De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West om de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De minderjarige verblijft momenteel bij de tante moederszijde, maar de relatie tussen de moeder en de tante is verstoord, wat spanningen binnen de familie veroorzaakt. De GI overweegt een neutrale pleegplaatsing als de situatie niet verbetert.
De moeder verzet zich primair tegen verlenging en verzoekt subsidiair om een kortere verlenging van één maand. Zij erkent haar verslavingsproblematiek en werkt mee aan hulpverlening. De vader sluit zich aan bij de moeder en wil dat de plaatsing binnen het netwerk blijft, eventueel bij zijn kant van de familie.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Hoewel de moeder binnenkort intensieve hulpverlening start, is het nog te vroeg voor terugplaatsing. De GI moet de situatie bij de tante monitoren en zo nodig een andere plek zoeken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verlengd tot 22 april 2026.