De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, met het oog op zorgen over de opvoedsituatie en spanningen tussen de ouders. De ouders waren recent uit elkaar gegaan en er waren beschuldigingen van huiselijk geweld en kindermishandeling, wat leidde tot een voorlopige ondertoezichtstelling.
Tijdens de zitting bleek dat de ouders een prille positieve ontwikkeling hadden doorgemaakt: de spanningen waren afgenomen, de communicatie verbeterd en zij stonden open voor hulpverlening, waaronder deelname aan het programma Ouderschap Na Scheiding (ONS). De gecertificeerde instelling (GI) was het niet eens met het verzoek en vond dat eerst hulp in het vrijwillig kader moest worden geprobeerd.
De kinderrechter oordeelde dat niet was voldaan aan het wettelijke criterium dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de ouders de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende accepteren. Gezien de positieve ontwikkelingen en de bereidheid tot vrijwillige hulpverlening, wees de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling af.
De beslissing werd op 2 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter M.A. van der Laan-Kuijt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak.