ECLI:NL:RBROT:2026:1563

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
ROT 25/819
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 Wet dierenArt. 2.6 Wet dierenArt. 3.4 Besluit houders van dierenArt. 3.6 Besluit houders van dierenArt. 3.7 Besluit houders van dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete van 7.500 euro opgelegd voor overtredingen Wet dieren door fokker van honden en katten

De zaak betreft een boete van €7.500 die de minister van Landbouw heeft opgelegd aan eiseres, een fokker van honden en katten, wegens vijf overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De boete is gebaseerd op een rapport van toezichthouders van de NVWA na inspecties en onderzoek, waarin onder meer werd vastgesteld dat meerdere honden ongeschikt waren voor de fok en dat er onvoldoende administratie en vakbekwaamheid aanwezig was.

Eiseres betwist enkele feiten, zoals het aantal gefokte kittens en de inspectiedatum, en stelt dat het boetebesluit onrechtmatig is vanwege onjuiste feiten en onvoldoende motivering. De rechtbank oordeelt echter dat het bestuursorgaan terecht uitging van het rapport van de toezichthouders, dat de betwisting onvoldoende grond biedt om aan de juistheid te twijfelen, en dat de boete terecht is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat eiseres bedrijfsmatig fokt zonder te voldoen aan de wettelijke eisen, waaronder het fokken met honden die meerdere keizersneden hebben gehad en het laten krijgen van meer dan één nest binnen twaalf maanden. Ook ontbreekt een erkend bewijs van vakbekwaamheid en een deugdelijke administratie. De boete is conform de standaardboetes vastgesteld en er zijn geen redenen om deze te matigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter P. Vrolijk op 19 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete van €7.500,- wegens vijf overtredingen van de Wet dieren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: A.M.H. van de Wal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 7.500,- die verweerder met het besluit van 26 april 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en [naam] en [naam] , beiden toezichthouders bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiseres is niet verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 19 januari 2024 door een toezichthouder en een toezichthoudend dierenarts van de NVWA is opgemaakt. De toezichthouders beschrijven in het rapport – samengevat weergegeven – onder meer het volgende.
Naar aanleiding van een melding van 17 mei 2023 over een fokker van Franse buldoggen onder de kennelnaam [naam] , gehuisvest op het woonadres van eiseres, zijn de toezichthouders een onderzoek gestart. Uit raadpleging van de Dutch Dog Databank van de Raad van Beheer en het I&R-systeem bleek onder meer dat bij eiseres in 2022 tenminste vier nesten geboren zijn [1] en dat in het I&R-systeem geen meldingen van geboorte, aanvoer, afvoer en merkaanbrenging waren ingevoerd. Ook bleek de toezichthouders uit informatie die zij van Marktplaats hebben gevorderd dat op naam van eiseres op 7 maart 2023 en 23 maart 2023 advertenties waren geplaatst met als titel ‘Franse bulldog puppies’. Op 18 juli 2023 zijn de toezichthouders naar de woning van eiseres gegaan, maar troffen haar daar niet aan. Vervolgens zijn de toezichthouders op 9 augustus 2023 opnieuw naar de woning van eiseres gegaan, waar zij eiseres toen wel aantroffen en aldaar een inspectie hebben uitgevoerd. Daarbij hebben de toezichthouders verschillende bevindingen [2] gedaan. Zo heeft de toezichthoudend dierenarts bij vijf honden van eiseres metingen verricht, waaronder bij reu [hond A] , die volgens registraties in de Dutch Dog Databank de afgelopen jaren is gebruikt voor verschillende door eiseres gefokte nesten. Bij het rapport zit een veterinaire verklaring waarin de toezichthoudend dierenarts concludeert dat [hond A] en de andere vier honden ( [naam] , [naam] , [naam] en [naam] ) ongeschikt zijn voor de fok, omdat meerdere uiterlijke kenmerken zo extreem zijn dat het fokken met deze honden het welzijn van zowel het ouderdier als de nakomelingen benadeelt. De toezichthouders hebben eiseres bij de inspectie medegedeeld dat het nest van 2023 niet had mogen worden gefokt omdat de snuit van vaderhond Badru onvoldoende meetresultaat heeft. Moederhond [hond B] was bij de inspectie niet aanwezig en ondanks latere pogingen in augustus 2023 is het de toezichthouders niet meer gelukt de hond te zien. Wel hebben de toezichthouders in de Dutch Dog Databank gezien dat een gezondheidstest van hond [hond B] was geregistreerd waarin een CFR van 0,28 stond vermeld zodat ook hond [hond B] een onvoldoende meetresultaat voor de fok had. Verder stellen de toezichthouders in het rapport vast dat eiseres in 2022 volgens het I&R-systeem 17 pups en volgens het patiëntendossier van [de dierenarts] 26 kittens heeft gefokt en in de eerste acht maanden van 2023 al bijna 20 pups en kittens heeft gefokt (zes pups en tenminste drie nesten katten). Op grond van deze aantallen en de omstandigheid dat eiseres met de dieren adverteert op Marktplaats en deze verkoopt aan derden, concluderen de toezichthouders dat eiseres een bedrijfsmatig fokker is van honden en katten. De toezichthouders hebben eiseres bij de inspectie gevraagd naar paspoorten/vaccinatieboekjes en de administratie van de honden en katten van de afgelopen twee jaar, waarop zij enkele dierenpaspoorten/vaccinatieboekjes van de honden en katten kon tonen, maar desgevraagd aangaf (nog) geen bewijs van vakbekwaamheid te hebben en ook geen gezondheidsprotocol of overige administratie te kunnen verstrekken.
Voorts hebben de toezichthouder uit de opgevraagde patiëntendossiers van verschillende dierenartsenklinieken vastgesteld dat hond [hond B] in elf maanden tijd twee nesten heeft gehad (op 15 maart 2022 en 9 februari 2023) en dat hond [hond C] meermaals een keizersnede heeft gehad, namelijk op 14 november 2018, 2 juli 2020, 19 september 2021 en 7 mei 2022.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres vijf beboetbare feiten heeft gepleegd.
