ECLI:NL:RBROT:2026:1673

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
26/1141
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:7 AwbArt. 22 PaspoortwetArt. 44 PaspoortwetArt. 45 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing paspoortsignalering wegens onderhoudsachterstand

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de paspoortsignalering op te heffen die door het LBIO was ingesteld vanwege een grote betalingsachterstand in de onderhoudsbijdrage. De signalering leidde ertoe dat zijn paspoort bij binnenkomst in Nederland werd ingehouden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor paspoortsignalering is voldaan: verzoeker is nalatig in het nakomen van zijn onderhoudsverplichting en er bestaat een gegrond vermoeden dat hij zich onttrekt aan invordering door verblijf buiten Nederland. Verzoeker heeft geen betalingsvoorstel gedaan en verstrekte onvoldoende informatie over zijn woon- en gezinssituatie.

Hoewel het voor verzoeker belastend is dat hij zijn paspoort niet kan gebruiken, is het besluit niet disproportioneel. Het verzoek om de voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een eventuele bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om opheffing van de paspoortsignalering wordt afgewezen vanwege de grote onderhoudsachterstand en onduidelijkheid over de persoonlijke situatie van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1141

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

en

de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, het LBIO

(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

Verzoekers paspoort is bij inreis in Nederland ingehouden door de Koninklijke Marechaussee vanwege een paspoortsignalering op verzoek van het LBIO. Verzoeker wil dat het LBIO ervoor zorgt dat de signalering wordt opgeheven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor paspoortsignalering. Er is (nog steeds) onduidelijkheid over verzoekers persoonlijke situatie. Verzoeker heeft ook geen betalingsvoorstel gedaan aan het LBIO. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft het LBIO verzocht om de signalering van zijn paspoort op te heffen. LBIO heeft dit verzoek met het bestreden besluit van 27 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank Oost-Brabant heeft het verzoek doorgestuurd naar de rechtbank Rotterdam, omdat verzoeker geen woonplaats in Nederland heeft en het LBIO in Rotterdam is gevestigd. [1]
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het LBIO. Ook was op de zitting aanwezig [naam 2] (hierna: [naam 2]).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat ging aan de besluitvorming van het LBIO vooraf?
3. Bij beschikking van 10 augustus 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bepaald dat verzoeker vanaf 11 juni 2011 een bedrag van € 455,85 per maand moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige [naam 3] (geboren op [geboortedatum] 2007), te betalen aan [naam 2]. Volgens het LBIO bedraagt de betalingsachterstand van verzoeker inmiddels ruim € 98.000,-. Het LBIO helpt [naam 2] om de achterstallige alimentatie te innen.
4. Het LBIO heeft op 2 december 2025 besloten de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) te verzoeken verzoekers paspoort te laten signaleren vanwege de hoogte van de betalingsachterstand.
5. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de minister van BZK op 4 december 2025 verzoekers persoonsgegevens opgenomen in het Register paspoortsignaleringen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens.
6. Verzoeker is op 21 december 2025 naar Nederland gereisd. Zijn paspoort is toen als gevolg van de signalering ingehouden door de Koninklijke Marechaussee.
Waar gaat het in deze zaak om?
7. Verzoeker heeft het LBIO verzocht ervoor te zorgen dat de paspoortsignalering wordt opgeheven. Het LBIO heeft dit verzoek met het bestreden besluit afgewezen. [2] Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening met name bereiken dat de paspoortsignalering wordt opgeheven en dat zijn paspoort aan hem wordt teruggegeven.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
8. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
9. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen in behandeling worden genomen als aangenomen moet worden dat de betrokkene niet kan wachten op de beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
10. Verzoeker heeft gesteld dat hij Nederland in december 2023 heeft verlaten, dat hij een bedrijf in de Verenigde Staten heeft, dat hij de Verenigde Staten wegens visumproblemen heeft verlaten en sinds september 2025 op Curaçao woont. Verder heeft verzoeker gesteld dat zijn verblijf in Nederland van tijdelijke aard is en dat hij zijn paspoort nodig heeft om weer naar Curaçao te reizen. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Was het LBIO bevoegd om een verzoek tot signalering te doen?
11. Het LBIO mag een verzoek tot paspoortsignalering doen als is voldaan aan twee voorwaarden: (1) de persoon om wie het gaat moet nalatig zijn in het nakomen van een door de rechter vastgestelde onderhoudsverplichting, en (2) er is een gegrond vermoeden dat deze persoon zich zal onttrekken aan de wettelijke invorderingsmogelijkheden door een verblijf buiten de grenzen van de landen van het Koninkrijk. [3] Het LBIO moet dus toetsen of aan deze twee voorwaarden is voldaan. Daarbij is van belang dat een paspoortsignalering slechts als uiterst middel mag worden ingezet. Er mogen dus geen andere mogelijkheden (meer) zijn om iemand tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen. [4]
