Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 29 januari 2025, met bijlagen;
- het antwoord met eis in reconventie, met bijlagen;
- de akte van [gedaagde] van 6 november 2025, met bijlagen;
- het antwoord in reconventie, met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
Partijen sloten op 21 november 2014 een notariële schuldbekentenis waarin gedaagde verklaarde € 12.000,- te hebben geleend van eiser, met maandelijkse aflossingen van € 100,- vanaf januari 2015 tegen 6% contractuele rente. Gedaagde betaalde niet terug en stelde dat de akte een schijnhandeling was voor verlenging van zijn verblijfsvergunning en dat hij geen geld had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de akte dwingend bewijs levert van de lening en dat gedaagde onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd. Het beroep op vernietiging wegens wilsgebreken faalde omdat de inhoud van de akte leidend is. Wel werd een deel van de vordering verjaard verklaard omdat eiser pas in maart 2024 voor het eerst sommeerde, waardoor termijnen van januari 2015 tot februari 2019 niet meer opeisbaar zijn.
De contractuele rente werd afgewezen wegens onduidelijkheid over de berekening en periode, maar de wettelijke rente werd toegewezen vanaf 1 maart 2019. Incassokosten werden afgewezen omdat niet is gebleken dat een geldige veertiendagenbrief is verzonden. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 7.000,- plus wettelijke rente en proceskosten van € 2.036,04. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 7.000,- met wettelijke rente vanaf 1 maart 2019, proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.