ECLI:NL:RBROT:2026:1844

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
700511
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 lid 1 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 3:37 lid 1 BWArt. 6:23 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldige ontbinding overeenkomst overname orthodontiepraktijk wegens financieringsvoorbehoud

Tandartspraktijk [naam eiseres] B.V. heeft haar orthodontiepraktijk te koop gezet vanwege pensionering van de bestuurder. Na onderhandelingen met [gedaagde] is op 13 februari 2025 een koopovereenkomst gesloten voor € 1.080.000,-, inclusief een financieringsvoorbehoud conform het KNMT-model.

De rechtbank stelt vast dat de aanvankelijke voorwaarde over omzet en nettowinst 2024 niet langer gold, omdat partijen dit niet meer hebben gehandhaafd in latere biedingen. Ook is vastgesteld dat [gedaagde] zelf contractspartij is en dat de overdrachtsdatum niet tot de essentialia behoort.

Het financieringsvoorbehoud houdt in dat koper de overeenkomst kan ontbinden indien hij geen financiering kan verkrijgen, mits hij dit aantoont met twee schriftelijke afwijzingen van erkende banken. [gedaagde] heeft tijdig en met de juiste documentatie het financieringsvoorbehoud ingeroepen, waaronder afwijzingsbrieven van ABN AMRO en ING.

De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] aan zijn inspannings- en documentatieplicht heeft voldaan en dat er geen sprake is van lichtvaardig beroep op het voorbehoud. Hierdoor is de koopovereenkomst rechtsgeldig ontbonden. De vorderingen van Tandartspraktijk [naam eiseres] worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De koopovereenkomst is rechtsgeldig ontbonden wegens tijdig en correct ingeroepen financieringsvoorbehoud; vorderingen verkoper worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/700511 / HA ZA 25-439
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
TANDARTSPRAKTIJK [naam eiseres] B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
eiseres,
advocaat: mr. M. van Westendorp,
tegen
[gedaagde],
wonende te [gedaagde] ,
gedaagde,
advocaat: mr. J.A. Veldkamp.
Partijen zullen hierna 'Tandartspraktijk [naam eiseres] ' en ' [gedaagde] ' genoemd worden.

1.De zaak in het kort

Deze procedure gaat over de vraag of tussen Tandartspraktijk [naam eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij Tandartspraktijk [naam eiseres] haar orthodontiepraktijk aan [gedaagde] heeft overgedragen voor een bedrag van € 1.080.000,-. Volgens Tandartspraktijk [naam eiseres] is dat het geval. Mocht dat niet zo zijn, dan wil zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld om verder te onderhandelen over de overname van de praktijk. [gedaagde] vindt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Als er toch een overeenkomst tot stand is gekomen, vindt hij dat hij een rechtsgeldig beroep op een financieringsvoorbehoud heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en dat een financieringsvoorbehoud deel uitmaakt van die overeenkomst. Omdat [gedaagde] dit financieringsvoorbehoud tijdig heeft ingeroepen en voldaan heeft aan de documentatieplicht en inspanningsverplichting, heeft hij de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden. Gelet hierop wijst de rechtbank alle vorderingen van Tandartspraktijk [naam eiseres] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 17;
- de brieven van de rechtbank van 13 augustus 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
- het e-mailbericht van de rechtbank van 4 november 2025, waarbij een zittingsagenda aan partijen is verstuurd;
- de brief van [gedaagde] aan de rechtbank van 27 november 2025 met producties 18 en 19;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen namens Tandartspraktijk [naam eiseres] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Tandartspraktijk [naam eiseres] exploiteert de Praktijk voor Orthodontie te Zoetermeer (hierna: de praktijk). Enig aandeelhouder en bestuurder van Tandartspraktijk [naam eiseres] is de heer [naam 1] (hierna: [naam eiseres] ). [naam eiseres] is in de praktijk werkzaam als tandarts voor orthodontie.
3.2.
In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft [naam eiseres] begin 2025 besloten de praktijk (via een activa/passiva-transactie) in de verkoop te zetten. [naam eiseres] heeft zich voor het verkooptraject laten bijstaan door de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). In dat kader is een verkoopmemorandum opgesteld waarin de verkoopprijs van de praktijk op € 1.090.000,- is gesteld. In het verkoopmemorandum staat verder dat het voorlopig- en definitief koopcontract conform het ‘concept KNMT-modelovereenkomst praktijkoverdracht’ zullen zijn.
3.3.
Het verkoopmemorandum is verstrekt aan diverse geïnteresseerden, waaronder aan [gedaagde] , die als orthodontist werkzaam is. Na oriëntatie en bezichtiging van de praktijk is [gedaagde] medio januari 2025 in onderhandeling getreden met [naam eiseres] . [gedaagde] liet zich daarbij bijstaan door de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), financieel-fiscaal adviseur.
3.4.
Op 26 januari 2025 heeft [naam 3] aan [naam 2] het volgende e-mailbericht verstuurd:
“ Wat ons betreft zijn de documenten op dit moment compleet. Mijn cliënt heeft interesse in de praktijk, met een kleine wijziging. Hij wil dat de EBITDA wordt gebaseerd op een factor van 3,5 in plaats van 3,75, waarbij deze factor ook is gebaseerd op de cijfers van 2024.”
3.5.
Per e-mail van 28 januari 2025 heeft [naam 2] aan [naam 3] bericht:
“Dank voor uw reactie. We zijn druk bezig met de concept cijfers 2024. We zouden graag onder voorbehoud van deze cijfers een voorstel ontvangen.
(…)
Denk aan koopsom, datum overdracht, financieringsvoorbehoud ja of nee? etc etc.”
3.6.
In reactie daarop heeft [naam 3] diezelfde dag per e-mail aan [naam 2] bericht:
“Wij gaan uit van uw voorstel. De EBITDA wordt gebaseerd op een factor van 3,5, die ook is gebaseerd op de cijfers van 2024. Indien wij de cijfers van 2024 hebben, kunnen wij de aanvraag voor een hypotheek indienen. Na dit gegeven hebben wij 9 weken tijd nodig om de zaak af te ronden. Daarom willen wij de overdracht onder voorbehoud van laten plaatsvinden.”
3.7.
Op 4 februari 2025 heeft [naam 3] aan [naam 2] het volgende bericht verstuurd:
“Wij hadden een multiple vastgesteld op 3,5. Deze kunnen wij verhogen of verlagen tot 3,75. Dus de prijs bedraagt € 1.090.000, onder de voorwaarde dat de omzet en nettowinst van 2024 niet meer dan 5% afwijken van 2023 en 2022. In dat geval moeten we dit nog bespreken. Met deze verhoging verwachten wij uw akkoord en de zaak af te ronden.”
3.8.
Per e-mail van 10 februari 2025 heeft [naam 2] de conceptcijfers van Tandartspraktijk [naam eiseres] over 2024 aan [naam 3] verstuurd en daarbij vermeld:
“Bijgaand de conceptcijfers van de jaarstukken 2024 en EBIT vóór arbeidsvergoeding.
Volgens de jaarstukken is de omzet 2024 lager uitgevallen i.v.m. 2023 om twee redenen:
(…)
Ofwel 2024 is wel een minder jaar geweest, maar er is toch een behoorlijk positief resultaat behaald.
(…)
Wij menen dat we daarmee binnen de gestelde normen vallen, die U heeft geschetst [in] uw de mail van 4 februari jl.”
3.9.
Op 11 februari 2025 heeft [naam 3] aan [naam 2] namens [gedaagde] een nieuw bod verstuurd:
“Zoals u heeft opgemerkt, is het resultaat van het jaar 2024 lager geweest. Indien ik uw berekeningsmethode accepteer en rekening houd met de resultaten van 2022 tot en met 2024, kom ik op een bedrag van € 1.058.000. Namens mijn cliënt wil ik graag dit bod aan u uitbrengen en ik ontvang graag uw akkoord voor de afronding van dit traject.”
3.10.
[naam 2] heeft diezelfde dag per e-mail aan [naam 3] laten weten dat zij graag zouden zien dat het bod werd aangepast naar het bedrag wat [naam 3] in zijn e-mail van 4 februari 2025 heeft genoemd.
3.11.
Op 12 februari 2025 heeft [gedaagde] aan [naam 2] de volgende e-mail gestuurd:
“Ik ben bereid om te deze praktijk op 1,070,000 te kopen.”
3.12.
Op 13 februari 2025 heeft [naam 2] per e-mail aan [gedaagde] als volgt geantwoord:
“Hartelijk dank voor het uitbrengen van het bod van € 1.070.000,--.
Ik waardeer uw voorstel. Na zorgvuldige overweging zou ik graag een tegenbod willen doen, welke precies ligt tussen uw bod en mijn vraagprijs, te weten een bedrag van € 1.080.000,--. Dit bedrag houdt rekening met beider wensen en is een fair bedrag.
Ik hoop dat we elkaar hierin kunnen vinden.
Ik ben ervan overtuigd dat we met bovenstaand voorstel een mooie overeenkomst kunnen sluiten, waarna we de koop onderhandelingen kunnen afronden en bestendigen.
Dan kunnen we na het verkrijgen van uw financiering, in overleg spoedig een overdrachtsdatum vaststellen.
Ik kijk uit naar een positieve reactie en bij akkoord kunnen we de koop schriftelijk vastleggen.”
3.13.
[gedaagde] heeft die middag per e-mail het volgende bericht aan [naam 2] teruggestuurd:
“Akkoord met bedrag van € 1.080.000,-.”
3.14.
In de avond van 13 februari 2025 heeft [naam eiseres] het volgende naar [gedaagde] gestuurd:
“Doordat [naam 2] ziek is, neem ik op zijn verzoek de financiële afwikkelingstaak nu even voor mijn rekening. Dank voor je tegenbod, waar ik mee akkoord ga. Daarmee is de verkoop van Zoetermeer bevestigd. We zullen het voorlopige koopcontract opstellen, die waarschijnlijk mede nodig is voor de financieringsaanvraag.
Ik hoop op een prettige afronding van de verkoop en we zullen er samen uitkomen hoe een soepele overgang gestalte zal krijgen.”
3.15.
Op 17 februari 2025 heeft [naam 2] aan [naam 3] een conceptovereenkomst gestuurd (hierna: de conceptovereenkomst), die is gebaseerd op de KNMT modelovereenkomst praktijkoverdracht, versie 2024. In de conceptovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen dat als volgt luidt:
“11.1 Indien koper voor 01.05.2025 aantoont dat hij / zij voor de financiering van zijn / haar verplichtingen die voortvloeien uit deze overeenkomst geen gelden heeft kunnen verkrijgen tegen marktconforme voorwaarden, kan koper de overeenkomst ontbinden.
11.1.1
indien Koper onvoldoende financiering voor de Koopprijs kan verkrijgen, zal zulks moeten blijken uit ten minste twee aan Verkopers te overleggen schriftelijke afwijzingen van erkende geldverstrekkende bankinstellingen;
(…)
11.3
In geval van ontbinding van de overeenkomst op grond van lid 1 of lid 2 zijn verkoper en koper op generlei wijze gebonden, noch aansprakelijk ten opzichte van elkaar.”
3.16.
Op 18 februari 2025 heeft [naam 3] per e-mail nadere vragen aan [naam 2] gesteld. Een dag later heeft [naam 2] aan [naam 3] een e-mail doorgestuurd van de heer [naam 4] , de financieel adviseur van Tandartspraktijk [naam eiseres] , met de antwoorden op deze vragen.
3.17.
Vervolgens heeft [naam 3] op 26 februari 2025 per e-mail aan [naam 2] laten weten dat [gedaagde] bereid is om maximaal € 600.000,- te betalen voor de overname van de praktijk.
3.18.
Per brief van 17 maart 2025 heeft mr. Van Westendorp namens Tandartspraktijk [naam eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot nakoming van de gestelde overeenkomst.
3.19.
Mr. Veldkamp heeft daarop per e-mail van 28 maart 2025 namens [gedaagde] gereageerd. Hij heeft meegedeeld dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen en voor zover dit wel het geval is dat [gedaagde] het financieringsvoorbehoud inroept en de overeenkomst ontbindt. Als bijlagen heeft mr. Veldkamp twee afwijzingsbrieven meegestuurd van financieringsaanvragen bij de ABN AMRO bank (hierna: ABN AMRO) en de ING bank (hierna: ING).

4.Het geschil

4.1.
