ECLI:NL:RBROT:2026:1638

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/10/714498 / JE RK 26-237
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009, die sinds kort verblijft bij de Tussenstap in Schiedam. De kinderrechter had eerder een spoedmachtiging verleend voor vier weken en moest beslissen over de verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling op 8 januari 2027.

De ouders, die het ouderlijk gezag hebben, voeren geen verweer tegen het verzoek en erkennen de problematiek. Zij maken zich zorgen over het gedrag van de minderjarige, waaronder omgang met verkeerde vrienden en middelengebruik. De minderjarige heeft een verstoorde relatie met de ouders en vertoont zelfbepalend gedrag. De thuissituatie is niet langer houdbaar gebleken, ondanks intensieve inzet van de ouders en hulpverlening.

De kinderrechter overweegt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De minderjarige heeft positieve ontwikkelingen doorgemaakt bij de Tussenstap en kan daar langere tijd verblijven met passende begeleiding en dagbesteding. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 8 januari 2027 en is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714498 / JE RK 26-237
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Mook, kantoorhoudende te Strijensas.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf kunnen horen van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woonde bij de ouders, maar verblijft sinds kort bij de Tussenstap in Schiedam.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 8 januari 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 5 maart 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend voor de duur van de ondertoezichtstelling. Deze machtiging is reeds met spoed voor de duur van vier weken verleend. De partijen dienen hierop nog gehoord te worden. Over de resterende periode tot 8 januari 2026 moet nog worden beslist.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. De ouders hebben hun best gedaan om [voornaam minderjarige] thuis te laten wonen, maar dit is helaas niet gelukt en zij verblijft nu bij de Tussenstap. [voornaam minderjarige] heeft hier eerder verbleven en zij kent de begeleiding. De begeleiding ziet dat [voornaam minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt: zij laat zich aansturen, heeft respect voor de begeleiding en staat zelfstandig op. Ook [voornaam minderjarige] geeft aan het op de groep naar haar zin te hebben. Zeer positief is dat [voornaam minderjarige] hier langere tijd kan blijven. Vanaf de groep kan zij zelfstandig reizen naar haar dagbesteding in Dordrecht. De groep biedt helaas geen dagbehandeling, maar dit kan extern ingezet worden. Op korte termijn kan een intake voor [voornaam minderjarige] bij Tribus Pro worden ingepland. Ook zal onderzocht worden of systemische hulpverlening kan worden ingezet als de ouders hieraan mee willen werken.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De ouders maken zich grote zorgen om [voornaam minderjarige] . Zij gaat om met de verkeerde mensen en zij gebruikt middelen in ruil voor seks. [voornaam minderjarige] kwam weer thuis wonen en de ouders hebben hard hun best gedaan om het te laten slagen. Helaas is het weer mis gegaan en [voornaam minderjarige] verblijft sinds vorige week bij de Tussenstap. Belangrijk is dat zij hier kan blijven en zij de behandeling krijgt die zij nodig heeft. Hopelijk kan de hulpverlening van Tribus Pro snel van start gaan nu [voornaam minderjarige] beïnvloedbaar is, maar ook neerslachtig kan zijn en dan zeer zorgelijke uitspraken doet. Daarnaast moet zij ook hulp krijgen bij het stoppen met blowen. De ouders werken al drie jaar intensief mee met de hulpverlening, maar voelen zich niet gehoord. Ook zijn de ouders geraakt door alle negatieve dingen die zij in de verslagen teruglezen. Desondanks zijn de ouders desgevraagd bereid opnieuw het gesprek met de hulpverlening aan te gaan. Verder hopen de ouders dat [voornaam minderjarige] haar opleiding volgend schooljaar weer oppakt en afmaakt en in de tussenliggende periode dagbesteding heeft.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt hiertoe het volgende.
5.2.
Er bestaan al langer grote zorgen over [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] is in oktober 2024 voor het eerst uit huis geplaatst omdat de thuissituatie niet langer houdbaar was. Zo was er sprake van fysieke en verbale agressie. Sindsdien heeft [voornaam minderjarige] al op meerdere plekken verbleven, maar door verschillende incidenten kon zij hier niet blijven. [voornaam minderjarige] verbleef vervolgens bij de oma vaderszijde, maar kon hier niet langer blijven en op de zitting van 6 januari 2026 bleek dat [voornaam minderjarige] , zonder overleg en tegen het advies van de GI in, weer bij de ouders thuis verbleef. Omdat er op dat moment nog geen geschikte vervolgplek voor [voornaam minderjarige] was gevonden en een crisisplaatsing niet in haar belang werd geacht, is besloten dat zij ter overbrugging bij de ouders diende te blijven.
5.3.
Helaas is de situatie bij de ouders thuis opnieuw niet houdbaar gebleken. De relatie tussen [voornaam minderjarige] en de ouders is nog steeds ernstig verstoord, [voornaam minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en gebruikt middelen. Daarnaast voelen de ouders zich machteloos, zijn zij overbelast en lukt het hen onvoldoende om bij [voornaam minderjarige] aan te sluiten. [voornaam minderjarige] voelt zich niet gehoord en gezien. De ouders gaven aan dat het thuis niet meer ging en zij wilden dat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk het huis zou verlaten. De kinderrechter heeft op 5 februari 2026 een spoedmachtiging verleend en [voornaam minderjarige] verblijft sindsdien bij de Tussenstap. Positief is dat ter zitting naar voren is gebracht dat [voornaam minderjarige] het hier goed maakt, zij het hier naar haar zin heeft en zij hier langere tijd kan blijven. Alle partijen zijn het erover eens dat een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] op dit moment niet mogelijk is. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het in het belang van [voornaam minderjarige] is dat haar verblijf bij de Tussenstap wordt gecontinueerd, zodat zij hier de rust en stabiliteit kan krijgen die zij nodig heeft. De komende periode is het van belang dat zowel de intake bij Tribus Pro zo spoedig mogelijk wordt gerealiseerd zodat [voornaam minderjarige] de noodzakelijke hulpverlening krijgt en als ook dat zij naar haar dagbesteding blijft gaan totdat zij volgend schooljaar haar schoolgang weer kan oppakken.
5.4.
Het voorgaande maakt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 8 januari 2027.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 8 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.