ECLI:NL:RBROT:2026:1658

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712802 / JE RK 26-8
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds augustus 2025 onder toezicht staat en uit huis is geplaatst. De minderjarige verblijft bij een jeugdhulpaanbieder met één-op-één begeleiding, wat heeft geleid tot meer stabiliteit en minder crisissituaties.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd vastgesteld dat de minderjarige moeilijk te motiveren is voor school en regelmatig blowt. De instelling zoekt naar een passende vervolgplek na zijn achttiende verjaardag, mogelijk met aanvullende diagnostiek. De moeder voerde geen verweer en erkende de noodzaak van hulp voor de boosheid van haar zoon.

De kinderrechter oordeelde dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De beschikking is op 5 februari 2026 uitgesproken en op 13 februari 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 augustus 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712802 / JE RK 26-8
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De kinderrechter heeft [minderjarige] opnieuw naar binnen geroepen bij de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling].
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. [minderjarige] is een hele intelligente jongen. Het is echter lastig om hem te motiveren voor school. Ook de één-op-één begeleider van [minderjarige] lukt het niet om hem hiervoor te motiveren. Het helpt niet om heel hard aan [minderjarige] te trekken, het is belangrijk om op zijn tempo mee te bewegen. De komende periode gaat de GI zoeken naar een perspectiefplek waar [minderjarige] ook na zijn achttiende kan blijven, bijvoorbeeld beschermd wonen. Het kan zijn dat hiervoor het doen van aanvullende diagnostiek nodig is. [minderjarige] staat hier sceptisch tegenover, omdat hij niet in een hokje geplaatst wil worden. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is de afgelopen periode positief ontwikkelt. De komende periode zal worden gezocht naar een externe partij om het contactherstel verder uit te breiden en te verstevigen. Hierbij zal het contact tussen [minderjarige] en zijn broertje ook worden meegenomen.
4.2.
De moeder heeft ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Het gaat nog niet zo goed met [minderjarige] als de moeder zou willen. Het lijkt alsof [minderjarige] nergens voor te motiveren is en dat baart de moeder zorgen. Het zou fijn zijn als [minderjarige] hulp krijgt voor zijn boosheid. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] nog steeds een woonplek heeft na zijn achttiende.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] verblijft al langere tijd bij [naam instelling], in eerste instantie op vrijwillige basis en sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken met een machtiging tot uithuisplaatsing. Bij [naam instelling] heeft [minderjarige] één-op-één begeleiding, wat heeft gezorgd voor meer stabiliteit en minder crisissituaties. Desondanks zijn er nog steeds zorgen over [minderjarige] zijn ontwikkeling. Hij blowt regelmatig, er is sprake van een hoog schoolverzuim en hij is moeilijk te motiveren. Alle belanghebbenden en [minderjarige] zelf, zijn het erover eens dat [minderjarige] voor nu op de juiste plek zit. Echter nadert [minderjarige] zijn achttiende verjaardag en moet daarvoor een passende vervolgplek voor hem worden gevonden. Om goed in kaart te brengen waarbij [minderjarige] ondersteuning nodig heeft, kan aanvullende diagnostiek belangrijk zijn. De komende periode is het belangrijk dat [minderjarige] gemotiveerd wordt om hieraan mee te werken en zijn schoolgang te verbeteren. In de tussentijd is het van belang dat de huidige plaatsing wordt voortgezet.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.