ECLI:NL:RBROT:2026:1471

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
ROT 24/11039
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:41 AwbArt. 5:46 AwbArt. 2.7 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 8.8 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete wegens niet in acht nemen wachttijd bij in de handel brengen landbouwhuisdieren

Eiseres kreeg een bestuurlijke boete van €5.000 opgelegd door [verweerder] wegens het in de handel brengen van een geitenbokje binnen de wettelijke wachttijd na toediening van diergeneesmiddelen. Het geitenbokje was behandeld met middelen waarvoor een wachttijd geldt die niet was gerespecteerd. Eiseres betwistte de boete onder meer op grond van onjuiste rapportage en het feit dat het dier vernietigd is en niet in de voedselketen is gekomen.

De rechtbank oordeelt dat het rapport van bevindingen van de NVWA als voldoende bewijs geldt en dat de toezichthouders deskundig zijn. De verklaring van eiseres dat het geitenbokje per ongeluk is meegegaan, maakt de overtreding niet minder verwijtbaar. De waarschuwing die eerder werd gegeven betrof een andere overtreding (onjuist invullen VKI-formulier) en is niet omgezet in de boete.

De rechtbank stelt vast dat de boete conform het geldende handhavingsbeleid en wettelijke voorschriften is opgelegd en dat de hoogte van €5.000 passend en evenredig is. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een lagere boete rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het boetebesluit blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestuurlijke boete van €5.000 wegens het niet naleven van de wachttijd bij het in de handel brengen van een geitenbokje.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11039
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
de [verweerder]
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.000,- die [verweerder] bij besluit van 19 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid en evenredigheid van de boete.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [verweerder] de boete terecht aan eiseres heeft opgelegd en dat de hoogte van de boete evenredig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven.
2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. [verweerder] heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. Eiseres heeft op 26 januari 2026 een nader stuk ingediend.
2.4. [verweerder] heeft op 29 januari 2026 en 10 februari 2026 nadere stukken ingediend.
2.5. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van [verweerder] en [persoon B] , werkzaam als toezichthouder Diergeneesmiddelen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
3. [verweerder] heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 22 mei 2024 ( [rapportnummer] ), opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende:

“(…) Aanleiding:

(…)
Op 23-04-2024, ontving ik (…) via de e-mail van de Inspecteur coördinator Diergeneesmiddelen, een VKI-melding. (…) Aan de betreffende e-mail was een bijlage met de naam “Formulier Dubieuze VKI” toegevoegd. (…)

Gegevens VKI

Naam veehouder : [persoon C] (…)
Levensnummer dier : NL [nummer X]
Datum aanvoer : 10-4-2024

Bevindingen AM en PM

AM: littekens op het kopje van het onthoornen (herstellende brandgaten) (…)

Reden melding:

Onthoornd speenbokje aangeboden ter slacht wat zeer waarschijnlijk in de wachttijd zat van gebruikte middelen bij het onthoornen, terwijl op de VKI alle vragen met “NEE” waren beantwoord. (…)

Bevindingen:

Naar aanleiding van bovenstaande bevonden wij (…) ons op donderdag 2 mei 2024 omstreeks 11:30 uur op het erf van [bedrijf X] aan de [adres] , [postcode] te [plaats 1] , gelegen binnen de gemeente Hof van Twente. (…) Dhr. [persoon C] vertelde dat er bij de jonge geiten een visitebrief heeft van de dierenarts. (…) Dhr. [persoon C] overhandigde ons (…) een ordner met papieren. Ik (…) zag hier de handgeschreven visitebrieven van de dierenarts van de Dierenartsenpraktijk [naam praktijk] te [plaats 2] . Op het visiteformulier herkauwers van de datum 18 maart 2024, stond de volgende gegevens vermeld:
Naam bedrijf: [bedrijf Y]
Adres: [adres] Tijd: van 14:15 tot 16:20
Naam dierenarts: [persoon D] + [persoon E]
Datum: 18-03-‘24
Bevindingen en adviezen:
109 lammeren onthoornd + Gudair (1cc), Meloxidyl (1cc), Albipen (0,5cc)
4 lammeren geëuthanaseerd i.v.m. pootproblemen
Dhr. [persoon C] gaf aan dat het betreffende geitenbokje met ID-code [code] , op bovenstaande datum ook per abuis is onthoornd en dit geitenbokje ook de diergeneesmiddelen toegediend heeft gekregen. (…)
Ik (…) stelde vast dat diergeneesmiddelen Melovem/Meloxidyl een wachttijd voor vlees van runderen 15 dagen is, en voor het diergeneesmiddel Albipen voor vlees van rund, schaap en varken 28 dagen is. Dit betekent volgens de Cascade de wachttijd voor geiten met 1,5 vermenigvuldigd moet worden. Dan wordt de wachttijd voor vlees: Melovem/Meloxidyl 15 dagen x 1,5= 22,5 dagen, naar boven afgerond 23 dagen, en voor Albipen 28 dagen x 1.5= 42 dagen. Dit geconstateerd te hebben en dat het geitenbokje met de bovenstaande diergeneesmiddelen behandeld is op 18 maart 2024, en ter slacht aangeboden op 10 april 2024, blijkt dat het geitenbokje 20 dagen binnen de wachttijd van het diergeneesmiddel Albipen is afgevoerd naar een slachterij.

