ECLI:NL:RBROT:2026:1468

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712093 / JE RK 25-2635
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarigen na positieve ontwikkeling ouders

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, met het oog op zorgen over de opvoedsituatie en spanningen tussen de ouders. De ouders waren recent uit elkaar gegaan en er waren beschuldigingen van huiselijk geweld en kindermishandeling, wat leidde tot een voorlopige ondertoezichtstelling.

Tijdens de zitting bleek dat de ouders een prille positieve ontwikkeling hadden doorgemaakt: de spanningen waren afgenomen, de communicatie verbeterd en zij stonden open voor hulpverlening, waaronder deelname aan het programma Ouderschap Na Scheiding (ONS). De gecertificeerde instelling (GI) was het niet eens met het verzoek en vond dat eerst hulp in het vrijwillig kader moest worden geprobeerd.

De kinderrechter oordeelde dat niet was voldaan aan het wettelijke criterium dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de ouders de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende accepteren. Gezien de positieve ontwikkelingen en de bereidheid tot vrijwillige hulpverlening, wees de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling af.

De beslissing werd op 2 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter M.A. van der Laan-Kuijt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt afgewezen vanwege onvoldoende gronden en positieve ontwikkelingen bij de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712093 / JE RK 25-2635
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D. Rezaie, kantoorhoudende te Amsterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Hayaty, kantoorhoudende te Den haag,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 18 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het aanhoudingsverzoek van mr. Hayaty van 6 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de Raad, [persoon A] en [persoon B] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon C] .
1.3.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Dari, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van A.R. Faquiri. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het
bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Ter zitting is een ander beeld zichtbaar dan welke volgt uit het raadsrapport en positief is dat de ouders aangeven samen de verantwoordelijkheid te willen nemen en te willen doen wat goed is voor de kinderen. Hiervan was eerder geen sprake. De ouders waren met elkaar in strijd en verloren daarmee het belang van hun kinderen uit het oog. Dit is zorgelijk. Voor de kinderen waren de spanningen ook voelbaar. Het is een mooie ontwikkeling dat de ouders met elkaar willen samenwerken, maar deze ontwikkeling is nog pril. Het is de vraag of het de ouders lukt dit vast te houden. Daarnaast is de noodzakelijke hulpverlening nog niet ingezet. Het is daarom belangrijk dat er vanuit het gedwongen kader een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raakt die toeziet op de veiligheid van de kinderen en die de nodige hulpverlening voor het gezin inzet, zoals hulp voor de echtscheidingsproblematiek.

4.De standpunten

4.1.
De GI is het niet eens met het verzoek van de Raad. De GI was in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling bij het gezin betrokken en ziet meewerkende ouders die open staan voor de hulpverlening. De GI ziet de zorgen van de Raad ook, maar er is tot op heden nog geen hulp in het vrijwillig kader opgestart. Dit moet eerst geprobeerd worden. Daarnaast is de verwachting dat wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken, de huidige zorgen binnen het gezin zullen afnemen en verdwijnen. De GI ziet daarom geen gronden voor een ondertoezichtstelling. De ouders zijn inmiddels aangemeld voor Ouderschap Na Scheiding (hierna: ONS) en dit kan in het vrijwillig kader doorgang vinden. Onbekend is hoelang de wachtlijst is. Als er zich in de toekomst problemen voordoen, weten de ouders zelf de weg naar de hulpverlening te vinden.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Er wordt niet voldaan aan de eisen van een ondertoezichtstelling, nu de hulpverlening nooit is opgestart en de ouders niet de mogelijkheid hebben gekregen mee te werken aan de hulpverlening in het vrijwillig kader. Tegelijkertijd heeft de moeder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer als prettig ervaren, nu dit heeft bijgedragen aan het afnemen van de spanningen binnen het gezin. De echtscheidingsprocedure en de voorzieningenprocedure lopen nog en als de ondertoezichtstelling niet wordt uitgesproken, is het de vraag of de ouders niet terugvallen in oude patronen. De moeder heeft daarom geen bezwaar tegen de betrokkenheid van een onafhankelijke derde die toeziet op de opvoeding en de communicatie tussen de ouders. De moeder refereert zich dan ook aan het oordeel van de kinderrechter.
4.3.
Door en namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Primair verzoekt de vader om afwijzing van de ondertoezichtstelling, nu er nog geen hulpverlening in het vrijwillig kader is ingezet en de vader hiervoor open staat. De communicatie tussen ouders is verbeterd en het belang van hun kinderen staat voorop. Zij willen aan alle hulpverlening meewerken. Subsidiair verzoekt de vader de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlenen, te weten voor zes maanden, vanwege de ontwikkelingen binnen het gezin. Ook wordt zo druk op de ketel gehouden, nu uit het Raadsrapport volgt dat er tot dusver door de GI weinig tot geen invulling is gegeven aan de opdracht om zicht te krijgen op de situatie en de veiligheid van de kinderen. De huidige zorgen komen vooral voort uit de echtscheidingsproblematiek en naar verwachting zullen deze zorgen afnemen als de echtscheidingsprocedure vordert. Er is nu al een verbetering te zien ten opzichte van enkele maanden geleden: de communicatie tussen de ouders is verbeterd en er is minder wrijving. Na zes maanden kan de situatie dan geëvalueerd worden en als het goed verloopt kan het overige deel van het verzoek worden ingetrokken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de
jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling
wordt bedreigd en de ouders de zorg, die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te
nemen, niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk
Wetboek). De kinderrechter is, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, van
oordeel dat niet aan dit criterium wordt voldaan. De kinderrechter legt hierna uit waarom
niet.
5.2.
Eerder is met spoed de voorlopige ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uitgesproken vanwege grote zorgen over hun opvoedsituatie. Tussen de ouders was sprake van forse spanningen en ruzies en de ouders hadden net besloten uit elkaar te gaan. Daarnaast beschuldigden de ouders elkaar van huiselijk geweld tussen de ouders en kindermishandeling. De verhalen van de ouders stonden lijnrecht tegenover elkaar en zij raakte verzeild in een juridische strijd over de kinderen, waarbij de belangen van de kinderen uit het oog werden verloren.
5.3.
Ter zitting is gebleken dat de ouders in de afgelopen drie maanden een prille positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. De ouders staan open voor hulpverlening, de spanningen in de thuissituatie zijn afgenomen en zij hebben stappen gezet in hun onderlinge communicatie. Daarnaast hebben de ouders zich bereid verklaard mee te werken aan ONS en zij zijn hiervoor inmiddels aangemeld. Onbekend is op welke termijn dit kan starten, maar positief is dat dit ook in het vrijwillig kader doorgang kan vinden. De verwachting is dat, naarmate de ouders ONS doorlopen en de echtscheidingsprocedure verder vordert, de met de echtscheiding gepaard gaande spanningen verder zullen afnemen.
5.4.
Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat er op dit moment onvoldoende gronden zijn voor een ondertoezichtstelling aangezien niet aan het vereiste wordt voldaan dat de ouders de noodzakelijk geachte hulp niet of onvoldoende accepteren.
Dit betekent dat het verzoek van de Raad zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.