ECLI:NL:RBROT:2026:1843

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714136 / JE RK 26-185
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BWLeerplichtwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gezagsbelasting voor aanmelding bij onderwijsinstelling in kader ondertoezichtstelling

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de kinderrechter om gedeeltelijke gezagsbelasting toe te kennen met betrekking tot de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling. Dit verzoek volgde op een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder.

De vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft, weigerde toestemming te geven voor inschrijving van het kind op een school in de woonplaats van de moeder, waardoor het kind sinds de plaatsing niet meer naar school kon. De moeder en de GI stelden dat het in het belang van het kind is dat zij onderwijs volgt dicht bij haar woonadres, wat stabiliteit en sociale contacten bevordert.

De kinderrechter oordeelde dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI gedeeltelijk het gezag krijgt over de aanmelding bij de onderwijsinstelling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter kent gedeeltelijke gezagsbelasting toe aan de gecertificeerde instelling voor de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714136 / JE RK 26-185
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 29 januari 2026 met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 20 januari 2026 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 april 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging verleend om [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder tot 16 april 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt op grond van artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te bepalen dat het gezag over [voornaam minderjarige] gedeeltelijk, voor zover het betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, wordt uitgeoefend door de GI en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tevens verzoekt de GI om te bevelen dat deze gedeeltelijke toekenning van het gezag zal worden aangetekend in het gezagsregister.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Al bij de zitting in januari 2026 gaf de vader aan geen toestemming te willen verlenen voor het uitschrijven van [voornaam minderjarige] bij haar school in [woonplaats 2] . De GI heeft aan de vader uitgelegd dat het niet in het belang van [voornaam minderjarige] is dat zij iedere dag vanuit [woonplaats 1] naar school gaat in [woonplaats 2] . De vader ziet dit anders en heeft voorgesteld om [voornaam minderjarige] zelf iedere dag naar school te brengen en op te halen. De GI vindt dit te belastend voor [voornaam minderjarige] .
4.2.
De moeder geeft ter zitting aan het eens te zijn met het verzoek van de GI. De moeder vindt het zeer spijtig dat [voornaam minderjarige] al sinds januari 2026 niet meer naar school kan gaan doordat de vader weigert zijn toestemming te verlenen. [voornaam minderjarige] verheugt zich erop om weer naar school te kunnen en daar met leeftijdsgenoten te kunnen spelen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a BW kan de kinderrechter bij de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
5.2.
[voornaam minderjarige] is vijf jaar oud en leerplichtig. Zij staat ingeschreven op een basisschool in [woonplaats 2] . Op 20 januari 2026 is zij voorlopig onder toezicht gesteld en middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder geplaatst in [woonplaats 1] . Doordat de vader geen toestemming geeft voor de inschrijving van [voornaam minderjarige] op een school in [woonplaats 1] , gaat zij sinds de plaatsing bij de moeder niet meer naar school. [voornaam minderjarige] heeft recht op onderwijs en in het kader van de Leerplichtwet zijn de ouders ook gehouden haar naar school te laten gaan. Onderwijs is ook belangrijk om [voornaam minderjarige] stabiliteit, structuur en sociale contacten te geven. In beginsel is het het meest in het belang van een jong kind dat het dicht bij het woonadres naar school kan, zodat het niet te ver hoeft te reizen en het (sociale) leven van het kind zich dicht bij huis kan afspelen. De vader heeft geen argumenten naar voren gebracht die dit voor [voornaam minderjarige] anders maken. Zij woont nu bij de moeder in [woonplaats 1] en elke schooldag tweemaal de afstand [woonplaats 1] - [woonplaats 2] afleggen is niet in het belang van een jong kind als [voornaam minderjarige] .
5.3.
Nu de vader met gezag geen toestemming geeft voor de inschrijving van [voornaam minderjarige] op een school in [woonplaats 1] , is de kinderrechter op basis van het voorgaande van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De kinderrechter zal daarom het verzoek toewijzen, zodat [voornaam minderjarige] kan worden aangemeld bij de beoogde school en hier zo snel mogelijk kan starten.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
belast de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, gedeeltelijk met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te weten tot 16 april 2026;
6.2.
bepaalt dat deze gedeeltelijke gezagsuitoefening wordt aangetekend in het gezagsregister;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.