Tandartspraktijk [naam eiseres] vordert, samengevat, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
1. een verklaring voor recht dat tussen [gedaagde] en Tandartspraktijk [naam eiseres] de overeenkomst tot stand is gekomen;
2. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst;
3. [gedaagde] te gebieden, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alle benodigde handelingen te verrichten om de overeenkomst uit te voeren;
subsidiair:
4. een verklaring voor recht dat tussen [gedaagde] en Tandartspraktijk [naam eiseres] de
conceptovereenkomst tot stand is gekomen;
5. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de conceptovereenkomst;
6. [gedaagde] te gebieden, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, om alle bescheiden die zijn gebruikt voor de financieringsaanvragen met [naam eiseres] te delen en als blijkt dat als uitgangspunt een andere waardering is gebruikt dan de waardering die volgt uit het verkoopmemorandum en de correspondentie tussen partijen, dat [gedaagde] opnieuw financieringsaanvragen dient te doen die in lijn zijn met de waardering uit het verkoopmemorandum en de correspondentie tussen partijen;
meer subsidiair:
7. een verklaring voor recht dat [gedaagde] de onderhandelingen tussen partijen niet zonder meer mocht afbreken;
8. [gedaagde] te veroordelen om verder te onderhandelen met Tandartspraktijk [naam eiseres] , aangaande de overname van de tandartspraktijk te Zoetermeer door [gedaagde] middels een activa/passiva-transactie;
primair, subsidiair en meer subsidiair:
9. tot betaling van een dwangsom van € 5.000,-, voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder (3), (6) dan wel (8) zulks met een maximum van € 100.000,-;
10. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 6.775,00;
11. tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
4.2.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Tandartspraktijk [naam eiseres] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Tandartspraktijk [naam eiseres] in de kosten van het geding.

5.De beoordeling

5.1.
Partijen twisten allereerst over de vraag of de door Tandartspraktijk [naam eiseres] gestelde koopovereenkomst van de praktijk tussen partijen tot stand is gekomen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Maatstaf voor beoordeling van de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen
5.2.
Een overeenkomst komt in beginsel tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW Pro). Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding behoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW).
Voorwaarde van [gedaagde] ten aanzien van de omzet en nettowinst van 2024 gold niet meer
5.3.
[gedaagde] betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Hij voert aan dat hij een aanbod onder een voorwaarde heeft gedaan – namelijk dat de omzet en netto-winst over 2024 niet meer dan 5% afwijkt van 2023 en 2022 – en dat die voorwaarde niet is vervuld.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat Tandartspraktijk [naam eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de aan het aanbod van [gedaagde] van 4 februari 2025 verbonden voorwaarde vanaf het nieuwe voorstel van 11 februari 2025 niet langer werd gehandhaafd. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.5.
Aan het aanvankelijke aanbod van [gedaagde] van 4 februari 2025 was de voorwaarde verbonden dat de omzet en nettowinst over 2024 niet meer dan 5% mochten afwijken ten opzichte van de cijfers van 2023 en 2022. Op 10 februari 2025 zijn de conceptcijfers over 2024 aan Jafaari toegezonden, waaruit bleek dat de afwijking groter was dan 5%, zodat aan deze voorwaarde niet was voldaan. Op 11 februari 2025 heeft [naam 3] namens [gedaagde] een nieuw voorstel uitgebracht, waarbij is vermeld dat deze afwijking aanleiding gaf om het bod te verlagen. In dit voorstel werd niet langer verwezen naar de eerder gestelde voorwaarde en evenmin werd een nieuwe voorwaarde gesteld ten aanzien van de definitieve cijfers over 2024. Ook het daaropvolgende bod van [gedaagde] van 12 februari 2025 bevatte geen voorwaarde met betrekking tot de cijfers over 2024.
5.6.
Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft vervolgens per e-mail van 13 februari 2025 een tegenvoorstel gedaan van € 1.080.000,-, dat op dezelfde dag door [gedaagde] is aanvaard, wederom zonder verwijzing naar de eerder gestelde voorwaarde of het stellen van een nieuwe voorwaarde ten aanzien van de definitieve cijfers over 2024. [naam eiseres] heeft hierna een reactie gestuurd waarin hij de verkoop van de praktijk bevestigt.
5.7.
Hoewel de voorwaarde niet expliciet is ingetrokken door [gedaagde] en hij aanvoert niet de intentie daartoe te hebben gehad, mocht Tandartspraktijk [naam eiseres] uit de opvolgende biedingen afleiden dat de aanvankelijk aan het bod van 4 februari 2025 verbonden voorwaarde vanaf het nieuwe voorstel van 11 februari 2025 niet langer gehandhaafd werd. De conceptcijfers over 2024 waren immers bekend en [gedaagde] heeft daarna niet meer gerefereerd aan de eerder gestelde voorwaarde. Integendeel: hij heeft juist expliciet met inachtneming van de (lagere) voorlopige cijfers over 2024 zijn oorspronkelijke aanbod aangepast.
[gedaagde] is contractspartij
5.8.
[gedaagde] voert verder aan dat tussen partijen geen overeenstemming bestond over de betrokken partijen en dat daarom geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ook dit betoog faalt. De rechtbank stelt voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat als iemand handelt, hij wordt geacht dit voor zichzelf te doen, tenzij diegene (vóór of bij het sluiten van de overeenkomst) bekend maakt dat hij voor een ander handelde. Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] gedurende de gehele onderhandelingsfase uitsluitend in eigen naam heeft gecommuniceerd en biedingen heeft gedaan. Dat betekent dat Tandartspraktijk [naam eiseres] er in beginsel op mocht vertrouwen dat [gedaagde] namens zichzelf handelde.
5.9.
[gedaagde] voert nog aan dat de gegevens van koper niet waren ingevuld in de conceptovereenkomst en dat daaruit volgt dat het voor Tandartspraktijk [naam eiseres] ook niet duidelijk was wie de koper was. Dat de naam van de contractspartij nog niet was ingevuld in de conceptovereenkomst betekent echter niet dat er onduidelijkheid over de contractspartij bestond. De overeenkomst was immers al tot stand gekomen en het ontbreken van gegevens in een schriftelijke conceptovereenkomst raakt niet aan het bestaan van de reeds tot stand gekomen overeenkomst. Uit het feit dat de naam van de koper in de conceptovereenkomst was opengelaten, leidt de rechtbank af dat Tandartspraktijk [naam eiseres] ook akkoord kon gaan met een vennootschap van [gedaagde] als contractspartij, maar dat doet niet af aan het feit dat [gedaagde] zelf degene is die zich contractueel aan Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft gebonden en ook gebonden blijft. Over een andere entiteit als koper is immers geen overeenstemming bereikt.
5.10.
[gedaagde] voert ten slotte aan dat hij de financiering namens Smile 4 Ortho B.V. heeft aangevraagd, waaruit zou volgen dat Smile 4 Ortho B.V. de beoogde contractspartij is en niet [gedaagde] als privépersoon. De rechtbank acht dit niet relevant voor de vraag wie de contractspartij is. De vraag namens wie [gedaagde] heeft gehandeld moet in beginsel worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. De financiering is pas na de totstandkoming van de overeenkomst aangevraagd. Weliswaar kunnen gedragingen van na de totstandkoming van de overeenkomst van belang zijn, maar dat is hier niet het geval. [gedaagde] kan zich niet met succes beroepen op zijn eigen latere gedraging of veronderstelling. Het gaat er om of partijen er over en weer gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat hun verklaringen en gedragingen door de andere partij zo werden opgevat als zij die bedoelden en of zij over en weer redelijkerwijs mochten aannemen dat de andere partij haar verklaring zo bedoelde als zij die opvatten. [gedaagde] heeft geen feiten gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat hij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat Tandartspraktijk [naam eiseres] hem niet langer als contractspartij beschouwde.
5.11.
Tandartspraktijk [naam eiseres] mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] namens zichzelf optrad en dus de contractspartij was.
Overdrachtsdatum behoort niet tot de essentialia van de overeenkomst
5.12.
Partijen zijn verder verdeeld over het karakter van de overdrachtsdatum. Volgens Tandartspraktijk [naam eiseres] behoort de overdrachtsdatum niet tot de essentialia van de overeenkomst en staat het ontbreken van een afspraak daarover dus niet aan het aannemen van wilsovereenstemming in de weg. [gedaagde] voert daarentegen aan dat de overdrachtsdatum wel tot de essentialia van de overeenkomst behoort en dat hierover geen overeenstemming is bereikt, waardoor volgens hem de overeenkomst niet tot stand is gekomen.
5.13.
Uit de correspondentie tussen partijen leidt de rechtbank af dat de overdrachtsdatum voor partijen niet dermate belangrijk was, dat het ontbreken van overeenstemming daarover aan het sluiten van een overeenkomst in de weg stond. In het verkoopmemorandum is vermeld:
”Doelstelling overnamedatum: in overleg”. Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft per e-mail van 28 januari 2025 aan [gedaagde] verzocht om een voorstel te doen, waarbij werd gewezen op de koopsom, datum overdracht en het al dan niet overeenkomen van een financieringsvoorbehoud. [gedaagde] noemde vervolgens geen overdrachtsdatum in zijn biedingen. In het laatste voorstel van Tandartspraktijk [naam eiseres] van 13 februari 2025 werd de overdrachtsdatum als volgt gekwalificeerd:
“Dan kunnen we na het verkrijgen van uw financiering, in overleg spoedig een overdrachtsdatum vaststellen.”Dit voorstel is door [gedaagde] geaccepteerd.
5.14.
Onder deze omstandigheden mocht Tandartspraktijk [naam eiseres] gerechtvaardigd erop vertrouwen dat de overdrachtsdatum, die op dat moment nog niet was vastgesteld, niet een van de essentialia van de overeenkomst vormde. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ontbreken van een exacte overdrachtsdatum niet eraan in de weg staat dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen.
Geen verplichting tot vastlegging in KNMT-model of vereiste van schriftelijke vastlegging
5.15.
[gedaagde] heeft tot slot aangevoerd dat hij veronderstelde dat de overeenkomst pas definitief tot stand zou komen bij vastlegging van de afspraken in het KNMT-model en ondertekening daarvan door partijen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Voor het tot stand komen van een overeenkomst is niet vereist dat er overeenstemming is over alle uitvoerende aspecten en gezien de onder r.o. 5.2 geschetste maatstaf is ondertekening geen vereiste voor wilsovereenstemming. Partijen kunnen dit wel overeenkomen, maar niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] zijn veronderstelling met Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft gecommuniceerd, of dat hij ondertekening als voorwaarde heeft gesteld voor de totstandkoming van de overeenkomst. Tandartspraktijk [naam eiseres] mocht er daarom op vertrouwen dat de overeenkomst zonder schriftelijke vastlegging in het KNMT-model en ondertekening daarvan tot stand was gekomen.
Conclusie: tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen
5.16.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat op 13 februari 2025 tussen partijen een koopovereenkomst van de praktijk tot stand is gekomen tegen een verkoopprijs van € 1.080.000,-.
Partijen zijn ook een financieringsvoorbehoud overeengekomen
5.17.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt een financieringsvoorbehoud deel uit van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. [gedaagde] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit beding onderdeel van de overeenkomst uitmaakte. Dit blijkt uit de e-mailcorrespondentie tot en met 13 februari 2025 tussen partijen. Daaruit volgt dat partijen er bij het bereiken van overeenstemming van uitgingen dat [gedaagde] nog wel financiering voor de overnamesom moest aanvragen en verkrijgen en dat [gedaagde] in dat verband een voorbehoud wilde maken. [naam 2] schrijft in zijn e-mail van 13 februari 2025:
“Dan kunnen we na het verkrijgen van uw financiering, in overleg spoedig een overdrachtsdatum vaststellen”. [naam eiseres] schrijft vervolgens in zijn e-mail van 13 februari 2025:
“We zullen het voorlopige koopcontract opstellen, die waarschijnlijk mede nodig is voor de financieringsaanvraag”. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat in het verkoopmemorandum van de praktijk – dat aan [gedaagde] was uitgereikt – reeds was vermeld dat het voorlopig en definitief koopcontract conform het concept KNMT-modelovereenkomst is, waarin in artikel 11 een Pro standaard financieringsvoorbehoud is opgenomen.
5.18.
Door het financieringsvoorbehoud concreet in te vullen in de conceptovereenkomst en deze aan [gedaagde] toe te sturen, heeft Tandartspraktijk [naam eiseres] bovendien bevestigd dat ook volgens haar een financieringsvoorbehoud onderdeel van de overeenkomst was. Het feit dat de conceptovereenkomst niet is ondertekend en Tandartspraktijk [naam eiseres] later heeft verklaard het aanbod tot ondertekening van de conceptovereenkomst in te trekken, doet hier niet aan af.
5.19.
[gedaagde] stelt dat hij tijdig en correct een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud. Tandartspraktijk [naam eiseres] betwist dat en voert aan dat [gedaagde] zijn beroep op het financieringsvoorbehoud onvoldoende heeft gedocumenteerd en dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om de financiering rond te krijgen. Deze twee aspecten worden hierna ook wel de documentatieplicht en de inspanningsplicht genoemd.
De inhoud en reikwijdte van het financieringsvoorbehoud
5.20.
Om vast te stellen wat de omvang van deze twee verplichtingen is geweest, is nodig dat de inhoud van het financieringsvoorbehoud komt vast te staan. Partijen hebben het beding niet schriftelijk vastgelegd. Ook op dit punt komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank acht in dat verband van belang dat Tandartspraktijk [naam eiseres] haar praktijk te koop heeft gezet met een verwijzing in het verkoopmemorandum naar de KNMT-modelovereenkomst praktijkoverdracht. Gegeven het oordeel dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, ligt het voor de hand aan te sluiten bij de tekst van het financieringsvoorbehoud uit de KNMT-modelovereenkomst (zie productie 6 bij conclusie van antwoord).
5.21.
Artikel 11 uit Pro de KNMT-modelovereenkomst geeft de mogelijkheid van ontbinding als de koper binnen de afgesproken termijn aantoont geen financiering te kunnen krijgen. In deze procedure gaan beide partijen ervan uit dat [gedaagde] dit kan aantonen op de wijze zoals nader geconcretiseerd in de conceptovereenkomst die Tandartspraktijk [naam eiseres] had opgesteld. Daarin is vastgelegd dat indien [gedaagde] voor 1 mei 2025 onvoldoende financiering voor de koopprijs kan verkrijgen, zulks moet blijken uit ten minste twee aan Tandartspraktijk [naam eiseres] over te leggen schriftelijke afwijzingen van erkende geldverstrekkende bankinstellingen. Aan deze inhoud van het financieringsvoorbehoud zal de rechtbank toetsen.
Het juridisch kader
5.22.
Een financieringsvoorbehoud brengt volgens vaste rechtspraak met zich dat op de koper een inspanningsverplichting rust om de nodige activiteiten te ondernemen om de financiering te verkrijgen. Op de koper rust volgens die rechtspraak ook een documentatieplicht die inhoudt dat de verkoper zich aan de hand van die documentatie een beeld moet kunnen vormen of de koper terecht een beroep doet op het financieringsvoorbehoud en of dit beroep niet lichtvaardig wordt gedaan. Daarmee liggen de inspanningsverplichting en de vraag of de koper zijn ontbindingsmededeling goed heeft gedocumenteerd in elkaars verlengde.
5.23.
Het is aan [gedaagde] als koper om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen om de conclusie te kunnen trekken dat hij terecht en op goede gronden een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud, omdat hij zich beroept op het vervuld zijn van de ontbindende voorwaarde (artikel 150 Rv Pro).
[gedaagde] heeft aan zijn documentatieplicht voldaan
5.24.
Vast staat dat de advocaat van [gedaagde] op 28 maart 2025 namens [gedaagde] de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen en daarbij twee afwijzingen heeft overgelegd van respectievelijk ABN AMRO en ING. Niet in geschil is dat ABN AMRO en ING erkende geldverstrekkende bankinstellingen zijn en dat [gedaagde] binnen de daarvoor geldende termijn het financieringsvoorbehoud heeft ingeroepen. Tot slot staat tussen partijen kennelijk niet ter discussie dat een financieringsaanvraag op naam van de vennootschap van [gedaagde] niet in de weg staat aan het inroepen van het financieringsvoorbehoud.
5.25.
Uit de afwijzingsbrieven blijkt dat ABN AMRO en ING geen financiering wilden verstrekken, omdat de rente- en aflosverplichtingen die met de gevraagde financiering samenhangen volgens de normen van de banken te hoog zouden zijn. Tandartspraktijk [naam eiseres] betoogt nog dat [gedaagde] ook de aan de aanvraag ten grondslag liggende stukken diende te overleggen. Dat volgt echter niet uit de inhoud van het financieringsvoorbehoud, zoals de rechtbank dat hierboven heeft vastgesteld. Indien Tandartspraktijk [naam eiseres] meer documentatie, of een uitgebreidere onderbouwing had willen ontvangen, had het op haar weg gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst nadere eisen te stellen aan de voorwaarden waaronder het financieringsvoorbehoud mocht worden ingeroepen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] met het tijdig inroepen van het financieringsvoorbehoud en onder overlegging van de twee afwijzingsbrieven aan zijn documentatieplicht heeft voldaan.
[gedaagde] heeft ook aan zijn inspanningsverplichting voldaan
5.26.
Uit de afwijzingsbrieven van de banken volgt dat [gedaagde] financieringsaanvragen heeft ingediend bij twee banken en dat deze aanvragen na inhoudelijke beoordeling zijn afgewezen. Volgens de banken wijkt de waarde van de praktijk zodanig af van de gevraagde financiering, dat [gedaagde] de daarmee gepaard gaande rente- en aflosverplichtingen niet zal kunnen dragen. De brieven van de banken bieden naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunt voor het standpunt dat voor de beoordeling relevante informatie ontbrak. Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mails en whatsappberichten tussen [gedaagde] en die banken (productie 18 en 19) blijkt bovendien dat hij contact heeft gehad met bankmedewerkers en op verzoek van de betreffende bank de opgevraagde financiële stukken heeft toegestuurd. Door het overleggen van deze stukken heeft [gedaagde] voldoende inzicht gegeven in de stukken die aan de banken zijn verstrekt en bovendien blijkt daaruit dat het om reële aanvragen ging die om inhoudelijke redenen zijn afgewezen.
5.27.
Waar Tandartspraktijk [naam eiseres] nog suggereert dat [gedaagde] met opzet een ondeugdelijke financieringsaanvraag bij ING heeft ingediend, om daarmee vervolgens een afwijzing over te kunnen leggen in het kader van het financieringsvoorbehoud, gaat de rechtbank - gelet op het voorgaande - aan die stelling voorbij. Anders dan Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft betoogd, is dus van een situatie als bedoeld in artikel 6:23 lid 1 BW Pro geen sprake.
5.28.
Het enkele feit dat [gedaagde] twee e-mails met een nadere toelichting op de cijfers over 2024 van Tandartspraktijk [naam eiseres] van [naam 2] en van de heer [naam 4] niet heeft overgelegd aan de banken, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Niet zonder meer aannemelijk is dat de banken die informatie voor hun beoordeling noodzakelijk achtten of na ontvangst hiervan wel over zouden zijn gegaan tot verlening van de gevraagde financiering. Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft geen feiten gesteld die hierop een ander licht werpen.
5.29.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [gedaagde] aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.
Conclusie: [gedaagde] heeft een rechtsgeldig beroep op het financieringsvoorbehoud gedaan
5.30.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] een geldig beroep op het overeengekomen financieringsvoorbehoud heeft gedaan. Dat heeft als gevolg dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig op 28 maart 2025 heeft ontbonden.
Geen belang bij verklaring voor recht
5.31.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst door het rechtsgeldig inroepen van het financieringsvoorbehoud is ontbonden, ontbreekt voor Tandartspraktijk [naam eiseres] een rechtens te respecteren belang bij de verklaring voor recht dat die overeenkomst tot stand is gekomen.
De rechtbank komt niet toe aan de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen
5.32.
Aangezien de rechtbank van oordeel is dat tussen partijen de koopovereenkomst tot stand is gekomen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen. Tandartspraktijk [naam eiseres] heeft deze vorderingen immers ingesteld onder de voorwaarde dat de gestelde koopovereenkomst niet tot stand is gekomen.
De vorderingen van Tandartspraktijk [naam eiseres] worden afgewezen
5.33.
De slotsom luidt dat vorderingen van Tandartspraktijk [naam eiseres] zullen worden afgewezen.
5.34.
Tandartspraktijk [naam eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.782,00
5.35.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.36.
Een en ander wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals door [gedaagde] is gevorderd en waarop niet door Tandartspraktijk [naam eiseres] is gereageerd.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van Tandartspraktijk [naam eiseres] af,
6.2.
veroordeelt Tandartspraktijk [naam eiseres] in de proceskosten van € 9.782,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Tandartspraktijk [naam eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt Tandartspraktijk [naam eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. B.A. Cnossen en mr. P.A. Ellenbroek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. 3950/ 2334 /1980