12. Verzoeker heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch is niet een voldoende grondslag om de onderhoudsplicht uit af te leiden. Het LBIO had in de basisregistratie personen (brp) moeten kijken. Verzoeker heeft een afschrift uit de brp van 8 januari 2026 overgelegd. Hieruit blijkt dat verzoeker sinds zijn vertrek uit Nederland is opgenomen in het register voor niet-ingezetenen. Op dit afschrift staan drie kinderen vermeld, maar niet [naam 3]. Uit de brp blijkt dus niet dat sprake is van een ouder-kindrelatie, aldus verzoeker. Volgens verzoeker was het LBIO daarom niet bevoegd om zijn paspoort te laten signaleren. Volgens verzoeker is het besluit van het LBIO disproportioneel. Het is voor hem zeer belastend dat hij niet over zijn paspoort kan beschikken en hij lijdt daardoor schade.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat de onderhoudsplicht blijkt uit de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Verzoeker heeft de door het LBIO gestelde achterstand in de betaling van de onderhoudsbijdrage niet betwist. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat is voldaan aan de eerste voorwaarde voor paspoortsignalering. De omstandigheid dat [naam 3] niet op het door verzoeker overgelegde afschrift uit de brp staat, maakt dat niet anders. Het LBIO baseert zich terecht op de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Verzoeker heeft de rechtsgeldigheid van deze beschikking niet betwist. Ook is niet gesteld of gebleken dat verzoeker zich tot de civiele rechter heeft gewend om de onderhoudsverplichting te laten aanpassen of beëindigen.
14. Overigens heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat de onderhoudsplicht is opgelegd zonder dat er een ouder-kindrelatie bestaat tussen verzoeker en [naam 3]. Daarbij is het volgende van belang. Het LBIO heeft gesteld dat verzoeker in de brp wel degelijk als ouder van [naam 3] is geregistreerd, wat volgens de gemachtigde van het LBIO nog de dag voor de zitting is geconstateerd. Volgens het LBIO is verzoeker door erkenning de juridische vader van [naam 3] geworden, nadat [naam 4] een procedure tot ontkenning van het vaderschap had gevoerd, wat ook volgt uit het door verzoeker overgelegde uittreksel uit het Gezagsregister. De voorzieningenrechter heeft verzoeker om een reactie gevraagd op de stellingen van het LBIO over diens vaderschap van [naam 3]. Verzoeker heeft daarop die stellingen van het LBIO niet betwist.
15. Ook aan de tweede voorwaarde is naar voorlopig oordeel voldaan. Verzoeker woont sinds september 2023 niet meer in Nederland. Hij heeft in de Verenigde Staten verbleven en hij heeft daar een bedrijf. Onder deze omstandigheden, en mede gelet op de grote achterstand in het nakomen van de onderhoudsverplichting, heeft het LBIO zich op het standpunt mogen stellen dat er een gegrond vermoeden bestaat dat verzoeker zich zal onttrekken aan de wettelijke invorderingsmogelijkheden door een verblijf buiten de grenzen van de landen van het Koninkrijk. Verzoeker zou inmiddels met zijn gezin op Curaçao wonen, maar hij staat daar (nog) niet ingeschreven, zo is ter zitting gebleken. Er is dus nog steeds onduidelijkheid over zijn woonsituatie.
16. Het LBIO heeft tijdens de zitting verklaard dat er vele pogingen zijn gedaan om de onderhoudsbijdrage te innen toen verzoeker nog in Nederland woonde. Zo is er een deurwaarder ingeschakeld en heeft het LBIO beslag proberen te leggen. Verzoeker heeft tijdens de zitting erkend dat het LBIO pogingen heeft ondernomen om de onderhoudsbijdrage te innen en niet heeft stilgezeten. Mede gelet op de grote achterstand van verzoeker in het nakomen van zijn onderhoudsverplichting, acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat er voor het LBIO geen andere mogelijkheden (meer) waren om verzoeker tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen.
17. Hoewel de voorzieningenrechter aanneemt dat het voor verzoeker zeer belastend is dat hij niet kan beschikken over zijn paspoort, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de weigering om de signalering op te heffen, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierbij is van belang dat het LBIO op 16 januari 2026 een brief heeft gestuurd naar verzoeker met een verzoek om openheid van zaken te geven over zijn woon- en gezinssituatie, zijn verblijf in Nederland en zijn financiële situatie. [5] Ook heeft het LBIO gevraagd om een concreet betalingsvoorstel te doen. Verzoeker heeft de gevraagde informatie niet verstrekt en heeft ook geen betalingsvoorstel gedaan. Deze opstelling van verzoeker komt voor zijn eigen rekening en risico.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het LBIO de minister van BZK niet hoeft te verzoeken de paspoortsignalering op te heffen. Omdat het belangrijkste verzoek van verzoeker wordt afgewezen, bestaat er geen aanleiding om aan de overige verzoeken tegemoet te komen (zoals het verzoek om een dwangsom op te leggen of het verzoek een voorschot op een schadevergoeding toe te kennen). Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
2.Dit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1436.
3.Artikel 22, aanhef en onder d, van de Paspoortwet.
4.Kamerstukken II, 1987/88, 20 393, nr. 3, p. 44.
5.Zie de artikelen 44 en 45 van de Paspoortwet over de gelegenheid om tot overeenstemming te komen met de verzoekende instantie, in dit geval het LBIO. Zie hierover ook de in voetnoot 2 genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.