ECLI:NL:RBROT:2026:1654

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/713214 / KG ZA 26-32
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611d lid 1 RvArt. 611d lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing executieverkoop en dwangsomveroordeling in executiegeschil over oplevering bedrijfsunit

In deze derde kortgedingprocedure tussen [persoon A] en Microdose NL Holding B.V. staat centraal of [persoon A] dwangsommen heeft verbeurd wegens niet-nakoming van werkzaamheden aan een bedrijfsunit. Microdose heeft aannemelijk gemaakt dat dwangsommen zijn verbeurd, maar onvoldoende concreet welke werkzaamheden nog moeten worden verricht.

De rechtbank oordeelt dat hoewel [persoon A] dwangsommen heeft verbeurd, de executie van de dwangsomveroordeling en de voorgenomen executieverkoop van zijn auto geschorst worden. Dit onder de voorwaarde dat [persoon A] binnen vier weken na betekening van het vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt om de mate van verbeurde dwangsommen vast te stellen.

De procedure kent een lange voorgeschiedenis met eerdere vonnissen waarin [persoon A] werd veroordeeld tot het verrichten van diverse brandveiligheidsmaatregelen aan de bedrijfsunit. Er is discussie over de uitvoering en de kwaliteit van de werkzaamheden, waaronder het gebruik van andere brandwerende platen dan voorgeschreven. Microdose heeft executoriaal beslag gelegd op de auto van [persoon A] wegens vermeende dwangsommen.

De voorzieningenrechter weegt de belangen en constateert dat Microdose onvoldoende concreet heeft gemaakt welke werkzaamheden nog openstaan. Ook is de relatie tussen partijen gespannen, wat een nieuwe executiegeschil kan veroorzaken. Daarom wordt de executie geschorst totdat in een bodemprocedure duidelijkheid is verkregen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Executieverkoop en dwangsomveroordeling geschorst onder voorwaarde dat eiser binnen vier weken bodemprocedure start.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713214 / KG ZA 26-32
Vonnis in kort geding van 19 februari 2026
in de zaak van
[persoon A],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. R.P.L.H. Burger,
tegen
MICRODOSE NL HOLDING B.V.,
gevestigd te Brielle,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Microdose,
advocaat: mr. S.W. Hu.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak, het derde kort geding tussen partijen, is de vraag aan de orde of [persoon A] dwangsommen heeft verbeurd. Microdose heeft aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Een belangenafweging leidt echter toch tot een schorsing van de voorgenomen executieverkoop van de auto en schorsing van de dwangsomveroordeling uit het tweede kort geding vonnis onder de voorwaarde dat [persoon A] binnen vier weken na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt. Een aanvullende dwangsom, zoals gevorderd in reconventie, wordt niet toegewezen, omdat Microdose onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden er nog verricht moeten worden.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 januari 2026, met producties 1 tot en met 17;
- producties 1 tot en met 4 van Microdose;
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie, met producties 5 tot en met 7;
- de pleitnota van [persoon A] ;
- de pleitnota van Microdose.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
[persoon A] en Microdose hebben in oktober 2022 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een unit in een bedrijfspand (unit 3, gelegen aan [adres] te [plaats] ). De unit is bij notariële akte van 12 december 2022 aan Microdose geleverd. Microdose heeft de unit op 17 maart 2023 in gebruik genomen. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de definitieve oplevering van de unit, omdat er volgens Microdose nog diverse werkzaamheden aan het pand moesten plaatsvinden, zodat het pand zou voldoen aan de koopovereenkomst en de geldende vergunnings- en veiligheidsvereisten. Microdose heeft [persoon A] in een kortgedingprocedure betrokken. Deze procedure heeft geleid tot het vonnis van 1 juli 2024, waarin [persoon A] is veroordeeld om diverse werkzaamheden aan het pand te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
In het rapport Brandveiligheid van Bureau Veldweg (de deskundige van [persoon A] ) en Witlox (de deskundige van Microdose) van 9 april 2025 (hierna: het Rapport) staat onder andere het volgende:
“Nog te nemen maatregelen:
*5 Houten dakliggers voerend over de brandscheiding met aangrenzende brandcompartimenten 4 en 5 nader (zie plattegrond 1e bijlage) dienen op basis van Eurocode (met in acht name inbranddiepte) een brandwerendheid van 30 minuten te behalen. Op basis van voornoemde praktijkgids kunnen deze de vereiste brandwerendheid behalen als de belastinggraad niet hoger is dan 0,2. Gezien de lage dak belasting is aannemelijk dat dit wordt behaald. Als aanvullende veiligheid de dakliggers over een lengte van 20cm aan weerszijde van de brandscheiding bekleden met onder uitgangspunten genoemde Promatect-H beplating.
*6 Gezien de onbeschermde stalen dakspanten van aangrenzende bedrijfsunit(s) brandcompartiment 2 gefixeerd onderdeel uitmaken van kolom brandscheiding dienen deze brandwerend worden beschermd conform bouwkundige tekeningen vergunning of nader worden aangetoond dat deze onbeschermd een brandwerendheid van tenminste 30 minuten bezitten uitgaande van de buitengewone belastingcombinaties bij brand conform NEN8700.
(..)
*8 De houten dakliggers voerend over de brandscheiding dienen, aansluitend aan brandwerende bescherming dakspant, aan weerszijde brandwerend te worden afgetimmerd met 12mm Promatect-H met een breedte van tenminste 50mm. De naden tussen de brandwerende betimmering dak-balken moeten met brandwerende kit, aan weerzijde scheiding, afgedicht worden Hieraan wordt voldaan gezien aanvullende maatregelen van 20cm bekleden onder *5 genoemd;
(..)
*10 Tegen de gevelbeplating op de verdieping dient over een afstand van 50cm vanaf de brandscheiding een Promatect-H 12mm plaat, aan weerszijde van de scheiding, te worden voorzien.”
3.3.
Na het eerste kortgedingvonnis is opnieuw discussie ontstaan over de vraag of, en, zo ja, welke werkzaamheden nog verricht moesten worden. Dit heeft tot een tweede kort geding geleid. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in het vonnis van 30 juni 2025 (hierna: het Vonnis) het volgende overwogen en geoordeeld:
“4.3. (..) In zijn pleidooi op 21 februari 2025 heeft [persoon A] aangegeven bereid te zijn om de brandafscheidingswand op de begane grond en eerste verdieping in unit 3 en de zichtbare kolommen in unit 3 met een stuclaag af te werken en de zichtbare kolommen te schilderen. Indien en voor zover tijdens dat werk leidingen en/of het ventilatiekanaal van het toilet en/of stopcontacten worden losgehaald, worden deze teruggeplaatst. (..)

