ECLI:NL:RBROT:2026:1643

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
25/10047
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening gehandicaptenparkeerkaart

Verzoekster diende een aanvraag in voor een gehandicaptenparkeerkaart type ‘bestuurder’, welke door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen werd afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting trok de gemachtigde van verzoekster het verzoek in, waarna het college een proceskostenveroordeling vorderde vanwege het procederen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet aan het verzoek was tegemoetgekomen, omdat alleen een aanbod tot herkeuring was gedaan en de herkeuring nog niet had plaatsgevonden. Er was geen sprake van misbruik van procesrecht, aangezien het voor verzoekster niet evident was dat het verzoek geen positief resultaat zou opleveren. Het verzoek om proceskostenveroordeling werd daarom afgewezen.

Wel deed de voorzieningenrechter een dringend beroep op de gemachtigde van verzoekster om toekomstige verzoeken eerder in te trekken en niet pas op de zitting, omdat dit onnodige belasting legt op publieke middelen. De uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10047

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. T. Ketting).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart type ‘bestuurder’. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Dit verzoek is afgewezen, omdat verzoekster geen gegevens aan de rechtbank heeft verstrekt over haar inkomen en vermogen.
3. Het college heeft verzoekster (via haar gemachtigde) op 13 januari 2026 het voorstel gedaan om haar een tweede keuring aan te bieden bij Argonaut, op kosten van het college. Verzoekster heeft dit voorstel op 23 januari 2026 geaccepteerd. De herkeuring staat gepland op 10 maart 2026.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. O.C. Bozbiyik als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college, [persoon A] en [persoon B] (beiden namens het college).
5. De waarnemend gemachtigde van verzoekster heeft bij aanvang van de zitting het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, met daarbij het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Het college heeft vervolgens een tegenvordering ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het verzoek om proceskostenveroordeling van verzoekster
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
7. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?
8. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
9. Verzoekster wilde met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij werd behandeld alsof zij in het bezit was van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft verzoekster geen gehandicaptenparkeerkaart toegekend. Het college heeft verzoekster alleen een aanbod gedaan voor een herkeuring. Volgens het college is het vast beleid van het college om bij een bezwaarschrift dat betrekking heeft op een uitgevoerde keuring, een tweede keuring bij dezelfde instantie aan te bieden. De herkeuring heeft nog niet plaatsgevonden en of deze zal leiden tot toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart is dan ook nog niet bekend. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college niet aan het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen.
Het verzoek om proceskostenveroordeling van het college
Wanneer wordt een natuurlijk persoon in de proceskosten veroordeeld?
10. Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (misbruik van procesrecht). [1] Het moet dan gaan om verwijtbaar onnodig procederen.
Is er sprake van verwijtbaar onnodig procederen?
11. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een frivool verzoek om een voorlopige voorziening en van misbruik van procesrecht. Volgens het college is de dagtekening in het bezwaarschrift onjuist en wordt er daarbij ten onrechte de gemeente Lansingerland genoemd. In het verzoekschrift staat dan weer ten onrechte de gemeente Barendrecht vermeld. Het college ziet ook nauwelijks gronden. Verder zijn er medische stukken overgelegd die niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het college voert aan dat zij vaker soortgelijke ervaringen hebben met deze gemachtigde(n), ook in andere domeinen.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op het moment van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening (11 december 2025) het voor verzoekster of haar gemachtigde niet evident was dat er geen positief resultaat was te verwachten. Dat het vast beleid is van het college om bij een bezwaarschrift een herkeuring aan te bieden, blijkt niet uit het bestreden besluit. In zoverre ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om verzoekster te veroordelen in de proceskosten van het college.
13. De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting wel een dringend beroep gedaan op de (waarnemend) gemachtigde om het verzoek voortaan eerder in te trekken en niet te wachten tot de zitting. De gemachtigde heeft het verzoek om een voorlopige voorziening alleen ingetrokken, omdat er een aanbod tot herkeuring was gedaan. Dat aanbod was bij de gemachtigde al bekend op 13 januari 2026 en is door hem geaccepteerd op 23 januari 2026. Dit was ruim voor de zittingsdatum van 16 februari 2026. Niet valt in te zien waarom de gemachtigde heeft gewacht tot de zitting met de intrekking van het verzoek. Te meer nu dit een nodeloze belasting legt op de publieke middelen die zijn gemoeid met de voorbereiding en behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, zowel aan de kant van het college als aan de kant van de rechtbank.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht