ECLI:NL:RBROT:2026:1470

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
ROT 24/11151
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 8.7 Wet dierenArt. 8.8 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 5:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete voor vervoer van niet transportwaardig rund wegens klauwaandoening

Eiseres kreeg een bestuurlijke boete van €3.000 opgelegd door [verweerder] wegens het vervoeren van een rund dat niet geschikt was voor transport omdat het niet pijnloos kon bewegen. De overtreding was vastgesteld op basis van een rapport van bevindingen van een toezichthouder van de NVWA, die onder meer apathie, afwijkende gang en een ernstige klauwaandoening (teenpuntnecrose) constateerde.

Eiseres betwistte de boete en stelde dat de kreupelheid pas tijdens het transport was ontstaan en dat de chauffeur de stier als transportwaardig had beoordeeld. Ook voerde zij aan dat meerdere dierenartsen weigerden een second opinion te geven, waardoor haar verdediging werd geschaad. De rechtbank oordeelde dat het rapport van de NVWA voldoende bewijs bood en dat de waarnemingen van de toezichthouder, die over de benodigde expertise beschikt, zwaarder wegen dan de verklaringen van eiseres.

De rechtbank verwierp ook het verweer dat de Transportverordening toestaat lichtgewonde dieren te vervoeren, omdat de stier niet op alle vier poten kon staan en de aandoening chronisch en pijnlijk was. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede vanwege recidive en het geldende boetebeleid. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de boete in stand bleef en eiseres geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestuurlijke boete van €3.000 wegens het vervoeren van een niet transportwaardig rund.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11151

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] ., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),
en

de [verweerder]

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 3.000,- die [verweerder] bij besluit van 5 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid en evenredigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [verweerder] de boete terecht aan eiseres heeft opgelegd en dat de hoogte van de boete evenredig is
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
[verweerder] heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft op 30 januari 2026 en 9 februari 2026 nadere stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres, vergezeld door zijn echtgenote [persoon B] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van [verweerder] .

Totstandkoming van het besluit

3. [verweerder] heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 7 mei 2024 ( [rapportnummer] ), opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende:
“(…)
Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding(en): 4 april 2024, omstreeks 6:15 uur. (…)
Omstreeks 6:15 uur werd er door de chauffeur van [eiseres] . een rund gebracht met I&R (identificatie en registratie) nummer [nummer] (zie foto 1). Het betrof een zwarte stier die apart van de koeien werd getransporteerd op een veewagen met het kenteken [kentekennummer] (zie foto 2). De stier liep stram en kwam met een afwijkende gang de wagen af. (…)
Omstreeks 7:00 uur heb ik de stier uitgebreid beoordeeld.

Algemene indruk:

Bewustzijnsniveau en gedrag
Ik zag dat de stier in rust een wat afwezige indruk (apathie) op mij maakte. Ik zag dat de stier minder gefocust was op zijn omgeving. Hij hield zijn kop enigszins omlaag met zijn oren naar achteren en afhangend (zie foto 3 + 4). De positie van de kop en oren en de apathische houding herken ik als tekenen van pijn (zie bijlage "Identifying Pain Behaviors in Dairy Cattle").

Houding en gang

Afwijkende houding in stilstand
In stilstand zag ik dat de stier enkel de punt van de rechter achter klauw op de grond liet rusten (zie video 1) of de rechter achter klauw naar voren plaatste (zie video 2). Ik zag dat de stier na het raken van de grond met de rechter achterklauw de rechter achterpoot direct optilde en zo op 3 poten bleef staan (zie video 3).
Afwijkende gang tijdens beweging
Bij het in beweging komen zag ik dat de stier de rechter achterklauw een zeer korte tijd belastte om het vervolgens weer direct te ontlasten. Ik zag dat de stier zijn gewicht direct op de linker achterklauw verplaatste met het naar voren bewegen. Bij deze verkorte stap met rechter achterklauw naar voren, zag ik de rechter heup steeds even doorzakken (zie video 3). De verkorte stap naar voren met de rechter achterpoot en het doorzakken in de rechter heup zijn uitingen van pijn bij het neerzetten van de rechter achterpoot.
Ik zag dat de stier bij draaiing rechtsom de rechter achter klauw helemaal niet belastte en het
gewicht voornamelijk op de voorhand plaatste. De stier maakte de draai op 3 poten, de 2
voorpoten en de linker achterpoot (zie video 3). De afwijkende gang en het niet willen belasten
van de rechter achterpoot herken ik als dierenarts als tekenen van pijn.

In het oog springende klinische afwijkingen

Vorm van de rechter achterklauw
Ik zag dat de klauw van de rechter achterpoot sterk afweek. Vooral in vergelijking met de vorm van de klauw van de linker achterpoot. De schoen van de rechter achter klauw (het hoornige deel) was verlengd en de klauw was verdikt (zie foto 5).
Na het vastleggen van de bevindingen bij het levende dier, heb ik de stalbaas opdracht gegeven om de stier met voorrang te slachten. (…).

Postmortem bevindingen: (…)

Met behulp van de afbeelding "Overzicht klauwstructuren" te vinden in de bijlagen, zal ik mijn bevindingen toelichten. Tijdens het nader onderzoek van de beide achterklauwen zag ik dat het wandhoorn (Wall of hoof) en zoolhoorn (Sole of hoof) van de rechter achter klauw aanzienlijk langer waren dan het wandhoorn en zoolhoorn van de linker achter klauw (zie foto 5 +6). Ik zag dat de zoolhoorn van de rechter achterklauw dusdanig aangetast was, dat er een open verbinding bestond met de dermis (Corium) (zie foto 6+7+8).
De lange wandhoorn van de rechter klauw duidt op een afwijkende hoorngroei. Met mijn kennis als dierenarts weet ik dat afwijkende hoorngroei het resultaat is van een afwijkende stand door een onderliggende klauwaandoening, die chronisch van aard is. Als dierenarts herken ik het beeld van de rechter achter klauw (zie foto 8) als teenpuntnecrose.
Teenpuntnecrose is een zeer pijnlijke aandoening. Het ontstaat nadat er een gaatje in de wand van de klauw of een gaatje in de zool van de klauw (het hoorn) port d'entree biedt voor bacteriën die het dieperliggende weefsel van de klauw infecteren. Het weefsel (dermis) onder het hoornige deel van de klauw is rijk doorbloed en bevat veel zenuwuiteinden. Aantasting van dit weefsel veroorzaakt pijn.
Wanneer bacteriën een weg naar binnen hebben gevonden ontstaat er een ontsteking met necrose en in dit geval ook pus. (…) De pus was niet zichtbaar maar wel te ruiken. Necrose is afstervend weefsel. Het kleurt zwart en het stinkt. De zwarte kleur is duidelijk zichtbaar op foto 8. De necrose heb ik duidelijk geroken bij het nader onderzoek van de rechter achter klauw.
De tijdsduur die nodig is om tot de fase van ontsteking te komen waarbij de opruimcellen
(macrofagen) actief zijn, is minimaal 3 dagen (zie ''granulatie grafiek").
(…). Tijdens het transport is de stier gedwongen om de poot te belasten om zich staande te houden. Dit gebeurt met name bij het laden en lossen van de wagen, tijdens het transport bij bochten, bij het remmen en bij hobbels in de weg. Dit heeft onnodig pijn veroorzaakt. (…) In de bijlagen is "I&R raadplegen verblijfplaatsen" te vinden. Hierop is te zien dat de stier op 4 april 2024 vervoerd is van
[adres 1] te Harmelen naar de [adres 2] te Epe. Aangezien mijn controle op 4 april
2024 omstreeks 6.15 uur plaatsvond, maak ik hieruit op dat de stier voor aanvang van het
transport niet op eigen kracht pijnloos kon bewegen.
De houding en gang van de stier vond ik dusdanig afwijkend dat dit merkbaar en zichtbaar moet zijn geweest tijdens het opladen van het dier en op de plaats van vertrek.
De gegevens met betrekking tot de vervoerder heb ik verkregen middels de vergunning voor vervoerders dat mij door de chauffeur, de heer [persoon C] , is overhandigd (zie bijlage vergunning voor vervoerders). Daarop zag ik staan dat [eiseres] . het transport van de stier had verzorgd.
De vervoerder vervoerde een stier die niet mocht worden vervoerd omdat hij niet geschikt was
voor het voorgenomen transport; de stier was niet in staat zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. (…)”
3.1.
Op 14 juni 2024 heeft [verweerder] zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. Eiseres heeft geen zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.
3.2.
Bij besluit van 5 juli 2024 (boetezaaknummer [zaaknummer 1] ) heeft [verweerder] aan eiseres een bestuurlijke boete van € 3.000,- opgelegd vanwege het volgende beboetbare feit: de vervoerder vervoerde een rund dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Volgens [verweerder] heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, bijlage I, hoofdstuk I, § 1 en § 2, onder a, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening). [verweerder] heeft het standaardboetebedrag voor het beboetbare feit verhoogd, omdat eiseres op 7 mei 2021 (boetezaaknummer [zaaknummer 2] ) eerder beboet is voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
3.3.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft [verweerder] bewezen dat eiseres de overtreding heeft gepleegd?
4. Eiseres betwist dat de stier voor aanvang van het transport niet transportwaardig was. De chauffeur die de stier heeft vervoerd, heeft de transportwaardigheid voldoende onderzocht. Zijn beoordeling dient serieus genomen te worden. Tijdens het lossen zag de chauffeur dat de stier kreupel liep. Hij was hierover verbaasd, omdat de stier zo niet liep bij het laden. Eiseres gaat er daarom vanuit dat de kreupelheid pas is ontstaan tijdens het transport, dan wel pas zichtbaar is geworden tijdens of na het transport. Eiseres trekt het rapport van bevindingen in twijfel. De toezichthouder heeft de stier van een afstand beoordeeld. Er is geen onderzoek aan de poot gedaan bij leven. Pas bij de post mortem keuring is de poot schoongespoten en is een klauwaandoening gezien. Uit het rapport blijkt niet dat deze klauwaandoening bij leven gezien kon worden. Op de foto’s en de video is het in ieder geval niet te zien; de stier oogt verder gezond. Het rapport van bevindingen toont dus niet aan dat de stier voor aanvang van het transport niet transportwaardig was. Verder is hier van belang dat het om levende have gaat. Tijdens het transport kan de situatie van de stier veranderen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [1] van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. In beginsel mag een bestuursorgaan uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarnemingen en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarnemingen waarderende elementen kennen.
4.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder] mogen uitgaan van de bevindingen van de toezichthouder zoals die in het rapport van bevindingen zijn neergelegd. De toezichthouder heeft in het rapport voldoende duidelijk beschreven wat hij heeft geconstateerd, namelijk dat hij een stier zag die stram liep en met een afwijkende gang de wagen af kwam. Tijdens een uitgebreide beoordeling heeft de toezichthouder vastgesteld dat de stier in bewustzijnsniveau en gedrag tekenen van pijn vertoonde (apathie, kop omlaag, oren naar achteren). Daarnaast vertoonde de stier in zowel zijn houding in stilstand als tijdens beweging tekenen van pijn (op drie poten staan en draaien, rechter achterpoot niet willen belasten). Verder heeft de toezichthouder een klinische afwijking geconstateerd: de schoen van de rechter achter klauw (het hoornige deel) was verlengd en de klauw was verdikt. Deze bevindingen heeft de toezichthouder bij leven (ante mortem) gedaan. Na het vastleggen van deze bevindingen, heeft hij de stalbaas opdracht gegeven om de stier met voorrang te slachten.
4.2.2.
Post mortem heeft de toezichthouder nog het volgende geconstateerd. Tijdens het nader onderzoek van de beide achterklauwen zag hij dat het wandhoorn (Wall of hoof) en zoolhoorn (Sole of hoof) van de rechter achter klauw aanzienlijk langer waren dan het wandhoorn en zoolhoorn van de linker achter klauw. De zoolhoorn van de rechter achterklauw was dusdanig aangetast, dat er een open verbinding bestond met de dermis. De lange wandhoorn van de rechter klauw duidt op een afwijkende hoorngroei, die het resultaat is van een afwijkende stand door een onderliggende klauwaandoening, die chronisch van aard is. Dit duidt volgens de toezichthouder op teenpuntnecrose, wat een zeer pijnlijke aandoening is. Het weefsel (dermis) onder het hoornige deel van de klauw is namelijk rijk doorbloed en bevat veel zenuwuiteinden. Aantasting van dit weefsel veroorzaakt pijn. Ook heeft de toezichthouder duidelijk pus en necrose geroken. De tijdsduur die nodig is om tot deze fase van ontsteking te komen, is volgens de toezichthouder minimaal drie dagen.
4.2.3.
Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank eiseres niet in haar stellingen dat uit het rapport niet blijkt dat deze klauwaandoening bij leven gezien kon worden en dat het rapport van bevindingen dus niet aantoont dat de stier voor aanvang van het transport niet transportwaardig was. Zoals [verweerder] in het verweerschrift terecht opmerkt, blijkt uit het rapport van bevindingen namelijk dat de toezichthoudend dierenarts (bij het levende dier) zag dat de klauw van de rechter achterpoot sterk afweek van de linkerklauw. De schoen van de rechter achterklauw was verlengd en de klauw was verdikt en dat de toezichthoudend dierenarts dit een ‘in het oog springende klinische afwijking’ noemt. Deze bewoordingen duiden er op dat de klauwaandoening juist wel bij leven kon worden gezien.
4.2.4.
Verder stelt [verweerder] in het verweerschrift dat de hoorn van de klauw niet binnen de enkele uren die het transport duurde, zo afwijkend kan groeien. Op de zitting heeft de gemachtigde van [verweerder] in aanvulling op het voorgaande nog toegelicht dat zij van de toezichthoudend dierenarts heeft begrepen dat een klauw slechts enkele millimeters per maand groeit en dat een aanzienlijk langere achterklauw betekent dat de stier die achterpoot gedurende langere tijd niet heeft belast, omdat de klauw afslijt bij belasting.
4.2.5.
Uit de bevindingen tijdens het ante mortem onderzoek blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien duidelijk dat de stier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. Dit ziet de rechtbank bevestigd in de video’s die aan het rapport van bevindingen zijn toegevoegd. Aan die conclusie kan niet afdoen dat de toezichthoudend dierenarts de precieze medische oorzaak daarvan pas post mortem heeft vastgesteld. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de teenpuntnecrose volgens de toezichthouder al minimaal drie dagen voor het transport aanwezig was. De toezichthouder heeft dit in het rapport van bevindingen onderbouwd door te verwijzen naar de granulatiegrafiek. De stelling van eiseres dat het om levende have gaat en dat de situatie van de stier tijdens het transport kan veranderen, leidt dus niet tot een ander oordeel. Dit verklaart namelijk niet dat de toezichthoudend dierenarts pus en necrotisch weefsel heeft gezien en heeft onderbouwd dat teenpuntnecrose een pijnlijke aandoening is. Ook is ter zitting en in het verweerschrift toegelicht dat de aanzienlijk langere klauw van de rechter achterpoot betekent dat de stier de poot al langere tijd niet heeft belast. Gelet op het voorgaande is de rechtbank het met [verweerder] eens dat ook de chauffeur van eiseres had kunnen en moeten zien dat de stier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen en dus ongeschikt was voor transport. Dit volgt overigens ook uit de door eiseres aangehaalde “Praktische richtlijnen voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van volwassen runderen” (Praktische richtlijnen). Op pagina 16 van de Praktische richtlijnen staat het voorbeeld vermeld van een rund waarvan de linker voorpoot ontstoken en opgezwollen is en de grond niet raakt. In een dergelijke situatie mag een rund niet worden vervoerd, omdat het niet in staat is zich zonder pijn te bewegen.
Is punt 3, onder a, van hoofdstuk 1 Bijlage I van de Transportverordening van toepassing?
5. Eiseres voert aan dat in de Transportverordening is bepaald dat lichtgewonde of zieke dieren vervoerd mogen worden als het vervoer geen extra lijden veroorzaakt. De stier valt onder deze categorie. Ten onrechte heeft [verweerder] dit verweer ter zijde geschoven.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.1.
In paragraaf 3, onder a, van Hoofdstuk I in Bijlage I van de Transportverordening staat dat zieke of gewonde dieren wel in staat kunnen worden geacht te worden vervoerd wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt. De rechtbank is met [verweerder] van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Eiseres beroept zich in dit verband op de Praktische richtlijnen, maar op pagina 27 daarvan staat als algemeen principe: een dier dat niet op alle vier poten kan staan, kan niet worden vervoerd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat die situatie zich in dit geval voordeed. Voor zover de chauffeur van eiseres de tekenen van pijn niet heeft gezien, had hij dus ook op basis van dit algemene principe moeten beslissen dat de stier niet mocht worden vervoerd. Van een situatie als beschreven in paragraaf 3 was dan ook geen sprake.
Kan eiseres worden verweten dat zij de overtreding heeft gepleegd?
6. Eiseres voert aan dat zij haar best heeft gedaan om deze stier goed te vervoeren en de chauffeur in oprechtheid - en na onderzoek - heeft beoordeeld dat de stier vervoerd kon worden. Daarmee dient rekening gehouden te worden.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1.1.
Wat eiseres heeft aangevoerd, maakt niet dat de overtreding haar niet, of minder, kan worden verweten. Eiseres heeft verklaringen van de chauffeur en de veehouder overgelegd, ter onderbouwing van haar stelling dat de aandoening voor haar chauffeur niet zichtbaar was. Dit is echter, gelet op de hiervoor beschreven waarnemingen van de toezichthoudend dierenarts, niet aannemelijk. De rechtbank kent meer gewicht toe aan de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts, die wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise.
6.1.2.
Verder is van belang dat eiseres verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren die zij vervoert. Het vervoeren van runderen behoort tot de normale bedrijfsvoering van eiseres. Van haar, als professionele onderneming die dagelijks met dieren omgaat, mag daarom worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat alleen dieren die geschikt zijn voor transport worden vervoerd. Dat de chauffeur de stier wel transportwaardig achtte, maakt dit niet anders.
7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres in strijd heeft gehandeld met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, alsmede in verbinding met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, Hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, aanhef en onder punt a, van de Transportverordening. Wat eiseres heeft aangevoerd maakt niet dat de overtreding haar niet, of minder, kan worden verweten. [verweerder] was daarom in beginsel bevoegd eiseres daarvoor een boete op te leggen.
Stelt eiseres terecht dat zij in haar verdediging is geschaad?
8. Eiseres voert aan dat het voor haar niet zichtbaar was dat de stier een klauwaandoening had. Eiseres heeft meerdere dierenartsen benaderd met de vraag een second opinion uit te voeren aan de hand van het rapport van bevindingen, de foto's en de video. Echter, de dierenartsen willen dat niet aangezien ze niet betrokken willen worden in een boetegeschil met de NVWA. Hierdoor kan eiseres zich niet goed verdedigen. Er dient een deskundige te worden aangewezen die een second opinion uitvoert.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
8.1.1.
De stelling dat zij meerdere dierenartsen tevergeefs heeft gevraagd om een second opinion, heeft eiseres niet nader onderbouwd. Los daarvan ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen, nu het rapport van bevindingen voldoende bewijs biedt voor de overtreding en de rechtbank daarover geen twijfels heeft.
Hoogte en evenredigheid van de boete
9. Eiseres voert aan dat het boetesysteem en de opgelegde boete disproportioneel en onevenredig is. Nederland heeft het strengste boetebeleid van alle EU-lidstaten en straft daarmee zwaarder dan andere EU-landen. De menselijke maat en oog voor de dagelijkse realiteit zijn ver te zoeken. De boete staat verder niet in verhouding tot de opbrengst die eiseres ontvangt voor het transport van deze stier. De stier is geslacht en de veehouder heeft deze betaald gekregen. De veehouder heeft ook een boete gehad, maar de stier heeft meer opgebracht dat de boete. Voor eiseres is de schade veel groter, terwijl de eerste verantwoordelijkheid bij deze veehouder ligt. Eiseres wordt zo ten onrechte zwaarder gestraft dan de veehouder. Eiseres is een klein transportbedrijf, maar vervoert meer dan 100.000 runderen per jaar. Het is daarbij onmogelijk om in de toekomst te kijken en voor het laden te bepalen hoe de runderen tijdens het lossen van de auto afkomen. Eiseres voorziet dat als op deze wijze boetes opgelegd blijven worden, eiseres haar werk niet meer uit kan voeren en eiseres niet kan blijven bestaan.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
9.1.1.
De stelling over het boetesysteem en de vergelijking met andere EU-lidstaten is een herhaling van de bezwaargrond, waarop [verweerder] op pagina’s 5 en 6 van het bestreden besluit voldoende is ingegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen dan [verweerder] heeft gedaan.
9.1.2.
In het Specifiek interventiebeleid NVWA dierenwelzijn tijdens transport (IB03-SPEC 17, versie 05) heeft [verweerder] vastgelegd op welke wijze met de boetebevoegdheid wordt omgegaan. Uit de bijlage bij dit beleid (regel 17R0036000) volgt dat de overtreding waar het in deze zaak om gaat een zware overtreding is met een (risico op) een ernstige aantasting van het dierenwelzijn. De wetgever heeft in de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren vastgesteld welke boetes bij deze overtredingen evenredig worden geacht. Uit de bijlage bij artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat bij overtreding van artikel 4.8, van de Regeling houders van dieren, voor zover dat artikel betrekking heeft op onder meer de artikelen 3 en 6 van de Transportverordening een boete uit categorie 2 is aangewezen. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren bedraagt de boete van categorie € 1.500,-. [verweerder] heeft dus in overeenstemming met zijn beleid en de wettelijke voorschriften een bestuurlijke boete aan eiseres opgelegd.
9.1.3.
Het verwijt dat [verweerder] eiseres maakt ziet op het transport en de technische voorschriften die daarvoor gelden. Omdat eiseres de vervoerder is, maakt dat haar verantwoordelijk. Dat de betrokken veehouder ook is beboet, wat [verweerder] op de zitting heeft erkend, kan niet afdoen aan die verantwoordelijkheid van eiseres. In het verweerschrift stelt [verweerder] dat een boetebedrag in verhouding moet staan tot de met de overtreden bepalingen beschermde belangen en de ernst van die overtreding, maar niet zonder meer tot de met de overtreding behaalde winst en dat dat ook zou afdoen aan het punitieve karakter van een boete. De rechtbank kan [verweerder] daarin volgen.
9.1.4.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eerder aan eiseres opgelegde boete (boetezaaknummer 20202914) inmiddels onherroepelijk is geworden. De recidiveverhoging is in overeenstemming met artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. De wetgever heeft er met dit voorschrift voor gekozen om herhaling van een overtreding zwaarder te bestraffen door het boetebedrag te verhogen. De rechtbank vindt de verhoging in dit geval niet onredelijk of onevenredig. Ook vindt de rechtbank de gehanteerde termijn van vijf jaar niet onredelijk. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voor eiseres onmogelijk zou zijn om overtredingen als deze en daarmee een verhoging van een boete voor een herhaalde overtreding te voorkomen.
9.1.5.
Eiseres heeft verder geen gronden aangevoerd over de hoogte van het boetebedrag. Zij heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de hoogte van de boete onevenredig moet worden geacht. Daarom heeft [verweerder] geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het boetebesluit in stand blijft omdat de overtreding vaststaat, het boetebedrag evenredig is en er geen reden is om een lagere boete op te leggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46, eerste en derde lid
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Transportverordening
Artikel 3, aanhef en onder b
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport.
Artikel 6, derde lid
De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.

BIJLAGE I TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK I
GESCHIKTHEID VOOR VERVOER
1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden
moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
a. a) wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen;
3. Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden vervoerd in de volgende gevallen:
a. a) wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen.
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Regeling houders van dieren
Artikel 4.8
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:
– 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;
– 4, eerste en derde lid, en 5, van verordening (EG) nr. 1255/97.
Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
d. categorie 2: € 1.500;
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling houders van dieren Categorie
Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op de artikelen, 2
3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, en 12 alsmede Bijlagen I, II en IV, voor zover
genoemd in de genoemde artikelen, van verordening (EG) nr. 1/2005

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:628.