Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1572

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1493 en FT RK 25/1494
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gedwongen schuldregeling tegen weigering schuldeiser Smaal Finance Incasso B.V.

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, gebaseerd op zijn AOW en pensioen, waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt en kwijtschelding wordt gevraagd. Drie van de vier schuldeisers gingen akkoord, maar Smaal Finance Incasso B.V. weigert in te stemmen met het voorstel, ondanks behoorlijke oproeping.

Smaal voert aan dat verzoeker onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zijn schulden structureel op te lossen en wijst op een eerder afkoopvoorstel van € 2.500,-, terwijl nu geen afloscapaciteit wordt geboden. De rechtbank stelt vast dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, geen betaald werk heeft en geen vermogen bezit, waardoor geen reëel perspectief is op aflossing.

De rechtbank oordeelt dat het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst zwaarder weegt dan het belang van Smaal bij volledige betaling. Daarom wordt Smaal bevolen in te stemmen met de schuldregeling en wordt het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen vanwege het ontbreken van afloscapaciteit.

Smaal wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot omdat er geen griffierecht is en verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank beveelt Smaal Finance Incasso B.V. in te stemmen met de schuldregeling en wijst het verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 23 januari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 19 augustus 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- Smaal Finance Incasso B.V., wiens vordering in behandeling is bij Karansingh Gerechtsdeurwaarders (hierna: Smaal),
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 16 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Smaal is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vier schuldeisers, waarvan één preferente en drie concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 99.680,64 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 2 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn AOW-uitkering en zijn pensioen. Verzoeker heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, waardoor niet verwacht wordt dat de afloscapaciteit zal toenemen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorstel het uiterste is waartoe hij in staat is. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden voldaan.
Drie schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Smaal stemt hier niet mee in. Zij heeft vijf vorderingen van in totaal € 97.354,02 op verzoeker, welke 97,7% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Smaal te kennen gegeven dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, hoe schrijnend ook gesteld, geen grond vormen om met het voorstel in te stemmen, temeer nu deze omstandigheden niet met stukken zijn onderbouwd. Smaal voert aan dat verzoeker al jarenlang met schulden kampt, maar pas recent daadwerkelijk een beroep heeft gedaan op schuldhulpverlening, terwijl hij dit eerder had kunnen doen om verdere kosten en oplopende vorderingen te voorkomen. Smaal plaatst daarom vraagtekens bij de motivatie en inspanningen van verzoeker om zijn schuldenproblematiek structureel op te lossen en wijst erop dat onduidelijk is welke pogingen verzoeker in het verleden heeft ondernomen om tot aflossing te komen, waarom niet eerder is gekozen voor beschermingsbewind en welke maatregelen worden getroffen om herhaling te voorkomen.
Voorts wijst Smaal erop dat verzoeker in december 2024 een afkoopvoorstel heeft gedaan van € 2.500,- . Dat thans een regeling zonder afloscapaciteit wordt aangeboden, terwijl eerder kennelijk wel ruimte bestond voor een afkoopsom, acht Smaal niet begrijpelijk en onaanvaardbaar, mede gelet op de omvang van haar vordering.
Smaal is bereid in te stemmen met een finale regeling tegen betaling ineens van een bedrag van € 3.000,-, tegen algehele kwijting. Daarbij suggereert zij dat verzoeker eventueel een beroep kan doen op derden of een saneringskrediet kan aanvragen bij de Gemeentelijke Kredietbank. Verweerster merkt op dat het verzoeker vrijstaat om andere schuldeisers een evenredig aanbod te doen om ongelijke behandeling te voorkomen.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Smaal geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Smaal bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Smaal in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Smaal een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 97,7%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk drie van de vier schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt alleen inkomsten vanuit zijn pensioen en AOW-uitkering. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers. Anders dan Smaal suggereert, kan verzoeker daarom thans geen vergelijkbaar aanbod doen als het in december 2024 genoemde bedrag. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat het destijds aangeboden bedrag van € 2.500,- geen opgebouwd spaarvermogen was, maar een eenmalig en incidenteel bedrag dat hij op dat moment ook niet had, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat verzoeker structureel over afloscapaciteit of vrij beschikbaar vermogen beschikt. Schuldhulpverlening heeft ter zitting bevestigd dat geen spaarvermogen aanwezig is.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoeker bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoeker in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van de weigerende schuldeiser.
Het verzoek om Smaal te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Smaal zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Smaal Finance Incasso B.V. om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Smaal Finance Incasso B.V. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.