ECLI:NL:RBROT:2026:1512

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
12043484 VV EXPL 26-8 (E)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot terugkeer en uitoefening voorzitterschap na non-actiefstelling

De werknemer, werkzaam als Shift Manager bij een bedrijf dat gevaarlijke stoffen opslaat, werd op 19 november 2025 op non-actief gesteld vanwege vermeend onvoldoende veiligheidsbewustzijn. Hij vorderde in kort geding zijn terugkeer op de werkvloer en het hervatten van zijn voorzitterschap van de Gezamenlijke Ondernemingsraad (GOR).

De werkgever stelde dat de non-actiefstelling noodzakelijk was vanwege een veiligheidsrisico in het kader van de Seveso-status van het bedrijf. De kantonrechter oordeelde echter dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er zwaarwegende omstandigheden waren die de non-actiefstelling rechtvaardigden. Er was geen concreet bewijs van een acuut veiligheidsrisico en het voortraject was onvoldoende zorgvuldig, omdat gesprekken over functioneren en waarschuwingen ontbraken.

De kantonrechter veroordeelde de werkgever om de werknemer binnen 48 uur toe te laten tot zijn werkzaamheden en zijn voorzitterschap van de GOR ongehinderd te laten uitvoeren. Tevens werd een rectificatie opgelegd over onjuiste interne communicatie en werden dwangsommen vastgesteld om naleving af te dwingen. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werknemer wordt toegelaten tot zijn werk en mag zijn voorzitterschap van de ondernemingsraad weer uitoefenen; de werkgever moet rectificeren en dwangsommen betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12043484 VV EXPL 26-8
datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.J. Aantjes,
tegen
Chane Terminal Botlek B.V.,
vestigingsplaats: Botlek,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Schuurman.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Chane’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 januari 2026, met bijlagen;
  • de mail van Chane van 27 januari 2026, met een bijlage;
  • de mail van [eiser] van 28 januari 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van Chane;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.2.
Op 29 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Chane houdt zich bezig met de op- en overslag van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. [eiser] werkt bij Chane als Shift Manager . Op 19 november 2025 is hij op non-actief gesteld. Hij is het hier niet mee eens en vordert dat hij, kort gezegd, weer wordt toegelaten tot zijn werk en dat hij zijn voorzitterschap van de Gezamenlijke Ondernemingsraad (GOR) weer ongehinderd kan uitvoeren. Chane heeft verweer gevoerd. De vorderingen worden (grotendeels) toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Chane als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Het spoedeisend belang dat [eiser] stelt te hebben en dat ook niet is weersproken, volgt uit de aard van de vorderingen.
Non-actief stelling
2.3.
De kantonrechter stelt voorop dat voor een ingrijpende maatregel als een non-actief stelling alleen een grond is als er sprake is van zwaarwegende omstandigheden. Deze omstandigheden moeten zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet langer verlangd kan worden dat hij de werknemer tot het verrichten van zijn werkzaamheden toelaat.
2.4.
Volgens Chane heeft zij de maatregel moeten nemen omdat er sprake was van een veiligheidsrisico dat samenhangt met het feit dat zij is aangemerkt als een “Seveso zorgbedrijf”. Dit houdt in dat door de overheid is geoordeeld dat Chane op het gebied van veiligheid structureel ondermaats presteert en zij daarom onder verscherpt toezicht is geplaatst. Omdat Chane zo spoedig mogelijk van deze status af wil, worden kosten noch moeite gespaard om de veiligheidsperformance te verbeteren. Daarbij is, zo is toegelicht, een belangrijke rol weggelegd voor de vijf Shift Managers , onder wie [eiser] . Volgens Chane neemt [eiser] echter onvoldoende de verantwoordelijkheid die van hem wordt verwacht. Hij mist urgentiebesef, drive en veranderbereidheid om mee te gaan in de noodzakelijke cultuuromslag op het gebied van de veiligheid op de terminal van Chane. Dat is ook de reden dat Chane inmiddels een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend.
2.5.