Overtreding 1:

Gezien dat het voorgenoemde geitenbokje op 10 april 2024 ter slacht is aangeboden en recent is behandeld met bovengenoemde diergeneesmiddelen, hadden vraag 1 “Bevinden de dieren zich nog in de wettelijke wachttermijn van toegediende diergeneesmiddelen?” en vraag 2 “Zijn de dieren in de 35 dagen voorafgaande aan de slacht ziek geweest en/of behandeld met diergeneesmiddelen” met “JA” op het VKI-formulier beantwoord moeten worden. (…)

Overtreding 2:

Ik (…) stelde vast dat [eiseres] de voorgeschreven wachttijden niet in acht had genomen voor het in de handel brengen van landbouwhuisdieren in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten. (…)

Verklaring:

Ik (…) deelde dhr. [persoon C] mede dat [verweerder] Zaken naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boete kan opleggen. Tevens zei ik (…) dat de gehoorde, of de rechtspersoon die hij vertegenwoordigde, ingevolge het bepaalde in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht niet tot antwoorden verplicht was. Hierop verklaarde dhr. [persoon C] mij het volgende:
“Ik ben er niet van bewust geweest dat het geitenbokje is meegevoerd. Het was een vergissing dat het een geitenbokje was (dachten dat het een geit was). Onbewust is het geitenbokje mee in de koppel gegaan. Wellicht heeft een medewerker (met een beperking) een foutje gemaakt met het uitselecteren. Het is per ongeluk zo gegaan.”(…)”
3.1.
Op 30 mei 2024 heeft [verweerder] zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres heeft op 28 juni 2024 een zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.
3.2.
Bij besluit van 19 juli 2024 (boetezaaknummer [zaaknummer] ) heeft [verweerder] aan eiseres een bestuurlijke boete van € 5.000,- opgelegd vanwege het volgende beboetbare feit: de voorgeschreven wachttijd werd niet in acht genomen voor het in de handel brengen van landbouwhuisdieren in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten. Volgens [verweerder] heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 2.7, tweede lid, onderdeel a, onder 1 en artikel 2.25, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 5.3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022.
3.3.
Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven. Wel heeft hij de wettelijke grondslag waarop de boete is gebaseerd gewijzigd in artikel 2.7, eerste en tweede lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet dieren, in samenhang met artikel 7.1, onder c, van het Besluit diergeneesmiddelen en artikel 5.3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling diergeneesmiddelen.
Beoordeling door de rechtbank
Stelt eiseres terecht dat [verweerder] geen bestuurlijke boete had mogen opleggen?
4. Eiseres voert aan dat de twee toezichthouders het rapport van bevindingen niet correct hebben opgemaakt. In het rapport is een verklaring van eiseres weergegeven als een citaat, terwijl dit niet de juiste weergave van de geschreven verklaring is. Het is kwalijk dat het rapport van bevindingen op 30 mei 2024 is gebruikt om een voornemen tot boeteoplegging uit te doen, terwijl de constatering is gedaan op 10 april 2024. Die constatering heeft ook geleid tot "GTS" (geen toestemming tot slachten). Het bokje is vernietigd en is dus nooit in de voedselketen gekomen. Naar aanleiding van de constatering op 10 april 2024 heeft eisers ook al een waarschuwing gekregen op 8 mei 2024.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. In beginsel mag een bestuursorgaan uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarnemingen en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarnemingen waarderende elementen kennen. [1]
4.1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder] mogen uitgaan van de bevindingen van de toezichthouder zoals die in het rapport van bevindingen zijn neergelegd. De toezichthouders hebben in het rapport van bevindingen duidelijk beschreven wat zij hebben waargenomen. Zij hebben naar aanleiding van een melding over een "dubieuze VKI" onderzoek gedaan op het bedrijf van eiseres. Tijdens dat onderzoek is gebleken dat het op 10 april 2024 ter slacht aangeboden geitenbokje (met levensnummer [code] ) op 18 maart 2024 was behandeld met de middelen Gudair (1cc), Meloxidyl (1cc) en Albipen (0,5cc). De wachttijd voor Albipen was in dit geval 42 dagen, omdat dit middel niet is toegelaten voor geiten en de reguliere wachttijd van 28 dagen daarom met 1,5 moet worden vermenigvuldigd. Dit volgt uit de Cascade voor voedselproducerende dieren. Op het moment van het aanbieden ter slacht liep de wachttijd nog 20 dagen.
4.1.3.
De stelling dat het rapport van bevindingen niet correct is opgemaakt door de twee toezichthouders omdat het citaat niet de juiste weergave is van de geschreven verklaring, volgt de rechtbank niet. Het rapport van bevindingen bevat een verklaring van de heer [persoon C] , waaruit volgt dat hij tegen de toezichthouder heeft verklaard dat het geitenbokje onbewust is meegegaan en dat dit per ongeluk was. Deze verklaring komt overeen met het standpunt dat in deze procedure namens eiseres is ingenomen en vormt ook de kern van het standpunt dat als een citaat is weergegeven in het rapport van bevindingen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting gevraagd welke conclusies hij verbindt aan deze beroepsrond. Op deze vraag is de gemachtigde het antwoord schuldig gebleven.
4.1.4.
Eiseres heeft het rapport van bevindingen voor het overige inhoudelijk niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in het rapport te twijfelen.
4.1.5.
Verder betekent het feit dat het bokje is vernietigd, niet dat er geen overtreding is gepleegd. Zoals [verweerder] ook terecht stelt, zou het vlees van het bokje zonder ingrijpen van de toezichthoudend dierenarts in het slachthuis, wel in de menselijke voedselketen terecht zijn gekomen. [verweerder] stelt terecht dat de consument er op moet kunnen vertrouwen dat het vlees dat hij eet veilig is.
4.1.6.
Het standpunt dat het kwalijk is dat het rapport van bevindingen op 30 mei 2024 is gebruikt om een voornemen tot boeteoplegging uit te doen, terwijl de constatering is gedaan op 10 april 2024, volgt de rechtbank niet. De rechtbank begrijpt deze grond in het kader van het standpunt van eiseres dat de waarschuwing (ten onrechte) is omgezet in een boete. Dat standpunt klopt echter niet, want de waarschuwing is opgelegd voor overtreding 1 (het onjuist invullen van het VKI-formulier) en de boete voor overtreding 2 (het in de handel brengen van het geitenbokje binnen de wachttijd). [verweerder] heeft dit op pagina 5 van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Dat de waarschuwing en de boete feitelijk voortkomen uit dezelfde vergissing (het per ongeluk meegaan van het geitenbokje op het transport van lammeren naar het slachthuis), neemt niet weg dat sprake is van twee afzonderlijke overtredingen. Dat sprake is van twee overtredingen, en niet van een waarschuwing die is omgezet in een boete, had eiseres overigens ook duidelijk kunnen zijn uit de waarschuwing van 8 mei 2024 voor het onjuist invullen van het VKI-formulier, waarin staat dat eiseres later nog bericht krijgt over het aangezegde rapport van bevindingen voor het afleveren van een geitenbokje binnen de wachttijd.
4.2.
Op grond van het voorgaande is komen vast te staan dat eiseres in strijd heeft gehandeld met artikel 2.7, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet dieren in verbinding met artikel 7.1, onder c, van het Besluit diergeneesmiddelen en artikel 5.3, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling diergeneesmiddelen door het geitenbokje in de handel te brengen terwijl de wachttijd nog niet was verstreken. [verweerder] was daarom bevoegd eiseres daarvoor een bestuurlijke boete op te leggen.
4.3.
[verweerder] heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet maakt dat de overtreding haar niet, of minder, kan worden verweten. De rechtbank volgt [verweerder] in diens standpunt dat eiseres er verantwoordelijk voor dat is ieder risico voor de volksgezondheid wordt vermeden en dat zij daar door haar handelwijze niet in is geslaagd. De rechtbank is het met [verweerder] eens dat het eiseres duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het bokje nog in de wachttijd zat. Gelet op het belang dat de overtreden norm dient – de bescherming van de volksgezondheid – wordt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders door het op de zitting ingenomen en onderbouwde standpunt dat eiseres vanaf het jaar 2000 10.863 dieren heeft afgeleverd, waarvan het onderhavige geitenbokje het eerste dier is waarbij deze overtreding is vastgesteld.
Hoogte en evenredigheid van de boete
5. Eiseres voert aan dat een boete van € 5.000,- niet in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid. De waarschuwing veranderde in een flinke boete. De menselijke maat ontbreekt.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.1.
De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak al uitgelegd dat geen sprake is van een waarschuwing die is veranderd in een boete, maar van een waarschuwing voor overtreding 1 en een boete voor overtreding 2. Dat de waarschuwing en boete voortkomen uit dezelfde vergissing, neemt namelijk niet weg dat wel degelijk sprake is van twee verschillende overtredingen.
5.1.2.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat hij het ernstig vindt dat eiseres nu al gekort is op haar subsidie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid omdat de bestuurlijke boete nog niet definitief is. Die korting maakt op zichzelf echter nog niet dat de bestuurlijke boete onevenredig is. Eiseres kan dit punt bovendien naar voren brengen in de procedure die zij is gestart tegen die korting. De korting zelf ligt in deze procedure niet voor en de rechtbank kan die dus verder ook niet bij haar beoordeling betrekken.
5.1.3.
Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat eiseres is geschrokken van de hoogte van de boete, zeker als het de eerste keer is dat eiseres een boete krijgt, vormt de eerdergenoemde op de zitting overgelegde uitdraai geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de hoogte van de boete onevenredig moet worden geacht.
5.1.4.
In het Specifiek interventiebeleid NVWA diergeneesmiddelen (IB03-SPEC 03, versie 09) heeft [verweerder] vastgelegd op welke wijze met de boetebevoegdheid wordt omgegaan. Uit de bijlage bij dit beleid (regel 03R012510) volgt dat overtreding 2 een zware overtreding is met een (risico op) ernstig gevaar voor dierenwelzijn, volksgezondheid en/of voedselveiligheid. De wetgever heeft in de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren vastgesteld welke boetes bij deze overtredingen evenredig worden geacht. Uit de bijlage bij artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat bij overtreding van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022 een boete uit categorie 4 is aangewezen. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren bedraagt de boete van categorie € 5.000,-. [verweerder] heeft dus in overeenstemming met zijn beleid en de wettelijke voorschriften het standaardboetebedrag van € 5.000,- aan eiseres opgelegd.
5.1.5.
Eiseres heeft verder geen gronden aangevoerd over de hoogte van het standaardboetebedrag. Zij heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de hoogte van de boete onevenredig moet worden geacht. Daarom heeft [verweerder] geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het boetebesluit in stand blijft omdat de overtreding vaststaat, het boetebedrag evenredig is en er geen reden is om een lagere boete op te leggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46, eerste en derde lid
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Besluit diergeneesmiddelen 2022
Artikel 7.1, aanhef en onder c
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de uitvoering van EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op bij die EU-rechtshandelingen aangewezen substanties over het houden van en de handel in dieren of dierlijke producten die deze substanties bevatten.
Regeling diergeneesmiddelen 2022
Artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder c
Het is een ieder verboden landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren in de handel te brengen waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wachttijd niet in acht is genomen.
Wet dieren
Artikel 2.7, eerste en tweede lid, onderdeel a, onder 2
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het verkopen, het ten verkoop in voorraad hebben, het ten verkoop aanbieden, het kopen, het verhuren, het afleveren, het in de handel brengen en het in of buiten Nederland brengen van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:
a. een verbod op het verkopen, het voor de verkoop in voorraad hebben, het voor de verkoop aanbieden, het kopen, het verhuren, het afleveren, het in de handel brengen of het in of buiten Nederland brengen van:
2°. andere aangewezen dieren, diersoorten of diercategorieën.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
d. categorie 4: € 5000.
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.3
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling diergeneesmiddelen 2022 Categorie
Artikel 5.3, eerste lid 4

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 20 januari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:17.