3.2.1.
Beboetbaar feit 1: “Bij het fokken van dieren werd niet voor zover mogelijk voorkomen dat voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvond. Uw hond [hond C] kreeg viermaal een keizersnede.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.6, tweede lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.4, tweede lid, onder d, van het Besluit houders van dieren.
3.2.2.
Beboetbaar feit 2: “Uw hond [hond B] kreeg binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden meer dan één nest.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.6, tweede lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.4, derde lid, van het Besluit houders van dieren.
3.2.3.
Beboetbaar feit 3: “Er werden gezelschapsdieren verkocht, ten verkoop in voorraad gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen in een inrichting die niet juist bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, en artikel 3.7 van het Besluit houders van dieren.
3.2.4
Beboetbaar feit 4: “In een inrichting wordt geen deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens: naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
3.2.5
Beboetbaar feit 5: “In de inrichting is geen beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.11, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
3.2.6.
Verweerder heeft eiseres voor deze vijf beboetbare feiten een boete opgelegd van € 1.500,- per feit, dus in totaal een boete van € 7.500,-.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres betwist 29 kittens te hebben gekregen in 2022 zoals verweerder stelt. Ook betwist eiseres dat de expliciete verwijzing in het primaire besluit naar de controledatum 19 juli 2023 een kennelijke verschrijving betreft en dat er die dag geen inspectie is verricht. Volgens eiseres is het boetebesluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu deze is gebaseerd op onjuiste feiten, onvoldoende is gemotiveerd en geen blijk geeft van een deugdelijke belangenafweging.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [3] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring te twijfelen. In deze stukken is door de toezichthouders duidelijk beschreven wat zij hebben waargenomen bij de controle bij eiseres thuis op 9 augustus 2023 en wat zij op basis van raadpleging van systemen en dossiers van dierenartsen hebben geconstateerd. De enkele betwisting door eiseres biedt geen grond om niet van de conclusies van de toezichthouders te kunnen uitgaan. Voorts heeft verweerder niet vastgesteld dat eiseres in 2022 29 kittens heeft gefokt, zoals eiseres stelt en betwist, maar 26 kittens. Bovendien heeft verweerder gelet op dit aantal, evenals de in het rapport genoemde aantal gefokte pups, de omstandigheid dat eiseres met de dieren adverteerde en deze verkocht, terecht vastgesteld dat sprake was van bedrijfsmatig fokken van gezelschapsdieren. Niet in geschil is dat eiseres niet voldeed aan de verplichtingen die daaraan zijn verbonden en zijn neergelegd in artikel 3.7, artikel 3.10 en artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren. Ook staat vast dat hond Ursula viermaal een keizersnede heeft gehad en dat hond Cleo binnen een periode van twaalf maanden meer dan één nest heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht vastgesteld dat eiseres de vijf beboetbare feiten heeft begaan.
4.3.
Dat in het primaire besluit een onjuiste inspectiedatum is genoemd maakt de boete niet onrechtmatig. In dit besluit wordt immers verwezen naar een rapport van bevindingen en daaruit blijkt duidelijk dat de controle bij eiseres thuis niet op 18 juli 2023 maar op 9 augustus 2023 heeft plaatsgevonden. Ook blijkt daaruit dat de gehele inspectie over een langere periode heeft plaatsgevonden en meer besloeg dan alleen het bezoek bij eiseres thuis. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit uitgelegd dat de inspectiedatum die in het boetebesluit wordt genoemd een kennelijke verschrijving is. Gelet op de inhoud van het rapport van bevindingen gaat de rechtbank daar ook van uit.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de vijf beboetbare feiten heeft begaan. Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren [4] was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is voor deze vijf overtredingen de standaardboete per overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Dit bedrag heeft verweerder voor de vijf feiten ook aan eiseres opgelegd, waarmee de totale opgelegde boete uitkomt op € 7.500,-. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet dieren

Artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, en onder b

In deze paragraaf wordt verstaan onder:
overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:
1°. de artikelen 2.2, negende en tiende lid, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.5, eerste en tweede lid, 2.6, eerste, tweede en derde lid,
[…];
overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Besluit houders van dieren

Artikel 3.4, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder d, en derde lid

Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:
uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;
Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest.
Artikel 3.6, eerste lid
Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.
Artikel 3.7
De activiteiten, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.
In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, tweede lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.
Artikel 3.10, eerste lid
In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens:
a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn;
b. bewijs van inenting van honden en katten.
Artikel 3.11, eerste lid
In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.

Voetnoten

1.Op 15 maart 2022, 6 april 2022, 7 mei 2022 en 21 augustus 2022
2.Voor een aantal van die bevindingen heeft eiseres op 29 december 2023 een schriftelijke waarschuwing gekregen, deze bevindingen worden niet benoemd.
4.Gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid,