ECLI:NL:RBROT:2026:1454

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4674
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 5.3 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op bijzondere bijstand dieetkosten wegens onvoldoende aannemelijkheid en geen schending vertrouwensbeginsel

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor dieetkosten, waarbij aanvankelijk een bedrag van € 650,- werd toegekend op basis van een medisch advies uit 2020. Eiser was het niet eens met de afwijzing van een hoger bedrag van € 900,- en stelde dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door het bedrag te verlagen. Tevens voerde hij aan dat de hoge inflatie van voedselprijzen een verhoging van het toegekende bedrag rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat het medisch advies de basis vormt voor de toekenning en dat dit advies geldig is tot een herbeoordeling na vijf jaar. Het college heeft het bedrag vastgesteld aan de hand van de NIBUD-prijzengids, waarin reeds rekening is gehouden met inflatie. Het betoog van eiser dat het bedrag verhoogd moet worden vanwege inflatie wordt onvoldoende onderbouwd geacht.

Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het medisch advies onzorgvuldig of onjuist is, noch dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van een hogere bijzondere bijstand voor dieetkosten wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor dieetkosten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen
.Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten voor een bedrag van € 650,- toegewezen.
2.1.
Met het besluit van 7 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Zoals ter zitting is besproken, is de aanvraag weliswaar door zowel eiser als zijn echtgenote gedaan, is de besluitvorming ook aan beiden gericht en is het beroepschrift namens beiden ingediend, maar zien de besluitvorming en het beroepschrift materieel slechts op eiser, zodat de rechtbank zich in deze uitspraak slechts tot eiser richt.
Op 18 november 2024 heeft eiser een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor dieetkosten. Daarbij heeft hij verzocht om een bedrag van € 900,-. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten voor een bedrag van € 650,- toegewezen. Daaraan is het medisch advies de arts van het Team Sociaal Medische Advisering van 7 december 2020 (het medisch advies) ten grondslag gelegd. In dat advies is vastgesteld dat er een medische noodzaak is voor dieetkosten en dat een herbeoordeling na 5 jaar is geadviseerd. Het college beoordeeld jaarlijks het bedrag aan meerkosten volgens de tabel “meerkosten dieetvoeding NIBUD-prijzengids”.
Het bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, onjuistheden bevat of niet deugdelijk is gemotiveerd.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betoogt dat het college met het medisch advies en met het toekennen van € 900,- over zowel 2020 als over 2021 het vertrouwen heeft opgewekt dat aan eiser voor de duur van 5 jaar tenminste € 900,- aan bijzondere bijstand voor dieetkosten wordt toegekend. Het verlagen van het bedrag van € 900,- naar € 650,- is daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiser betoogt verder dat de bijzondere bijstand voor dieetkosten juist verhoogd dient te worden, omdat eiser sinds de datum van het medisch advies te kampen heeft gehad met hoge inflatie van de voedselprijzen. Volgens hem was de inflatie van de voedselprijzen in 2022 10,8% en in 2023 12,1%. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat hij recht heeft op een bedrag aan meerkosten van € 900, met daar bovenop een inflatiecorrectie en subsidiair dat het vastgestelde bedrag aan meerkosten van € 650,- in ieder geval verhoogd dient te worden met een inflatiecorrectie.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
6. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
6.1.
Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 kan het college aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten indien belanghebbende om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet en de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen.
6.2.
Op grond van het tweede lid stelt het college het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies.
Het oordeel van de rechtbank
7. In het medisch advies staat dat een herbeoordeling is geadviseerd na 5 jaar. Dit houdt dus in dat na 7 december 2025 een herbeoordeling dient te worden gedaan. De besluitvorming van het college valt binnen deze 5 jaars periode, zodat het college zich mocht baseren op dit advies.
8. Het betoog van eiser dat het verlagen van het bedrag van € 900,- naar € 650,- in strijd is met het vertrouwensbeginsel, slaagt niet. Het bedrag aan meerkosten dient jaarlijks volgens de NIBUD-prijzengids te worden beoordeeld. Gebaseerd op het medisch advies is aan eiser eerder € 900,-verstrekt voor dieetkosten voor het kalenderjaar 2020 en 2021. Voor een energieverrijkt dieet in combinatie met eiwit-verrijkt dieet is in de NIBUD-prijzengids voor 2022 en 2023 een bedrag van € 500,- bepaald. Dat is ook het bedrag dat is verstrekt aan eiser in het jaar 2023. Hij is er toen dus al op gewezen dat het bedrag geen € 900,- meer was. In 2024 is het bedrag volgens de NIBUD prijzengids geen € 500,- meer maar € 650,-. Daarom is aan eiser met het primaire besluit dit bedrag toegekend. Er is dan ook geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.
9. Het betoog van eiser dat het vastgestelde bedrag aan meerkosten verhoogd dient te worden met de inflatie van de voedselprijzen, slaagt ook niet. Het gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Dit betekent dat op eiser de last rust om aannemelijk te maken dat hij meer kosten maakt dan het college aan bijzondere bijstand heeft toegekend. [1] Eiser is hierin niet geslaagd. De enkele verwijzing naar inflatiecijfers acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Op basis van het medisch advies zijn meerkosten verstrekt volgens de Nibud prijzengids die ten tijde van de aanvraag actueel was. Bij de vaststelling van de Nibud prijzengids is al rekening gehouden met de inflatiecijfers en met de gewijzigde manier van berekenen van de meerkosten voor dieetkosten. Het bedrag wat in het primaire besluit is toegekend, € 650,- volgt uit de NIBUD-prijzengids van 2024, waarin dus al rekening is gehouden met de inflatiecijfers.
10. Het beroep tegen het bestreden besluit is, gezien het voorgaande, ongegrond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1129.