ECLI:NL:RBROT:2026:1573

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600413:R-RK en NL:TZ:2600415:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij problematische schuldensituatie en huurachterstand

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. Zij verkeert in een problematische schuldensituatie en is recent aangemeld bij schuldhulpverlening. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gelet op het voldoende inkomen van verzoekster en de inzet tot schuldhulpverlening, acht de rechtbank aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.

De huurachterstand is ontstaan door beslaglegging, maar de huur voor februari is inmiddels betaald. De rechtbank legt een voorwaarde op dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van zes maanden. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard, met mogelijkheid tot hernieuwd verzoek.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 2 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 9 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2026.
Ter zitting van 21 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster.
Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarder heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is onder andere opgenomen dat namens verweerster niemand aanwezig zal zijn op de zitting van
21 januari 2026.
Bij e-mailbericht van 23 januari 2026 zijn namens verzoekster nadere stukken overgelegd, zoals ter zitting besproken.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Verzoekster is op 8 januari 2026 bij Sociale Dienst Drechtsteden aangemeld voor schuldhulpverlening. Sociale Dienst Drechtsteden heeft verzoekster ook beschermingsbewind geadviseerd. Verzoekster ontvangt maandelijks een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van € 1.143,84 per maand, huurtoeslag van € 311,00 en zorgtoeslag van € 129,00. Deze inkomsten zijn voldoende om de verschuldigde huur van € 528,12 per maand te betalen. Door beslag op het inkomen is het niet gelukt om de huur voor de maanden december 2025 en januari 2026 te voldoen. Verzoekster ontvangt vrijdag 23 januari 2026 haar uitkering en zal dan direct de huur voor de maand februari 2026 overmaken. Bewijs hiervan zal worden nagezonden.

3.Het verweer

De huur wordt op dit moment niet voldaan. De recente aanmelding van verzoekster bij schuldhulpverlening op 6 januari 2026 biedt onvoldoende vertrouwen dat de lopende huur voldaan gaat worden. Verweerster refereert zich evenwel aan het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 23 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 februari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de huur te kunnen voldoen. Ter zitting is ook door de advocaat van verzoekster verklaard dat de huurbetalingen lang goed zijn gegaan, maar dat het verzoekster, door een beslaglegging, niet is gelukt om de huur van de afgelopen maanden te voldoen. Dit blijkt overigens ook uit het feit dat het vonnis van 9 februari 2023 is en de ontruiming pas op
23 december 2025 is aangezegd. De huur voor de maand februari 2026 is blijkens het na de zitting ontvangen betaalbewijs, op 23 januari 2026 door verzoekster voldaan. Verzoekster is op 8 januari 2026 aangemeld bij Sociale Dienst Drechtsteden voor schuldhulpverlening. Daarnaast heeft de advocaat van verzoekster ter zitting aangegeven dat op 22 januari 2026, bij verzoekster thuis, een intakegesprek zal plaatsvinden met een beoogde beschermingsbewindvoerder. Verzoekster heeft dus van alles in gang gezet om een oplossing te vinden voor haar problematische schuldensituatie en om te kunnen waarborgen dat de lopende termijnen zullen worden voldaan. Verzoekster heeft ter zitting ook beloofd zich volledig te zullen inzetten. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 februari 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
9 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.