Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..[persoon C] ,
1.De procedure
- het vonnis in het incident van 2 oktober 2024 (en het herstelvonnis van 23 oktober 2024) en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de aan partijen verstrekte zittingsagenda,
- de brief van mr. De Groot van 2 juni 2025, met producties,
- de brief van mr. De Groot van 10 juni 2025, met producties,
- de brief van mr. Bindels van 11 juni 2015, met producties,
- de dagvaarding van 5 november 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de aan partijen verstrekte zittingsagenda,
3.Het geschil
- [persoon B] te veroordelen tot vergoeding van de door [persoon A] geleden en nog te lijden schade als gevolg van verlies van eigendom van haar woonhuis aan de [adres] in [postcode] [woonplaats 4] (met ondergrond, erf, tuin, en verdere aanhorigheden), op te maken bij staat en te vereffenden volgens de wet,
- [persoon B] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
- [persoon C] en [advocatenkantoor X] hoofdelijk te veroordelen om aan [persoon B] te betalen al hetgeen waartoe [persoon B] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak,
- [persoon C] en [advocatenkantoor X] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de vrijwaring (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
4.De beoordeling
- [persoon B] is niet tekort geschoten in de regeling omdat niet hij maar de Rabobank contractspartij bij de gemaakte afspraak is,
- [persoon A] is zelf de met de Rabobank gesloten regeling niet nagekomen, want zij heeft niet voldaan aan de voorwaarde dat zij een voor de Rabobank aanvaardbare uitleg moest geven over de herkomst van de gelden waarmee zij de betaling heeft gedaan,
- [persoon B] heeft niet onrechtmatig gehandeld en er is ook geen causaal verband tussen het handelen van [persoon B] en de beweerdelijke schade. [persoon C] was de procesadvocaat in de toestemmingsprocedure en alleen hij kon het verzoek intrekken. [persoon B] heeft er ondanks zijn persoonlijke omstandigheden (zijn moeder lag op sterven) alles aan gedaan om [persoon C] aan te sporen het verzoek tijdig in te trekken,
- er is aan de zijde van [persoon A] sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro,
- [persoon A] heeft zelf een doorslaggevende rol gespeeld bij het ontstaan van de beweerdelijke schade door tot het allerlaatste moment te wachten met de betaling en door de betaling niet rechtstreeks via internetbankieren te doen maar via de omslachtige route van het postkantoor. Bovendien heeft, naast [persoon C] , ook Kiewitt geen actie ondernomen en heeft hij [persoon B] noch [persoon C] aangespoord de procedure in te trekken en hij heeft zelf ook geen contact opgenomen met de rechtbank,
- [persoon B] betwist de door [persoon A] gestelde schade.
“slechts finale kwijting kan worden verleend voor dit betaalde bedrag, en dus niet voor al hetgeen partijen van elkaar te vorderen hebben. Uitgangspunt is immers dat de financiering wordt gecontinueerd”. En ook in het e-mailbericht van 10 september 2021 van [persoon B] (zie 2.9) staat dat wanneer (onder meer) de betaling van € 13.500 is betaald,
“de executie dan [zal] worden gestaakt en de relatie zal kunnen worden gecontinueerd”. Gelet op deze e-mails, gelet op het feit dat in geen van die e-mails het voorbehoud wordt gemaakt dat de verhuur van de woning moest worden gestaakt en gelet op de omstandigheid dat een dergelijk standpunt van de bank ook verder kennelijk niet (kenbaar) is ingenomen, mocht [persoon A] aannemen - anders dan [persoon B] heeft aangevoerd - dat zij bij nakoming van de gemaakte afspraak de verhuur van de woning mocht voortzetten. De overeenkomst aangaande de hypothecaire lening kende immers geen absoluut verbod voor [persoon A] om te verhuren, verhuur was slechts verboden als toestemming van de Rabobank ontbrak. De huurrelatie stond dus niet in de weg aan de nakoming van de met de Rabobank gesloten regeling.
- inkomstenderving van € 664 per maand (huuropbrengst van € 958,22 per maand minus hypotheeklasten van € 296,66 per mand),
- er is verlof tot onderhandse verkoop verleend voor het onderhandse aanbod van € 231.000, maar in het taxatierapport van 27 januari 2021 wordt een marktwaarde genoemd van € 250.000 en een WOZ-waarde van € 256.000, waardoor [persoon A] in ieder geval een directe schade heeft geleden van tussen de € 19.000 en € 25.000,
- sinds de verkoop is sprake van een waardestijging, want het vastgoedbedrijf dat de woning had gekocht heeft de woning binnen 10 maanden doorverkocht voor een bedrag van € 320.000, de WOZ-waarde van de woning bedroeg per 1 januari 2024 € 335.000 en de realistische woningwaarde ligt thans tussen de € 381.000 en € 421.000, waardoor de schade van [persoon A] ten minste tussen de € 150.000 en € 190.000 bedraagt,
- [persoon A] heeft schade geleden doordat de woning, die gemeubileerd werd verhuurd, met de inboedel is verkocht,
- [persoon A] heeft immateriële schade geleden doordat zij heeft geleden onder het feit dat zij haar huis is kwijtgeraakt en dat zij sinds oktober 2021 in touw is geweest om alles boven water te krijgen,
- [persoon A] heeft buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand gemaakt en schade als gevolg van rentederving geleden.
5.De beslissing
18 maart 2026voor het nemen van een akte door [persoon A] zoals vermeld in 4.26, waarna op de rol van vier weken later [persoon B] mag reageren,