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [persoon A] om aan Microdose een dwangsom van € 2.500.- te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden om een trapleuning en balustrade te realiseren op de trap/rondom het trapgat op de verdieping, om de twee grote gevelkozijnen aan de voorzijde, de multiplex zijdeur en de houten kozijnen van de deur en bovenlicht te vervangen, ventilatievoorzieningen aan te brengen en een houten toegangsdeur met glaspanelen te plaatsen in de voorgevelzijde, één en ander uitgevoerd conform de rapporten van [persoon B] van 27 mei 2024 en 3 februari 2025, na 1 november 2025 niet zijn voltooid, met een maximum van € 75.000,-,
5.2.
veroordeelt [persoon A] tot het verrichten van alle werkzaamheden in en aan unit 3 van de bedrijfsruimte, zoals omschreven onder 'nog te nemen maatregelen' in het rapport van de deskundigen van beide partijen van 9 april 2025,
5.3.
veroordeelt [persoon A] om aan Microdose een dwangsom van € 2.500,- te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden in 5.2. van dit vonnis na 1 november 2025 niet zijn voltooid, met een maximum van € 75.000,-,
(..)
in reconventie
5.6.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 juli 2024 met kenmerk C/10/679842 / KG ZA 24-498 ten aanzien van de daarin opgenomen dwangsomveroordeling (en de daaruit voortvloeiende vermeend verbeurde dwangsommen),(..)”
3.4.
Microdose heeft het Vonnis op 4 december 2025 aan [persoon A] laten betekenen.
3.5.
Bij exploot van 9 december 2025 heeft Microdose aangezegd dat zij aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen over de periode 5 december 2025 tot en met 8 december 2025 voor een bedrag van € 10.000,-.
3.6.
Microdose heeft op 9 december 2025 executoriaal beslag laten leggen op de auto van [persoon A] , een Porsche Cayenne E-hybrid, met kenteken [kentekennummer] . Het beslag is op 12 december 2025 overbetekend aan [persoon A] .

