerond)
van de lijfrente bij Aegon van € 68.820,- en bij Nationale Nederlanden [nummer 1] van
€ 63.362,- heeft de man niets op onderbouwde wijze aangevoerd, zodat de rechtbank van deze bedragen uitgaat. Wat betreft de waarde van de lijfrente bij KBC heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gewezen op de jaarstukken en partijen hebben niets aangevoerd tegen de daaruit volgende waarde van € 20.540,- zodat de rechtbank daarbij aansluit.
i. + j. de effecten KBC en certificaten Nefros
3.53.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is de waarde van beide vermogens- bestanddelen besproken. Partijen hebben ingestemd met de waarde van de effecten KBC van € 24.441,- en van de waarde van de certificaten Nefros van € 24.383,-. De rechtbank sluit bij deze bedragen aan.
k. het ondernemingsvermogen
3.53.5.
De vrouw stelt, onder verwijzing naar de balans, dat het kapitaal van de maatschap op de peildatum € 175.733,- bedraagt, de waarde van de computers/inventaris € 7.000,- en het saldo van de zakelijke bankrekening [rekeningnummer 8] € 21.517,-. De man heeft dit niet betwist. Tussen partijen is niet in geschil dat de goodwill niet bij de waarde moet worden betrokken. Wat betreft de waarde van de auto van de man van € 42.539,- verwijst de vrouw naar haar productie 16 waartegen de man niets op onderbouwde wijze aanvoert, zodat deze waarde in de verrekening wordt betrokken.
Conclusie
3.54.
Uit het vorenstaande volgt het volgende overzicht van het per de peildatum te verrekenen vermogen:
Bestanddelen
Vrouw
Man
(a) SNS [rekeningnummer 2]
€ 91.392
(b) KBC bank 52-40
€ 318
(c) Rabobank [rekeningnummer 4]
€ 471
(d) Rabobank [rekeningnummer 5]
€ 66.625
(e) ABN AMRO [rekeningnummer 6]
€ 901
(f) Argenta [rekeningnummer 7]
€ 413.659
(g) Toyota Prius
€ 18.050
(h) activa eenmanszaak:
Kapitaal maatschap
Saldo bankrekening
Computers/inventaris
Auto (Tesla)
€ 175.733
€ 21.517
€ 7.000
€ 42.539
(i) Lijfrente Aegon
Lijfrente NN [nummer 1]
Lijfrente KBC
€ 20.540
€ 68.820
€ 63.362
(j) Effecten KBC
€ 24.441
(k) Certificaten Nefros
€ 24.383
(l) Lijfrente NN [nummer 3]
(te verrekenen bij toedeling/verkoop echtelijke woning)
Totaal
€ 221.837
€ 817.914
3.55.
Het totale te verrekenen vermogen per de peildatum bedraagt € 1.039.751,-
(€ 221.837,- + € 817.914,-). Omdat beide partijen gerechtigd zijn tot de helft van dat bedrag (€ 519.875,-) dient de man aan de vrouw te vergoeden het bedrag van € 298.039,-.
De rechtbank zal in die zin beslissen.
De verklaring voor recht
3.56.
De man verzoekt voor recht te verklaren dat hij jegens de quasi-gemeenschap recht heeft op vergoeding van de door hem verkregen schenkingen en erfenis van – na wijziging – € 90.611,- (€ 55.150,- aan schenkingen en € 35.461,- aan erfenis na aftrek erfbelasting).
De man stelt dat de gelden zijn geschonken en nagelaten met een uitsluitingsclausule en dat deze verder op grond van artikel 14 huwelijkse Pro voorwaarden niet in de verrekening worden betrokken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR: 2019:504) stelt de man dat de quasi-gemeenschap is gebaat en de “op is op leer” niet langer opgaat.
3.57.
De vrouw voert aan dat de ontvangen schenkingen en erfenis zijn gestort op de zakelijke rekening van de man en dat de gelden kennelijk door de man zijn opgemaakt, waardoor er geen vergoedingsrecht jegens de quasi-gemeenschap meer geldend gemaakt kan worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij de ontvangen gelden heeft gereserveerd om de woning te verduurzamen en dat het geld nu nog op zijn Argenta bankrekening staat. De vrouw heeft verklaard dat uit de overgelegde productie 27 wel de afkoop van de lijfrente bij ASR VVAA kan worden verklaard (zie 3.52.5), maar niet ook de ontvangen schenkingen/erfenis. De rechtbank gaat ervan uit dat het bedrag aan schenkingen/erfenis op de peildatum niet meer aanwezig is, hetgeen partijen in hun processtukken stellen.
3.58.
Het beroep van de man op artikel 14 van Pro de huwelijkse voorwaarden gaat niet op, omdat niet gesteld of gebleken is welke goederen van de gelden zijn verkregen en mitsdien buiten de finale verrekening zouden blijven.
3.59.
Wat betreft het gestelde vergoedingsrecht overweegt de rechtbank als volgt. Of partijen met een “alsof-beding” niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen, maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden (vgl. Hoge Raad 7 oktober 2022, ECLI:NL:2022:1389). De man stelt op dit punt niets meer dan dat hem naar analogie van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 een vergoedingsrecht voor het volledig ontvangen bedrag toekomt en de tekst van de huwelijkse voorwaarden geeft geen aanknoping bij het standpunt van de man. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de man gelegen om onderbouwd te stellen waaraan de ontvangen gelden zijn besteed. Zonder die toelichting, die ontbreekt, kan niet worden beoordeeld of de man met privévermogen (quasi)gemeenschapsschulden heeft voldaan en of op die grond een vergoedingsrecht is ontstaan. De man heeft onvoldoende gesteld ter onderbouwing van het vergoedingsrecht.
Proceskosten
3.60.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/685064 / FA RK 24-6433:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn;
4.3.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw zal zijn zo vaak als in onderling overleg tussen partijen en de minderjarige;
4.4.
kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe van € 3.710,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
4.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/689338 / FA RK 24-8506:
4.8.
gelast de wijze van verdeling van de gezamenlijke bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) en de echtelijke woning (en de daarop rustende hypothecaire geldlening met de daaraan verbonden lijfrente bij Nationale Nederlanden [nummer 3] ) op de wijze als hiervoor is bepaald in 3.43 en 3.44;
4.9.
bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het bedrag van € 298.039,- verschuldigd is;
4.11
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.12
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.13
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter, tevens (kinder)rechter,
mr. S. Raphael en mr. I.J. Pieters, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.S. Jansen, griffier, op 10 februari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.