Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 mei 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 12 juni 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlage van de vrouw, ingekomen op 10 juli 2025;
- het bericht van de man van 24 juli 2025;
- het aanvullende verzoekschrift van de vrouw ingekomen op 12 december 2025.
- de advocaat van de vrouw;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
.De vrouw heeft niet gemotiveerd waarom ten aanzien van haar verzoeken die zien op de bruidsgaven deze verordening ook van toepassing zou zijn.
De rechtbank begrijpt uit de literatuur dat er in 2025 wel anders over is geoordeeld, wat te maken lijkt te hebben met hoge bruidsgave claims waarvoor rechters een
De vrouw heeft naar voren gebracht dat uit een latere uitspraak van het hof Den Haag (GHDHA:2025:1020) blijkt dat artikel 10:8 BW Pro restrictief moet worden uitgelegd en slechts in uitzonderlijke gevallen het aangewezen buitenlandse recht buiten toepassing kan verklaren. In die zaak was de bruidsgave mede afgewezen omdat de vrouw partneralimentatie ontvangt, aldus de vrouw. De vrouw betwist dat er een veel nauwere band met Nederland bestaat op grond waarvan Iraans recht buiten toepassing moet worden gelaten. Partijen hebben afspraken gemaakt onder Iraans recht. Bovendien is zij pas 10 maanden na het huwelijk naar Nederland gekomen en heeft zij pas sinds april 2024 de Nederlandse nationaliteit. Naast betaling van de bruidsgaven vraagt en ontvangt de vrouw niets.
:Het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft bij uitzondering buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.
Voor de toepassing van deze exceptie is uitsluitend plaats in die gevallen dat de in boek 10 BW opgenomen conflictregel berust op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Een conflictregel die is opgenomen in een verdrag of in een verordening kan niet opzij worden gezet door de in artikel 10:8 BW Pro opgenomen algemene exceptie. Deze exceptieclausule kan ook niet worden toegepast wanneer partijen een geldige rechtskeuze zijn overeenkomen (lid 2).’ De rechtbank overweegt dat het aanwijzen van Iraans recht mogelijk gebaseerd is op ongeschreven conflictenrecht. De rechtbank laat die vraag verder rusten, mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2024 (HR:2024:1474).
het Iraanse recht een zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave wanneer de vrouw hiermee niet instemt en/of wanneer er niet (buitengerechtelijk) wordt ‘geschikt’. Gaat het om een vordering van boven de 110 Bahar Azadi goudstukken, dan dient er te worden geprocedeerd en kan de draagkracht van de man worden meegewogen in de rechterlijke beslissing over vorderingen met betrekking tot de (uitgestelde) bruidsgave die nog hoger liggen. Een aflossing in termijnen is dan, bijvoorbeeld, mogelijk. De vordering van de vrouw voor het surplus blijft evenwel opeisbaar vanaf het moment dat de man weer voldoende draagkracht of financiële ruime heeft voor het aflossen van de bruidsgave.” Uit een uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 kan evenwel worden afgeleid dat Iraanse rechters de ondergrens niet bij 110 Bahar Azadi leggen.
De vrouw heeft gesteld dat zij geen bijstandsuitkering ontvangt maar werkt, maar daarmee niet meer verdient dan zij met een bijstandsuitkering zou verkrijgen. Een bruidsgave is volgens de vrouw niet gelijk te stellen met een onderhoudsverplichting. Zij vraagt en ontvangt buiten nakoming van de huwelijksovereenkomst niets van de man. Volgens de man kan de vrouw hier te lande veel meer verdienen dan in Iran.
Zoals hiervoor overwogen is Iraans recht van toepassing zodat de rechtbank niet toekomt aan dit beroep op artikel 6:248 lid 1 BW Pro. Daar zou de rechtbank alleen aan toekomen als de rechtbank zou oordelen dat Nederlands recht van toepassing is en de bruidsgaven een overeenkomst zijn.
De vrouw heeft in dit kader naar voren gebracht dat de man zelf een ‘volmacht tot alles’ heeft verleend waarin de man uitdrukkelijk toestemming verleent aan zijn vader voor het ondertekenen van huwelijksdocumenten en andere rechtshandelingen te verrichten namens de man. De wil van de man staat dus wel voldoende vast aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verweer van de man lijkt gebaseerd op Nederlands recht. De man heeft niet gesteld dat zijn verweer bij toepassing van Iraans recht (het standpunt van de vrouw in haar inleidend verzoekschrift) reden kan zijn voor afwijzing. De rechtbank is daar niet van gebleken. Het had op de weg van de man gelegen om te onderbouwen dat naar Iraans recht een beroep op een wilsgebrek kan worden gedaan en hoe dit door Iraanse rechters wordt ingevuld en wordt beoordeeld. De man heeft daar voldoende tijd voor gehad. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om daarover een advies te vragen. Als een dergelijke verweer kans van slagen zou hebben, ligt het voor de hand dat dit uit de rechtspraak en literatuur in Nederland over bruidsgaven naar Iraans recht zou blijken. De rechtbank is daar niet van gebleken.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat het Iraans recht zeer beperkte ruimte laat voor het herijken en/of corrigeren van het recht van de vrouw op de bruidsgave. Het had op de weg van de man gelegen om zijn stelling dat daar in zijn geval wel ruimte voor is, nader te onderbouwen. De man had daartoe in ieder geval meer moeten doen dan op zijn huidige financiële situatie wijzen. Uit de literatuur (FJR 2025/22) blijkt dat ook de omstandigheden waaronder de bruidsgave werd overeengekomen relevant zouden kunnen zijn en de omstandigheden waaronder nakoming wordt gevraagd. Daarover heeft de man niets gesteld anders dan dat hij niet op de hoogte zou zijn van de afspraken. Voor de rechtbank is onder andere onbekend hoe de financiële omstandigheden van partijen waren ten tijde van de overeenkomst: had de man toen ook al een bijstandsuitkering? En wat waren de financiële omstandigheden van de vrouw?
Het verzoek is niet prematuur. De rechtbank concludeert op basis van de uitspraak van het hof Arnhem Leeuwarden van 14 januari 2025 (GHARL:2025:136) dat in de echtscheidingsprocedure als nevenverzoek verzocht kan worden mee te werken aan de ontbinding van een religieus huwelijk. Uit de noot (JPF 2025/44) blijkt dat om de ontbindingsprocedure te doorlopen een echtscheidingsbeschikking van een Nederlandse rechter noodzakelijk is. De door de vrouw verzochte termijn vangt aan na inschrijving van de echtscheiding en ziet op de medewerking van de man aan een afspraak met een geestelijke en de inschrijving bij de ambassade. De man heeft niet onderbouwd waarom deze termijn te kort zou zijn. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te man te verplichten mee te werken toewijzen zoals verzocht.