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[persoon A] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
het op 12 december 2025 gelegde executoriaal beslag op de auto, merk Porsche, type Cayenne E-hybrid met kenteken [kentekennummer] , op te heffen;
de op 30 juni 2025 opgelegde dwangsom op te heffen, althans te verminderen tot nihil, althans meer subsidiair, de executie van het vonnis van 30 juni 2025 te schorsen voor zover het de dwangsom betreft en te bepalen dat deze schorsing zal voortduren tot dat in een onherroepelijk geworden uitspraak in een nog te entameren bodemprocedure tussen [persoon A] en Microdose is vastgesteld dat [persoon A] enig bedrag aan dwangsommen heeft verbeurd wegens niet nakoming van de in het vonnis van 30 juni 2025 aan hem opgedragen verplichtingen dan wel totdat partijen daarover minnelijke afspraken hebben gemaakt;
Microdose te bevelen, om de verdere executie van de dwangsommen die [persoon A] aan Microdose zou hebben verbeurd door overtreding van het vonnis van 30 juni 2025 te staken en gestaakt te houden;
Microdose te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
Microdose voert verweer. Microdose concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
Microdose vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
om aan Microdose een dwangsom van € 3.500,00 te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden ten aanzien van de twee grote gevelkozijnen aan de voorzijde, de multiplex zijdeur en de houten kozijnen van de deur en bovenlicht, ventilatievoorzieningen en een houten toegangsdeur met glaspanelen te plaatsen in de voorgevelzijde, één en ander nader uitgevoerd conform de rapporten van [persoon B] van 27 mei 2024, 3 februari 2025 en 13 januari 2026 en volgens de normale eisen van goed en deugdelijk werk binnen vier weken na betekening van dit vonnis niet zijn voltooid, met een maximum van € 105.000,00;
om aan Microdose een dwangsom van € 3.500,00 te betalen voor iedere dag dat niet alle werkzaamheden in en aan unit 3 van de bedrijfsruimte zijn verricht, zoals omschreven onder ‘nog te nemen maatregelen’ in het rapport van de deskundigen van beide partijen van 9 april 2025 en in het rapport van [persoon B] van 13 januari 2026 en van Witlox van 3 november 2025 en volgens de normale eisen van goed en deugdelijk werk binnen vier weken na betekening van dit vonnis niet zijn voltooid met een maximum van € 105.000,00;
om aan Microdose een dwangsom van € 2.500,00 te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden beschreven in r.o. 4.3 van het vonnis in kort geding van 30 juni 2025 niet zijn voltooid binnen vier weken na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 75.000,00;
[persoon A] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.
4.4.
[persoon A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Microdose.

5.De beoordeling

in conventie
[persoon A] is ontvankelijk in zijn vorderingen
5.1.
Allereerst geldt dat Microdose geen gronden heeft gesteld waaruit volgt dat [persoon A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Het (niet-onderbouwde) ontvankelijkheidsverweer van Microdose wordt daarom verworpen.
Naar voorlopig oordeel heeft [persoon A] dwangsommen verbeurd
5.2.
[persoon A] stelt dat hij binnen de in het vonnis gestelde termijn heeft voldaan aan de veroordelingen uit het vonnis van 30 juni 2025. Hij heeft alle werkzaamheden laten uitvoeren door zijn aannemer. Daar waar [persoon A] te laat was met het uitvoeren van de werkzaamheden, kon dit niet aan hem worden toegerekend, omdat sprake was van een fout van een toeleverancier van de aannemer. Microdose betwist dat [persoon A] alle werkzaamheden heeft uitgevoerd waartoe hij is veroordeeld. Omdat [persoon A] niet heeft voldaan aan de veroordelingen uit het vonnis, heeft hij het maximum aan dwangsommen verbeurd.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [persoon A] ter zitting heeft erkend dat zijn beroep op opheffing of opschorting van de dwangsomveroordeling vanwege de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen (artikel 611d lid 1 Rv) slechts toekomstgericht kan zijn. Uit artikel 611d lid 2 Rv volgt immers dat een eenmaal verbeurde dwangsom (voor het hele bedrag) verbeurd blijft.
5.4.
Naar voorlopig oordeel heeft [persoon A] dwangsommen verbeurd. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.4.1.
[persoon A] is in het Vonnis veroordeeld tot het verrichten van de in het Rapport beschreven maatregelen in en aan de bedrijfsruimte van Microdose. In het Vonnis is in r.o. 4.5 overwogen dat “
voor zover dat betekent dat er werkzaamheden moeten worden verricht aan onderdelen aan de unit die grenzen aan andere units, is het in beginsel aan [persoon A] om zonodig toegang te verkrijgen tot de andere units om die werkzaamheden te kunnen uitvoeren.” [persoon A] stelt enerzijds dat hij geen werkzaamheden hoeft te laten verrichten aan de belendende panden van de bedrijfsruimte, omdat deze werkzaamheden volgens het vonnis geen onderdeel uitmaken van de gebrekenlijst en anderzijds dat onder andere de eigenaar van unit 2 ten behoeve van de brandwerende bescherming van de staalconstructie richting deze unit geen toestemming heeft gegeven voor een aanvullende inspectie en dat dit nog een openstaande discussie is. Microdose betwist dat de eigenaar van unit 2 de toegang heeft geweigerd en legt ter onderbouwing WhatsApp berichten over van de eigenaren van andere units waaruit blijkt dat [persoon A] hen niet heeft benaderd voor het verrichten van werkzaamheden. Bovendien gaat het volgens Microdose niet om een inspectie, maar om het treffen van maatregel 6 uit het Rapport. Er is volgens Microdose geen sprake van overmacht aan de zijde van [persoon A] .
5.4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de werkzaamheden ten aanzien van de brandscheiding wel onderdeel uitmaken van de gebrekenlijst, omdat deze werkzaamheden zijn opgenomen in maatregel 6 van het Rapport. [persoon A] is in r.o. 5.2 van het Vonnis veroordeeld deze maatregelen te laten verrichten. Microdose heeft aannemelijk gemaakt dat (een deel van) de bedoelde werkzaamheden niet zijn verricht. [persoon A] heeft in ieder geval de eigenaren van units 4 en 5 niet benaderd voor het afstemmen van de werkzaamheden aan de brandscheiding van hun units. Hoewel [persoon A] ter zitting stelt dat hij de huurders van die units heeft benaderd en zij geen toestemming hebben verleend, heeft [persoon A] dit standpunt niet onderbouwd. Bovendien lag het op de weg van [persoon A] om op het moment dat hij niet aan de veroordeling kon voldoen, omdat hij geen toegang kreeg tot de units, (tijdig) een beroep te doen op artikel 611d lid 1 Rv. [persoon A] heeft dit niet gedaan. Op dit punt heeft [persoon A] naar voorlopig oordeel dan ook dwangsommen verbeurd.
5.4.3.
Daarnaast heeft de aannemer van [persoon A] Promatect-100 platen aangebracht in de bedrijfsruimte in plaats van de in het Rapport voorgeschreven Promatect-H platen. [persoon A] stelt dat de brandwerendheid van Promatect-100 gelijkwaardig is aan de brandwerendheid van Promatect-H. Beide producten zijn erop gericht om, als er brand uitbreekt, de in het pand aanwezige personen voldoende tijd te bieden om het pand te verlaten. Microdose betwist dit. Wat er ook zij van de uitleg van [persoon A] , vaststaat dat zijn aannemer andere platen heeft aangebracht in de bedrijfsruimte dan de platen die zijn voorgeschreven in het Rapport van de door beide partijen benoemde deskundigen. [persoon A] heeft hierdoor naar voorlopig oordeel niet voldaan aan de maatregelen 5, 8 en 10 uit het Rapport en dus niet aan veroordeling 5.2 van het Vonnis. Microdose stelt voorts dat de brandwerende roze PUR-schuim onjuist is toegepast bij het plaatsen van de kozijnen in de voorpui. Ook stelt Microdose dat de naden niet brandwerend zijn afgekit en dat de balken niet zijn voorzien van een brandwerende bescherming. [persoon A] heeft dit niet betwist. Op dit punt is daardoor ook aannemelijk dat [persoon A] niet heeft voldaan aan veroordeling 5.1 uit het Vonnis en dwangsommen heeft verbeurd.
De executie van de dwangsomveroordeling wordt geschorst
5.5.
Hoewel aannemelijk is geworden dat [persoon A] in een zekere mate dwangsommen heeft verbeurd, heeft Microdose onvoldoende aannemelijk gemaakt waaraan [persoon A] precies nog moet voldoen. Microdose verwijst naar het controlerapport van 16 januari 2026 en een memorandum van 24 november 2025, maar ook na vragen van de voorzieningenrechter ter zitting is onvoldoende aannemelijk gemaakt welke werkzaamheden [persoon A] , in de visie van Microdose, nog moet laten verrichten. Daar komt bij dat Microdose stelt dat [persoon A] het maximum aan dwangsommen heeft verbeurd en dat het partijen voldoende bekend is waar de verbeuring op ziet. Gelet op het verhandelde ter zitting is dit eveneens onaannemelijk. Dat dit in de aanzegging niet concreet is omschreven doet daar, in dit specifieke geval, niet aan af.
5.6.
Een belangenafweging leidt dan ook tot de ordemaatregel dat de executie van de dwangsomveroordeling wordt geschorst tot het moment dat er in de bodemprocedure in eerste aanleg een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is gewezen. In die bodemprocedure moet aan de orde worden gesteld in welke mate [persoon A] dwangsommen heeft verbeurd. Omdat Microdose na afloop van die bodemprocedure mogelijk nog belang heeft bij de executoriale verkoop van de auto wordt dit beslag niet opgegeven. De executieverkoop van de auto wordt wel geschorst, eveneens tot het moment dat er een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in eerste aanleg is gewezen. Aan de schorsingen wordt de voorwaarde verbonden dat [persoon A] binnen vier weken na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt. Vorderingen 1 en 2 worden dus gedeeltelijk toegewezen. De overige vorderingen van [persoon A] worden afgewezen.
in reconventie
5.7.
Microdose vordert onder i. en ii. het opleggen van een aanvullende dwangsom aan het uitvoeren van de werkzaamheden waartoe [persoon A] reeds in het Vonnis is veroordeeld onder 5.1 en 5.2. Microdose stelt dat nog niet alle werkzaamheden zijn verricht en dat een deel van de werkzaamheden dat wel is verricht, niet volgens de normale eisen van goed en deugdelijk werk is verricht. Ter onderbouwing legt Microdose een controlerapport van 16 januari 2026 en een memorandum van 24 november 2025 over. Daaruit volgt echter niet eenduidig welke werkzaamheden nog niet zijn verricht en nog moet worden verricht en/of welke werkzaamheden al zijn verricht, maar op een onjuiste wijze. Microdose stelt dat dit voldoende duidelijk is of moet zijn voor [persoon A] . Dit is echter niet aannemelijk geworden. Ter zitting is bovendien gebleken dat Microdose geen enkel vertrouwen heeft in [persoon A] en zij ieder concreet voorstel om de kwestie tot een einde te kunnen brengen afwijst. Gelet op deze houding, de verstandhouding tussen partijen, het aantal procedures dat al gevoerd is en de onbepaalbaarheid van de vorderingen, zou toewijzing daarvan voer zijn voor een nieuw executiegeschil.
5.8.
Ten aanzien van de toezegging onder 4.3 van het Vonnis overweegt de voorzieningenrechter dat [persoon A] niet betwist dat hij deze werkzaamheden weigert te laten verrichten, omdat hij daartoe niet is veroordeeld. De voorzieningenrechter wijst de vordering om [persoon A] te veroordelen deze werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom echter af. Ter zitting is immers gebleken dat Microdose geen vertrouwen (meer) heeft in [persoon A] en de door hem in te huren aannemer(s). Gelet op het hiervoor overwogene acht de voorzieningenrechter toewijzing van deze vordering niet opportuun. Een meer voorstelbare route is dat Microdose de werkzaamheden, zo mogelijk alle werkzaamheden die volgens Microdose nog moeten worden verricht, laat verrichten door een door haar ingeschakelde aannemer en in de bodemprocedure laat beoordelen of en in hoeverre deze kosten door [persoon A] moeten worden betaald. Vordering iii. van Microdose wordt dus ook afgewezen.
De proceskosten in conventie en in reconventie
5.9.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
schorst de voorgenomen executieverkoop van de auto van [persoon A] , de Porsche Cayenne E-hybrid, met kenteken [kentekennummer] , tot het moment dat er in de bodemprocedure in eerste aanleg een uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis is gewezen, onder de voorwaarde dat [persoon A] binnen vier weken na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt,
6.2.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 30 juni 2025, met kenmerk C/10/693941 / KG ZA 25-106, ten aanzien van de daarin opgenomen dwangsomveroordeling (en de daaruit voortvloeiende vermeend verbeurde dwangsommen), tot het moment dat er in de bodemprocedure in eerste aanleg een uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis is gewezen, onder de voorwaarde dat [persoon A] binnen vier weken na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van Microdose af,
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026. 3608/2009