ECLI:NL:RBROT:2026:1575

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600152:R-RK en NL:TZ:2600153:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerder verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woning uit te voeren. Verzoeker verblijft sinds een ongeval in een revalidatiecentrum en kan mogelijk niet terugkeren naar zijn woning. De huur wordt deels betaald door zijn zus, die ook met haar minderjarige kinderen in de woning verblijft.

Verweerder stelt dat verzoeker al sinds juli 2022 huurachterstanden heeft en dat de zus zonder toestemming in de woning verblijft. De rechtbank beoordeelt dat er geen sprake is van een bedreigende situatie die een moratorium rechtvaardigt, mede omdat verzoeker niet meer in de woning woont en het onduidelijk is of hij zal terugkeren. Het belang van verweerder om het vonnis uit te voeren weegt zwaarder dan het belang van verzoeker.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling omdat de financiële situatie nog niet is gestabiliseerd en het minnelijk traject nog niet kan worden afgerond. Verzoeker kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 28 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 5 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 6 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.
Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • mevrouw mr. E. Kattestaart, advocaat van verzoeker;
  • mevrouw E. de Jong, werkzaam bij Stichting Veritas Vertegenwoordiging (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • mevrouw mr. S. Nooteboom, namens [verweerder] (hierna: verweerder);
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Steens Beheer B.V. (beheerder van de woning).
Verzoeker is niet verschenen omdat hij daar fysiek niet toe is staat is.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te
verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft zijn hoofdverblijf aan het adres [adres 2] te Rotterdam. Medio januari 2025 heeft verzoeker een noodlottig ongeval gehad waardoor hij lichamelijk en mentaal letsel heeft opgelopen. Hierdoor verblijft hij op dit moment in een revalidatiecentrum van [naam instelling] aan de [adres 1] te Rotterdam. Het is niet duidelijk of en zo ja, wanneer verzoeker kan terugkeren naar zijn woning. Verzoeker ontvangt maandelijks een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet van € 966,05 netto. Daarnaast zou verzoeker ook recht hebben op huur- en zorgtoeslag, maar daarin is geen inzicht omdat de beschermingsbewindvoerder nog geen toegang heeft tot de rekeningen van verzoeker. De hoogte van deze toeslagen is opgevraagd. De huur bedraagt
€ 632,02 per maand. De huur voor de maand januari 2026 is tijdig voldaan. Deze is betaald door de zus van verzoeker. De lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Vooral nu Stichting Veritas Vertegenwoordiging, bij beschikking van 2 januari 2026, is benoemd als beschermingsbewindvoerder van verzoeker.
De beschermingsbewindvoerder meent dat zij nu eerst de financiële situatie van verzoeker moet stabiliseren en zijn persoonlijke situatie (nader) moet onderzoeken. Tot nu toe heeft de beschermingsbewindvoerder alleen een beheer- en leefgeldrekening geopend. De beschermingsbewindvoerder zal namens verzoeker een complete schuldenlijst en een (nader) plan van aanpak opstellen om de schulden te saneren. Hiervoor zal contact opgenomen worden met de gemeente Rotterdam om te bezien of verzoeker kan worden toegelaten tot het minnelijke traject of dat (nogmaals) een direct verzoek tot toelating Wsnp zal moeten worden ingediend. Indien de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt, verkeert verzoeker direct in een noodsituatie. Verzoeker heeft namelijk nog geen vervangend onderdak, zodat hij zijn (verdere) revalidatie niet vanuit zijn veilige woonomgeving kan gaan voortzetten. De zus van verzoeker en haar minderjarige kinderen verblijven in de woning van verzoeker. Een ontruiming zou dus niet alleen verzoeker, maar ook hen dakloos maken.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het probleem speelt al vrij lang en heeft niet alleen met het ongeluk van verzoeker te maken. Verzoeker heeft sinds juli 2022 al meerdere malen een huurachterstand laten ontstaan. Het was verweerder niet bekend dat verzoeker sinds januari 2025 niet meer in de woning woont maar in een revalidatiecentrum verblijft. Al die tijd is ook geen huur betaald. Omdat het onmogelijk was contact te krijgen met verzoeker, is een procedure gestart. Pas na het (verstek)vonnis in kort geding is duidelijk geworden dat verzoeker niet in de woning verblijft, maar dat zijn zus en haar minderjarige kinderen daar wonen. De zus van verzoeker maakt zonder toestemming van verweerder gebruik van de woning. Nu verzoeker niet in de woning verblijft en ook de huur niet betaalt, wil verweerder tot ontruiming overgaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoeker heeft een kopie van
het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 15 november 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 8 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis in kort geding van 10 november 2025 ten uitvoer kan leggen.
Uit het verzoek en ter zitting is gebleken dat er nog weinig zicht is op het inkomen van verzoeker en of dit toereikend is om de lopende huurtermijnen te voldoen. Weliswaar is de huur van januari 2026 voldaan door de zus van verzoeker, maar er is geen zicht op of zij dit kan en zal blijven doen. Daar komt bij dat verzoeker al sinds januari 2025 niet meer in de woning verblijft maar is opgenomen in een revalidatiecentrum. Het is niet duidelijk of en zo ja, wanneer verzoeker kan terugkeren naar zijn woning. Dit hangt af van het verloop van zijn herstel. Daarover kan echter op dit moment geen uitsluitsel worden gegeven. Verzoeker staat in ieder geval volgens het BRP ook niet meer ingeschreven op het adres van de woning maar op het adres van het revalidatiecentrum. De vraag of ontruiming van de woning mogelijk een bedreigende situatie oplevert voor de zus van verzoeker en haar minderjarige kinderen gaat buiten het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek en blijft hier daarom onbesproken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Volgens de verklaring van de beschermingsbewindvoerder ter zitting dient de financiële situatie van verzoeker eerst nog gestabiliseerd te worden voordat daadwerkelijk een aanvang kan worden gemaakt met de schuldhulpverlening. Het minnelijk traject zal
naar verwachting dan ook niet op korte termijn zijn afgerond. Verzoeker zal daarom, gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.