Hoewel niet wordt getwijfeld aan het belang van Chane om op de kortst mogelijke termijn het veiligheidsbeleid zodanig aan te passen dat haar status van ‘Seveso-zorgbedijf’ kan vervallen, is hier de vraag of met het oog op dat belang de houding en het gedrag van [eiser] gerechtvaardigde redenen waren om hem op 19 november 2025 op non-actief te stellen. Nog daargelaten dat [eiser] het niet eens is met de stellingen van Chane over zijn functioneren, mag van een goed en zorgvuldig handelend werkgever worden verlangd dat, voordat wordt overgegaan tot non-actiefstelling van een werknemer, over het (niet) functioneren van die werknemer al gesprekken zijn gevoerd en afspraken zijn gemaakt en vastgelegd, met aankondiging van de gevolgen, bijvoorbeeld een non-actiefstelling, als geen of onvoldoende sprake is van verbetering. Dat dit bij [eiser] is gebeurd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Het gesprek op de zitting heeft duidelijk gemaakt dat [eiser] en zijn leidinggevende regelmatig overleg hadden, maar dat bij die gesprekken concreet het functioneren van [eiser] aan de orde is gekomen, is onduidelijk gebleven. Hij en zijn leidinggevende waren het daarover namelijk niet eens. Omdat geen verslaglegging heeft plaatsgevonden, blijft die onduidelijkheid bestaan. Wat echter wel duidelijk is geworden, is dat de non-actiefstelling als een verrassing kwam voor [eiser] . Dat wijst er in ieder geval op dat Chane in het voortraject, zoals hiervoor beschreven, steken heeft laten vallen.
2.6.
Een rechtvaardiging voor de non-actiefstelling zou kunnen zijn dat het functioneren van [eiser] een zodanig acuut en concreet veiligheidsrisico veroorzaakte dat op 19 november 2025 van Chane niet langer kon worden verlangd dat zij hem toeliet op het werk. Op zitting is wel gezegd dat [eiser] als een veiligheidsrisico werd gezien, maar dat en waarom dat het geval was, heeft Chane op geen enkele wijze kunnen concretiseren. Bij deze stand van zaken is dan ook niet aannemelijk geworden dat Chane vanwege het
voorkomen van veiligheidsrisico’s niet anders kon dan [eiser] op 19 november 2025 op non-actief te stellen.
2.7.
Dat wat hiervoor is overwogen, leidt tot het voorlopig oordeel dat geen zwaarwegende omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de non-actiefstelling van [eiser] kunnen dragen. Omdat hij, ondanks dat zijn salaris wordt betaald, zonder meer een te rechtvaardigen belang heeft om weer aan het werk te gaan, wordt die vordering toegewezen. Zoals op zitting besproken, is duidelijk dat een terugkeer wel enige voorbereiding en gesprekken vereist. Er wordt van uit gegaan dat beide partijen zich daarvoor inspannen.
GOR
2.8.
Omdat [eiser] weer moet worden toegelaten tot het werk, betekent dat dat hij zijn voorzitterschap van de GOR ook weer ongehinderd kan uitvoeren. De vordering die daarop ziet, hoeft dus niet apart te worden besproken. Deze wordt toegewezen.
Rectificatie
2.9.
[eiser] heeft onweersproken gesteld en onderbouwd dat na zijn non-actiefstelling intern is gecommuniceerd dat hij niet meer zou terugkeren en door wie hij vervangen zou worden. Volgens [eiser] heeft hij bij een terugkeer belang bij rectificatie van die mededeling door middel van een voorgestelde tekst. Hierop heeft Chane niet gereageerd, zodat deze vordering als onbetwist wordt toegewezen zoals gevorderd.
Dwangsommen
2.10.
De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen. Wel wordt reden gezien deze te matigen tot € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Er zijn namelijk geen concrete aanwijzingen dat Chane niet aan de veroordelingen zal voldoen.
Proceskosten
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van Chane, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Chane aan [eiser] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 825,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en Chane daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Chane om [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis toe te laten tot het verrichten van zijn bedongen arbeid, met toegang tot de systemen die daarbij horen, overeenkomstig zijn arbeidsovereenkomst en onder doorbetaling van zijn loon met emolumenten;
3.2.
bepaalt dat Chane [eiser] niet mag beperken of hinderen in de uitoefening van zijn werkzaamheden als Voorzitter van de Gezamenlijke Ondernemingsraad;
3.3.
bepaalt dat Chane aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag of dagdeel dat Chane in gebreke blijft te voldoen aan het onder 3.1 en 3.2 bepaalde met een maximum van € 10.000,-;
3.4.
veroordeelt Chane om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis een schriftelijke rectificatie te verzenden naar alle medewerkers van Chane en de Gezamenlijke Ondernemingsraad, per e-mail en door plaatsing op het intranet, met uitsluitend de volgende tekst:
“In eerdere communicatie is de indruk gewekt dat de heer [eiser] de organisatie zou verlaten. Deze indruk is onjuist. Het dienstverband met de heer [eiser] loopt onverminderd door. Aan de vrijstelling van arbeid lag geen vastgestelde verwijtbaarheid ten grondslag.”
3.5.
bepaalt dat Chane aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat Chane in gebreke blijft te voldoen aan het onder 3.4 bepaalde met een maximum van € 10.000;
3.6.
veroordeelt Chane in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 825,67;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
67051