ECLI:NL:RBROT:2026:1786

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714214 / JE RK 26-197
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met complexe gedragsproblematiek. De moeder voert verweer tegen de machtiging tot uithuisplaatsing, wenst een snellere terugkeer van de minderjarige naar huis en benadrukt haar verbeterde thuissituatie.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege de kwetsbare situatie van de minderjarige en de noodzaak van passende zorg. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, maar slechts voor vijf maanden in plaats van het gevraagde jaar, vanwege onduidelijkheid over de beschikbaarheid van een passende vervolgplek en lange wachtlijsten bij zorgaanbieders.

De kinderrechter benadrukt het belang van goede samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling om de zorg en begeleiding van de minderjarige te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt aangehouden tot 1 juli 2026, waarbij een rapportage over de stand van zaken wordt verlangd.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden vanwege de noodzaak van passende zorg en behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714214 / JE RK 26-197
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 januari 2026, ontvangen op 30 januari 2026;
- het bericht van de moeder, ingekomen bij de rechtbank op 9 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting, op een ander tijdstip, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was telefonisch aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf gehoord van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 januari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 15 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar is een lange tijd en de GI is zich daarvan bewust. Momenteel is het echter nog niet mogelijk om [minderjarige] volledig thuis te laten wonen, omdat dit de relatie van de moeder en [minderjarige] te veel onder druk zet. De complexiteit van het gedrag van [minderjarige] vraagt om veel aandacht en er is sprake van een kwetsbare situatie. De moeder heeft daarnaast nog een ander kind thuis wonen die haar aandacht vraagt. De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk de meest passende zorg en hulpverlening krijgt, en meldt hem daarom aan bij verschillende zorgorganisaties. De GI is op zoek naar een behandelgroep of een dagbesteding die bij [minderjarige] past. De GI vindt het belangrijk dat de moeder zich ook kan vinden in een eventuele vervolgplek voor [minderjarige] . Echter heeft de moeder een sterke eigen mening en wil zij hulpverlening inzetten op haar eigen manier. De GI ziet dat de moeder overvraagd wordt in de opvoeding van [minderjarige] en vindt het daarom belangrijk om als onafhankelijk persoon zaken uit handen van de moeder te kunnen nemen. De GI wil graag een passende plek vinden voor [minderjarige] en dat is mogelijk niet bij een zorginstelling die de moeder het liefst zou willen. Momenteel is [minderjarige] aangemeld bij Erasmus, de voorkeur van de moeder; de wachtlijsten zijn daar echter heel lang en een opname kan tien maanden tot aan een jaar duren. Bij Yulius zijn de wachtlijsten naar verwachting minder lang. Het belang van [minderjarige] moet hierin leidend zijn. De GI hoopt dat de samenwerking met de moeder de komende periode verbetert, en weer wordt zoals eerst. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder en de GI goed contact hebben, zodat belangrijke zaken kunnen worden afgestemd.
4.2.
Door de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. De moeder voert wel verweer tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder is per 31 januari 2026 gestopt met het werken van nachtdiensten en kan naar verwachting in augustus beginnen met haar nieuwe opleiding. De moeder start binnenkort met een nieuwe baan waardoor zij niet langer nachtdiensten hoeft te werken. De moeder vindt het belangrijk dat de vervolgstappen in de begeleiding van [minderjarige] duidelijk zijn, wat gaat er gebeuren en wanneer komt [minderjarige] naar huis. De moeder vraagt zich ook af waar de miscommunicatie met de GI vandaan komt. De moeder voelt zich onzichtbaar in de grote menigte aan hulpverleners en professionals en wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk thuisgeplaatst wordt. De moeder kan [minderjarige] begeleiden en dit is ook mogelijk vanuit huis. [minderjarige] verblijft nu ook al meerdere dagen thuis. Inzet van dagbehandeling zou naar de mening van de moeder in het belang zijn van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog onveranderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbare jongen met complexe problematiek. Inmiddels is [minderjarige] door NeuroScan gediagnosticeerd met een Disruptieve Stemmingsdisregulatiestoornis en behandeling hiervoor is nog onvoldoende van de grond gekomen. De wachttijden bij verschillende zorgaanbieders zijn helaas lang. Het is belangrijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk de meest passende zorg krijgt zodat hij zich verder kan gaan ontwikkelen. De betrokkenheid van de GI in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom nog steeds noodzakelijk om de regie te voeren, de hulpverlening in te zetten die in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , als onweersproken, voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De afgelopen periode heeft [minderjarige] meer tijd bij de moeder doorgebracht doordat hij veel leerbaarheid liet zien. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] weer volledig bij haar thuis komt wonen. Hoewel sprake is van een positieve vooruitgang in de opvoedsituatie van [minderjarige] , is het momenteel echter nog te vroeg om [minderjarige] weer volledig thuis te laten wonen. [minderjarige] is gebaat bij structuur, begeleiding en ondersteuning en een te vroege thuisplaatsing bij de moeder vergroot het risico op een disbalans bij [minderjarige] , waardoor hij overspoeld raakt en zijn gedrag kan escaleren. Datgene wat nu bereikt is zou dan verloren gaan. Het is belangrijk dat [minderjarige] eerst de noodzakelijke specialistische behandeling ondergaat om te leren om zijn gedrag beter te reguleren. Ter zitting is gebleken dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de invulling van een vervolgplek voor [minderjarige] . De kinderrechter beschikt niet over het rapport van NeuroScan maar uit hetgeen is opgenomen in het verzoek van de GI kan de benodigde behandeling van [minderjarige] plaatsvinden in de vorm van (de door de moeder gewenste) dagbehandeling en/of (de door de GI aangegeven) opname op een behandelgroep. De GI heeft [minderjarige] daarom bij verschillende zorgorganisaties aangemeld maar onduidelijk is wanneer een plaatsing gerealiseerd kan worden, nu er sprake is van lange wachtlijsten. De kinderrechter is daarom van oordeel dat zij op dit moment over onvoldoende informatie beschikt om een gedegen beslissing te kunnen nemen over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van vijf maanden. De beslissing op het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum. Een uithuisplaatsing is op basis van de wet immers een uiterste maatregel.
5.5.
De kinderrechter heeft ter zitting aangegeven dat het voor de komende periode van groot belang is dat er aandacht is voor de samenwerking tussen de moeder en de GI. Het is belangrijk dat de moeder en de GI in staat zijn om - in overleg - een passende vervolgplek voor [minderjarige] te realiseren en afspraken te maken over de begeleiding en sturing van [minderjarige] . Het is voor zowel [minderjarige] als de moeder noodzakelijk dat er de komende periode meer duidelijkheid en stabiliteit komt. De GI wil net als de moeder dat het goed gaat met [minderjarige] . Het is overduidelijk dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en het beste wil voor hem, maar door het bemoeilijken van de samenwerking met de jeugdbeschermer, wordt het belang van [minderjarige] niet gediend. De kinderrechter roept de moeder en de GI op om de samenwerking met elkaar weer aan te gaan en zich in te zetten in het hulpverleningstraject.
5.6.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk
twee wekenvoor de hierna te noemen pro forma datum aan de rechtbank een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder) omtrent de dan huidige stand van zaken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 15 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 juli 2026 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de GI, de moeder en [minderjarige] op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de GIuiterlijk twee wekenvoor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de moeder) de onder 5.6 verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.