3.3.3Nadere bewijsmotivering feit 2: betrokkenheid [medeverdachte] en [verdachte] bij ontploffing
Inleiding
Bij de beoordeling van de betrokkenheid van [medeverdachte] en [verdachte] bij de in de tenlastelegging bedoelde ontploffing wordt hierna een tijdlijn aangehouden, die begint op 6 november 2024, leidt naar de explosie op 11 december 2024 en eindigt op 13 december 2024.
De rechtbank zal daarna ingaan op de verweren – die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en die niet al – worden besproken in onderstaande feitenvaststelling.
Feitenvaststelling
6 november 2024: chatgesprek tussen [verdachte] en ‘ [gebruikersnaam 1] ’Op 6 november 2024 ontvangt [verdachte] op zijn iPhone 13 via Zangi berichten van een persoon die gebruik maakt van de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 1] ’. Deze ’ [gebruikersnaam 1] ’ stuurt [verdachte] (die de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’ gebruikt) een foto van het adres [adres 1] en stuurt tekstberichten over een ‘donkergrijze merry jeep’, een ‘glc of een gle’ en dat je ‘er makkelijk onder kan’.
Het adres op de foto ligt direct om de hoek van het kantooradres van het slachtoffer aan de [adres 2] . Het is de rechtbank verder ambtshalve bekend dat ‘merry’ straattaal is voor een Mercedes. Het slachtoffer rijdt in een donkergrijze Mercedes AMG GLE. Het merk, de kleur en ook het type auto van het slachtoffer komen overeen met de berichten aan [verdachte] . Verder is opvallend dat wordt gesproken over ‘dat je er makkelijk onder kan’. Ook dat komt overeen met het feit dat het explosief onder de Mercedes van het slachtoffer is geplaatst en dat, zoals hierna zal worden besproken, op de camerabeelden te zien is dat [medeverdachte] bij het plaatsen van het explosief onder de auto van het slachtoffer ligt, waar [verdachte] bij aanwezig was.
7 november 2024: opwaardeercode en de Sony Ericsson
[verdachte] stuurt op 7 november 2024 via Zangi aan ‘ [gebruikersnaam 1] ’ een foto van een opwaardeercode voor beltegoed en een opwaardeerinstructie bij Lebara. Vier minuten later wordt deze opwaardeercode gebruikt om het beltegoed op te waarderen voor een simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer wordt gebruikt in een Sony Ericsson K200i.
Deze Sony Ericsson met dit telefoonnummer wordt gebruikt in de periode voor de explosie (4 tot en met 11 december 2024). In deze periode straalt het telefoonnummer vaak de zendmast aan de [adres 3] aan. Deze zendmast bestrijkt het gebied waarin de woning van [medeverdachte] ligt aan de [locatie 1] .
In de nacht van 10 op 11 december 2024 is [medeverdachte] in Rotterdam bij de woning van het slachtoffer aan de [locatie 2] . Hij komt om 03.19 uur weer thuis in Den Haag. De hiervoor genoemde Sony Ericsson straalt tussen 00.34 uur en 01.59 uur driemaal de zendmast aan de [adres 4] aan. Deze zendmast bestrijkt het gebied waarin de woning van het slachtoffer ligt, waar [medeverdachte] op dat moment is. Om 03.22 uur straalt de Sony Ericsson weer de zendmast aan de [adres 3] aan. [medeverdachte] is dan ook weer binnen hetzelfde dekkingsgebied als de Sony Ericsson.
Tijdens het moment van de explosie, die is veroorzaakt door een communicatiesignaal door de Sony Ericsson, straalt de Sony Ericsson eerst de zendmast aan [adres 5] en later de zendmast aan de [adres 3] aan. Beide zendmasten bestrijken het gebied in Den Haag waarin de woning van [medeverdachte] ligt. Gezien de korte duur van de beloproep (5 seconden) sluit de rechtbank uit dat van zendmast werd gewisseld omdat de Sony Ericsson in beweging was. De Sony Ericsson bevond zich in het gebied dat door beide zendmasten werd bestreken. Ook vier minuten na de explosie wordt met de Sony Ericsson gebeld en wordt opnieuw de zendmast aan de [adres 3] aangestraald.
[medeverdachte] heeft de Sony Ericsson dus in de periode van 4 tot en met 11 december 2024, tot na de explosie, in zijn bezit gehad. Dit volgt ook uit het feit dat [medeverdachte] , zoals hierna zal worden besproken, bij elke handeling vanaf het plaatsen van de GPS-tracker tot aan het plaatsen van het explosief betrokken is geweest.
1 december: aankoop, activatie en opwaarderen SIM [telefoonnummer 2]Onder de auto van het slachtoffer is een GPS-tracker aangetroffen. De simkaart in deze GPS-tracker is door [medeverdachte] in de avond van 1 december 2024 gekocht en geactiveerd. Bij het activeren heeft de simkaart de zendmast aan de [adres 3] aangestraald. De woning van [medeverdachte] aan de [locatie 1] ligt -zoals al opgemerkt- in het stralingsgebied van deze zendmast.
De simkaart straalt vanaf de ochtend van 2 december 2024 alleen nog zendmasten in Rotterdam en Schiedam aan, in welke beide plaatsen het slachtoffer afwisselend woont en in Rotterdam tevens kantoor houdt.
nacht 1 op 2 december: voorverkenning adres Rotterdam
Volgens de registraties van het GPS-baken in de door [medeverdachte] vanaf 30 november 2024 gehuurde Volkswagen UP en van de ANPR-gegevens, gaat [medeverdachte] in de nacht van 1 op 2 december 2024 naar Rotterdam en rijdt hij naar de omgeving van een van de woonadressen van het slachtoffer aan de [locatie 2] . De door [medeverdachte] gehuurde Volkswagen UP is ook te zien op camerabeelden van de [locatie 2] .. Dat [medeverdachte] op dat moment in de auto zit, wordt tevens afgeleid uit de camerabeelden bij de woning van [medeverdachte] . De tijdstippen waarop zijn vertrek en zijn thuiskomst zijn te zien, sluiten bovendien naadloos aan op de registraties van zijn Volkswagen UP.
Het slachtoffer is in de nacht van 1 op 2 december 2024 echter niet in zijn woning in Rotterdam. Hij overnacht dan in zijn woning in Schiedam waar hij zijn auto in de garage bij de woning parkeert. [medeverdachte] heeft die nacht de auto van het slachtoffer dus niet kunnen aantreffen + (eventueel) en is de volgende ochtend opnieuw op pad gegaan (zie hierna onder e).
2 december 2024 plaatsen tracker
[medeverdachte] vertrekt op 2 december 2024 ’s ochtends opnieuw in zijn Volkswagen UP naar Rotterdam en rijdt rond 09.11 uur Rotterdam-Noord binnen. Om 09.17 uur en 09.41 uur registreert het GPS-baken van de Volkswagen Up twee locaties in de nabijheid van de ’s-Gravendijkwal. De ’s-Gravendijkwal ligt vlak bij de [straatnaam] , waar het kantooradres van het slachtoffer is. Er zijn tussen deze tijden geen andere reisbewegingen geregistreerd. Precies binnen dit tijdvak (om 09.24 uur) straalt de GPS-tracker onder de Mercedes van het slachtoffer voor het eerst aan, te weten op een zendmast aan de ’s-Gravendijkwal.
De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte] degene is die de GPS-tracker in de ochtend van 2 december 2024 onder de auto van het slachtoffer heeft geplaatst. Ook bij deze reisbeweging sluiten de registraties van de Volkswagen UP en de tijden op de camerabeelden bij de woning van [medeverdachte] naadloos op elkaar aan.
2 op 3 december: voorverkenningen adres RotterdamIn de avond en nacht van 2 op 3 december 2024 voert [medeverdachte] twee voorverkenningen uit bij de woning van het slachtoffer aan de [locatie 2] , die deze nacht wel in Rotterdam verblijft. [medeverdachte] loopt dan in de straat waar het slachtoffer woont en blijft bij de woning van het slachtoffer staan kijken. Hij neemt dan op verschillende momenten de situatie in de straat in zich op. Dat het hier om [medeverdachte] gaat, volgt uit de volgende feiten en omstandigheden.
De persoon op de camerabeelden van de straat van het slachtoffer draagt een combinatie van kleding (witte Nike sneakers, een grijze broek met opvallende donkere vlakken aan de achterzijde en een zwarte jas met capuchon en een logo op de linkerarm), die ook bij de aanhouding en de huiszoeking van [medeverdachte] zijn aangetroffen. De Volkswagen UP van [medeverdachte] is die avond en nacht ook in Rotterdam. Er zijn vijf GPS-registraties vlakbij de woning van het slachtoffer.
Relevant is verder dat [medeverdachte] eerst vanaf 23.18 uur tot 23.21 uur en later weer vanaf 01.59 uur op de camerabeelden in de straat te zien is. Uit de registraties van de Volkswagen UP, de ANPR en de camerabeelden bij de woning van [medeverdachte] , wordt vastgesteld dat [medeverdachte] tussendoor kort terug naar Den Haag is gereden. Hij vertrekt dan opnieuw naar Rotterdam en komt pas weer om 03.13 uur thuis. Alle registraties van de Volkswagen UP, de tijden op de camerabeelden bij de woning van [medeverdachte] en de tijden op de camerabeelden in de straat van het slachtoffer, sluiten ook deze avond en nacht naadloos op elkaar aan.
3 december: chats [gebruikersnaam 3][verdachte] ontvangt op 3 december 2024 op zijn iPhone 13 via Signal berichten van een gebruiker met de naam ‘ [gebruikersnaam 3] ’. Deze ‘ [gebruikersnaam 3] ’ stuurt een afbeelding en de teksten “Dit is die garage” en “Er is dus kans dat die gewoon buiten staat”.Dit komt overeen met het feit dat het slachtoffer, als hij in zijn andere woning in Schiedam verblijft, zijn Mercedes in de garage bij zijn woning parkeert en wanneer hij verblijft in zijn woning in Rotterdam de auto buiten op straat wordt geparkeerd.
9 december: chat ‘ [gebruikersnaam 3] ’
[gebruikersnaam 3] . stuurt op 9 december 2024 opnieuw via Signal een bericht aan [verdachte] met: “Wil je voor die paar K een paar jaar zitten bro”. Hieruit concludeert de rechtbank dat tussen ‘ [gebruikersnaam 3] ’ en [verdachte] wordt gesproken over een misdrijf waarop een jarenlange gevangenisstraf staat en dat – in ieder geval – [verdachte] dat misdrijf voor slechts een paar duizend (‘K’) kan gaan plegen. De explosie onder de auto van het slachtoffer is een delict waarvoor veelal een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd.
9 op 10 december: voorverkenning Schiedam
[medeverdachte] en [verdachte] rijden in de nacht van 9 op 10 december 2024 met de Volkswagen UP naar Schiedam. [medeverdachte] heeft [verdachte] daarvóór in Zoetermeer opgehaald. Zij rijden vervolgens rechtstreeks naar een locatie in Schiedam die globaal overeenkomt met het woonadres van het slachtoffer in Schiedam, die daar die nacht ook verblijft. Deze route leidt de rechtbank af uit de registraties van het GPS-baken in de Volkswagen UP van [medeverdachte] . Gelet op het feit dat [medeverdachte] en [verdachte] zonder omwegen naar het woonadres van het slachtoffer in Schiedam zijn gereden, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte] en [verdachte] de GPS-tracker onder de Mercedes hebben gebruikt om de locatie van het slachtoffer te achterhalen. Op de terugweg zijn [medeverdachte] en [verdachte] samen op camerabeelden van een Esso-tankstation langs de snelweg tussen Rotterdam en Den Haag vastgelegd. Ook daaruit volgt dat zij die nacht samen op pad waren.
10 op 11 december: plaatsen explosief onder de auto
In de nacht voorafgaand aan de explosie zijn [medeverdachte] en [verdachte] bij de woning van het slachtoffer in Rotterdam om het explosief te plaatsen. Dit volgt uit de volgende feiten en omstandigheden.
[medeverdachte] en [verdachte] rijden samen in de Volkswagen Up naar de woning van het slachtoffer in Rotterdam. Om 22.08 uur registreert het GPS-baken van de Volkswagen UP een locatie in de buurt van de woning en om 22.12 uur straalt de telefoon van [verdachte] aan in de straat van het slachtoffer. Daarna vertrekken [medeverdachte] en [verdachte] samen in de Volkswagen Up naar metrostation Maashaven. [medeverdachte] en [verdachte] parkeren naast het metrostation en lopen een avondwinkel binnen. Opvallend is de donkergrijze jas van [verdachte] , die afsteekt tegen de verder zwarte kleding van [medeverdachte] en [verdachte] .
Om 23.39 uur zijn [medeverdachte] en [verdachte] weer terug bij de woning van het slachtoffer. Dan straalt de telefoon van [verdachte] daar weer aan. Op verschillende camerabeelden in de buurt van de woning van het slachtoffer, waaronder een Ring Video Doorbell die recht op de Mercedes van het slachtoffer is gericht, is te zien dat [medeverdachte] en [verdachte] zich vanaf 00.38 uur tot 02.06 uur meerdere keren in de buurt van de Mercedes ophouden. De donkergrijze jas van [verdachte] is duidelijk te zien. De telefoon van [verdachte] straalt in dit tijdvak ook meerdere keren aan rondom de woning van het slachtoffer.
Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte] en [verdachte] eerst afzonderlijk van elkaar langs de auto lopen. Vanaf 00.46 uur zijn zij tegelijk in beeld: [verdachte] staat op de uitkijk als [medeverdachte] kort aan de achterzijde van de Mercedes gaat liggen. Daarna lopen ze samen de straat uit. Dat het om [medeverdachte] en [verdachte] gaat blijkt niet alleen uit de registraties van het GPS-baken van de Volkswagen UP en de registraties van de telefoon van [verdachte] , maar ook uit het opvallende verschil in lengte tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dat is op de camerabeelden duidelijk zichtbaar.
[medeverdachte] komt daarna om 01.22 uur bij de Mercedes terug en gaat dan op zijn knieën aan de rechter zijkant van de Mercedes zitten. Hij is daar ongeveer negen minuten bezig. De rechtbank gaat ervan uit dat [medeverdachte] op dat moment het explosief onder de Mercedes plaatst. Het explosief is immers aan de rechter zijkant van de Mercedes aangetroffen. [medeverdachte] gaat om 02.06 uur nog kort aan de achterzijde van de Mercedes liggen. Daarna vertrekken [medeverdachte] en [verdachte] weer terug in de richting van Den Haag. De Volkswagen UP registreert om 02.11 uur een locatie op ongeveer 1 kilometer van de woning van het slachtoffer. Vanaf 02.20 uur wordt de Volkswagen UP op de snelweg richting Den Haag geregistreerd. [medeverdachte] komt volgens de camerabeelden bij zijn woning om 3.19 uur thuis, nadat hij via Zoetermeer (de woonplaats van [verdachte] ) is gereden. Ook deze nacht sluiten alle registraties van de Volkswagen UP, de locatiegegevens van de telefoon van [verdachte] , de camerabeelden in de straat van het slachtoffer en de camerabeelden bij de woning van [medeverdachte] naadloos op elkaar aan.
Het explosief dat die nacht onder de Mercedes wordt geplaatst bestaat volgens het forensisch onderzoek uit de explosieve springstof PETN, een ontsteker en een module van het merk Quectel, type EC200U. In deze module is een simkaart geplaatst met telefoonnummer [telefoonnummer 3] .
Dat het explosief deze nacht wordt geplaatst, wordt ook afgeleid uit het feit dat tussen 00.34 uur en 03.40 uur zeven contacten tussen de Sony Ericsson waarin de simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] was geplaatst (zie hiervoor onder e) en de simkaart in de Quectel-module worden geregistreerd.
11 december: explosie
Op 11 december 2024 vertrekt het slachtoffer met zijn Mercedes van zijn woning in Rotterdam naar zijn kantoor. Om 08.36 uur komt het explosief onder de Mercedes tot ontploffing. Uit forensisch onderzoek volgt dat de elektrische/elektronische ontsteker waarmee het explosief tot ontploffing is gebracht, is geactiveerd via een Quectel-module.
De hiervoor onder e genoemde Sony Ericsson met daarin de simkaart die op 7 november 2024 wordt opgewaardeerd met een door [verdachte] verstuurde opwaardeercode, was in de periode voorafgaand aan en ook op het moment van de explosie in het bezit van [medeverdachte] . Met behulp van deze Sony Erisson is het explosief tot ontploffing gebracht. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.
Op 11 december 2024 om 08.36 uur is met de Sony Ericsson naar de Quectel-module gebeld en is het explosief daarmee enkele seconden later tot ontploffing gebracht. Het telefoonnummer in de Quectel-module straalt op dat moment een zendmast aan die de locatie van de Mercedes bestrijkt. Vanaf dat moment schakelt het telefoonnummer in de Quectel-module bij inbellen direct naar de voicemail. Dat gebeurt ook als er daarna nog twee keer naar het telefoonnummer in de Quectel-module gebeld wordt. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de module door de explosie was vernietigd. Er zijn na de explosie door de Quectel-module dus geen oproepen meer ontvangen.
De Sony Ericsson straalt tijdens de uitgaande beloproep van 08.36 uur naar de Quectel-module aan op twee zendmasten die beide het gebied bestrijken waarin de woning van [medeverdachte] ligt. Hiervoor is al vastgesteld dat [medeverdachte] de Sony Ericsson de periode voor de explosie bij zich heeft gehad en dat de Sony Ericsson ook in de nacht van 10 op 11 december 2024 met hem mee naar huis is gegaan. Daarom wordt bewezen geacht dat [medeverdachte] op 11 december 2024 om 08.36 uur met de uitgaande beloproep naar de Quectel-module, de ontsteker in het explosief onder de auto van het slachtoffer heeft geactiveerd.
11 december: chat [gebruikersnaam 4]
[verdachte] ontvangt op 11 december 2024 om 14.00 uur een bericht via Signal van een persoon die gebruik maakt van de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 4] ’. Het bericht wordt gestuurd in een groepschat waarin ook een persoon met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 5] ’ tot de groep behoort. [gebruikersnaam 4] stuurt: “Broer in zeg je eerlijk me mayyie is niet tevreden man”. In het licht van de beperkte schade door de explosie van die ochtend, bestaat reden om aan te nemen dat hiermee wordt bedoeld dat de opdrachtgevers niet tevreden zijn met de uitvoering van de explosie.
Diezelfde dag ontvangt [verdachte] van ‘ [gebruikersnaam 3] ’ twee nieuwsberichten en een YouTube filmpje over de aanslag.
12 en 13 december: telefoon echtgenote [medeverdachte]
wordt op 12 december 2024 aangehouden. Zes minuten nadat de politie om 23.40 uur uit zijn woning vertrekt stuurt de echtgenote van [medeverdachte] aan [verdachte] twee berichten: “Hé alles goed” en “Inval”. Dit zonder nadere toelichting, waaruit wordt afgeleid dat voor [verdachte] zonder die toelichting duidelijk was waar dit mee te maken had, namelijk de ontploffing.
Verder maakt de echtgenote van [medeverdachte] nog geen zes uur na de aanhouding van [medeverdachte] in haar telefoon een screenshot van een nieuwsbericht over de explosie onder de auto van het slachtoffer.
Hieruit wordt afgeleid dat de echtgenote van [medeverdachte] moet hebben geweten dat, behalve [medeverdachte] , ook [verdachte] bij de explosie betrokken is geweest.
Conclusie
Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wordt bewezen geacht dat [medeverdachte] en [verdachte] als mededaders bij de tenlastegelegde ontploffing betrokken zijn geweest.