ECLI:NL:RBROT:2026:1443

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
26/126 en 26/997
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55a AmbtenarenreglementArt. 56c AmbtenarenreglementArt. 78 AmbtenarenreglementArt. 79 Ambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen staking salaris en strafontslag ambtenaar na arbeidsconflict

Verzoeker, sinds 2001 werkzaam als Medewerker Incidentbestrijding bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, meldde zich ziek na een arbeidsconflict met zijn leidinggevende in maart 2024 en werkte sindsdien niet meer. Het dagelijks bestuur staakte de salarisdoorbetaling omdat verzoeker niet verscheen op een gesprek over terugkeer en re-integratie. Vervolgens verleende het dagelijks bestuur hem strafontslag wegens herhaaldelijk niet verschijnen op verplichte gesprekken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het dagelijks bestuur terecht de salarisbetaling staakte, omdat verzoeker een redelijk voorschrift niet opvolgde. Wel is het strafontslag op dit moment onevenredig gelet op de lange diensttijd, het niet voortvarend oppakken van het conflict en het ontbreken van eerdere disciplinaire maatregelen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening tegen het strafontslag toegewezen en het ontslag voorlopig geschorst.

De voorzieningenrechter benadrukt het spoedeisend belang van een voorlopig oordeel om partijen mogelijk weer tot overleg te bewegen. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure. Het dagelijks bestuur moet het griffierecht en proceskosten vergoeden aan verzoeker vanwege het toegewezen verzoek over het strafontslag.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het strafontslag wordt toegewezen en het ontslag voorlopig geschorst, het verzoek tot schorsing van de salarisstaking wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/126 en 26/997

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaken tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. van Oosten),
en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

(gemachtigde: mr. J.H.M. Huizinga).

Samenvatting

Verzoeker heeft zich ziekgemeld naar aanleiding van een arbeidsconflict met zijn leidinggevende. Het dagelijks bestuur heeft de doorbetaling van verzoekers salaris gestaakt, omdat hij niet is verschenen op een gesprek om te praten over een eventuele terugkeer naar zijn functie en re-integratie. De voorzieningenrechter vindt dat het dagelijks bestuur dit besluit terecht heeft genomen. Het dagelijks bestuur heeft verzoeker vervolgens disciplinair ontslagen, omdat hij voor de tweede keer niet op een gesprek was verschenen en hij hiermee een dienstopdracht heeft genegeerd. Gelet op de voorgeschiedenis vindt de voorzieningenrechter het strafontslag vooralsnog niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening over het strafontslag dan ook toe.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 heeft het dagelijks bestuur de doorbetaling van verzoekers salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het individueel keuzebudget (IKB) [1] gestaakt. Met het bestreden besluit van 28 januari 2026 heeft het dagelijks bestuur verzoeker per direct strafontslag verleend. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 26/126 (staking doorbetaling van het salaris) en ROT 26/997 (strafontslag).
2. Het dagelijks bestuur heeft op het verzoek over de salarisdoorbetaling gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het dagelijks bestuur, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] (allen namens het dagelijks bestuur).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker werkt sinds 2001 als Medewerker Incidentbestrijding I bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Hij heeft op 9 maart 2024 een arbeidsconflict gehad met zijn direct leidinggevende ( [persoon E] ). Verzoeker is naar huis gestuurd en hij heeft zich diezelfde dag ziekgemeld. Verzoeker heeft sindsdien niet meer gewerkt. In juli 2024 zou een hogere leidinggevende ( [persoon F] ) tegen verzoeker hebben gezegd dat geen enkele andere kazerne hem zou willen hebben.
5. Vanaf medio 2025 is het Hoofd Repressie ( [persoon A] ) betrokken bij verzoekers zaak. Op 10 september 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker, zijn gemachtigde, het Hoofd Repressie en een HR adviseur ( [persoon G] ). Verzoeker is uitgenodigd voor een vervolggesprek op 1 oktober 2025. Verzoeker heeft in een brief van 15 september 2025 aan het dagelijks bestuur gevraagd om een inhoudelijke reactie op zijn brief, voordat het vervolggesprek plaatsvindt. Het Hoofd Repressie heeft dit verzoek afgewezen. Verzoeker is niet verschenen op de afspraak van 1 oktober 2025.
6. Verzoeker heeft vervolgens een dienstopdracht gekregen om te verschijnen op een afspraak van 14 oktober 2025. Deze afspraak is vanwege een ziekmelding van verzoeker verzet naar 27 oktober 2025. De bedrijfsarts heeft verzoeker in staat geacht om aan dit gesprek deel te nemen. Verzoeker heeft om een second opinion gevraagd, omdat hij zich niet in staat achtte om aan het gesprek deel te nemen. Hij is op 10 november 2025 op het spreekuur bij de bedrijfsarts geweest. Uit de second opinion bleek dat verzoeker gesprekken over re-integratie en de verstoorde arbeidsrelatie kon voeren.
7. Het dagelijks bestuur heeft verzoeker op 1 december 2025 een dienstopdracht gegeven om te verschijnen op een afspraak van 8 december 2025. In dit gesprek stond centraal of verzoeker wel of niet wilde terugkeren in de repressieve 24-uurs dienst van de brandweer en zou worden gesproken over verzoekers re-integratie. Verzoeker is niet op het gesprek verschenen. Het dagelijks bestuur heeft verzoeker op 18 december 2025 een dienstopdracht gegeven om te verschijnen op een afspraak van 9 januari 2026. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om vanwege de weersomstandigheden via Teams aan dit gesprek deel te nemen. Ook toen is verzoeker niet (digitaal) op het gesprek verschenen.
8. Met het besluit van 7 januari 2026 heeft het dagelijks bestuur aan verzoeker een schriftelijke berisping opgelegd vanwege het niet verschijnen op het gesprek van 8 december 2025. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Waar gaat het in deze zaken om?
9. Het dagelijks bestuur heeft besloten om de doorbetaling van verzoekers salaris te staken, omdat verzoeker niet is verschenen op het gesprek van 8 december 2025. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur aan verzoeker strafontslag verleend, omdat verzoeker niet is verschenen op het gesprek van 9 januari 2026. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met de verzoeken om een voorlopige voorziening bereiken dat de bestreden besluiten worden geschorst.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek over het salaris af en het verzoek over het strafontslag toe
10. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek over de salarisdoorbetaling af en het verzoek over het strafontslag toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
11. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
12. Partijen verschillen van mening over de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij deze procedures. Het dagelijks bestuur voert aan dat verzoeker een eigen bedrijf heeft, waarmee hij in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien. Verzoeker stelt dat zijn bedrijf verlieslijdend is en dat hij de inkomsten van zijn aanstelling bij het dagelijks bestuur nodig heeft om van te leven. Verzoeker heeft zijn financiële situatie niet met bewijsstukken onderbouwd. Het is voor de voorzieningenrechter dan ook niet inzichtelijk of verzoeker een financieel spoedeisend belang heeft bij deze procedures.
13. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een langdurig arbeidsconflict. Verzoeker heeft sinds maart 2024 geen werkzaamheden meer verricht. Daarbij komt dat partijen er samen ook niet meer uitkwamen, wat uiteindelijk tot het strafontslag heeft geleid. Dit terwijl verzoeker tijdens de zitting heeft verklaard dat hij graag zou willen terugkeren in zijn functie en het dagelijks bestuur heeft verklaard dat het nooit de insteek is geweest om afscheid te nemen van verzoeker, vanwege het grote tekort aan personeel binnen de regio. De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen op korte termijn gebaat zijn bij een voorlopig oordeel over hun standpunten. Mogelijk zet dit de weg open om weer het gesprek met elkaar aan te gaan. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaken.
Staking van de salarisdoorbetaling
14. De ambtenaar die vanwege ziekte verhinderd is om te werken, is (kort gezegd) verplicht om redelijke voorschriften op te volgen die door het dagelijks bestuur worden gegeven. [2] Als de ambtenaar weigert om redelijke voorschriften op te volgen die erop gericht zijn om hem in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten, dan wordt de doorbetaling van het salaris gestaakt. [3]
15.1.
Verzoeker heeft een dienstopdracht gekregen om op 8 december 2025 op een gesprek te verschijnen. Het gesprek zou gaan over de keuze van verzoeker om al dan niet terug te keren in zijn eigen functie en zijn re-integratie. De voorzieningenrechter vindt dat er hierbij sprake is van een redelijk voorschrift, die er (mede) op is gericht om verzoeker zijn eigen passende werk weer te laten verrichten. Verzoeker was volgens de bedrijfsarts ook in staat om gesprekken te voeren om tot een passende oplossing te komen over het arbeidsconflict. Verzoeker is niet op het gesprek verschenen en heeft daarmee geweigerd om een redelijk voorschrift op te volgen. Het dagelijks bestuur heeft daarom verzoekers salarisdoorbetaling mogen staken.
15.2.
De voorzieningenrechter ziet dat het lang heeft geduurd voordat het dagelijks bestuur actie heeft ondernomen richting verzoeker om het arbeidsconflict op te lossen. Dit heeft waarschijnlijk verzoekers gevoelens over de situatie verergerd. Verzoeker heeft bij brief van 15 september 2025 aangegeven wat hij nodig heeft om terug te keren naar de werkvloer. Hij wil eerst een schriftelijke reactie op deze brief, voordat hij het gesprek wil aangaan. Deze reactie heeft hij niet gekregen. Dit betekent echter niet dat het verzoeker vrij stond om niet naar het gesprek van 8 december 2025 te gaan. Bovendien blijkt uit de reactie van het Hoofd Repressie van 25 september 2025 dat het dagelijks bestuur bereid was om samen met verzoeker te kijken wat er nodig was om een eventuele terugkeer te bewerkstelligen.
Strafontslag
16. De ambtenaar kan wegens plichtsverzuim worden gestraft. [4] Eén van de disciplinaire straffen die kan worden opgelegd is ontslag. [5]
17. Verzoeker is op 1 oktober 2025 niet op een gesprek verschenen. Het dagelijks bestuur heeft hem vervolgens een dienstopdracht gegeven om op 8 december 2025 op een gesprek te verschijnen. Verzoeker is niet op die afspraak verschenen en het dagelijks bestuur heeft hem daarom bij besluit van 7 januari 2026 de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd. In dit besluit staat dat bij herhaling van plichtsverzuim zal worden overgegaan tot zwaardere maatregelen, waarbij een ontslag niet wordt uitgesloten. Het dagelijks bestuur heeft verzoeker een dienstopdracht gegeven om op 9 januari 2026 op een gesprek te verschijnen. Verzoeker heeft geen gehoor gegeven aan deze dienstopdracht. Het dagelijks bestuur merkt dit aan als plichtsverzuim en heeft verzoeker de disciplinaire straf van strafontslag opgelegd.
18.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door niet te verschijnen op de afspraak van 9 januari 2026. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit plichtsverzuim niet aan hem kan worden toegerekend. Nu er sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was het dagelijks bestuur bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen.
18.2.
De voorzieningenrechter is echter vooralsnog van oordeel dat de disciplinaire straf van ontslag in dit geval onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Zij neemt daarbij in aanmerking dat verzoeker sinds 2001 in dienst is bij het dagelijks bestuur, dat het in maart 2024 ontstane arbeidsconflict niet voortvarend is opgepakt en daarom bij verzoeker is blijven ‘sudderen’, dat niet is gebleken dat verzoeker in het verleden disciplinaire straffen zijn opgelegd (anders dan de schriftelijke berisping van 7 januari 2026) en dat er na dit opgelegde plichtsverzuim slechts sprake is van één andere dienstopdracht, die direct heeft geleid tot het onvoorwaardelijke strafontslag. Daarnaast weegt ook mee dat verzoeker van mening was dat het dagelijks bestuur onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te reageren op zijn brief van 15 september 2025 en hij het geschil hierover eerst wilde voorleggen aan de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat verzoeker na deze uitspraak wél bereid zal zijn om met het dagelijks bestuur in overleg te treden.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek over de staking van zijn salarisdoorbetaling af en het verzoek over het strafontslag toe. Dat betekent dat verzoeker voorlopig nog een aanstelling heeft bij het dagelijks bestuur, maar dat het dagelijks bestuur hem vooralsnog geen salaris hoeft uit te betalen.
20. Omdat de voorzieningenrechter één van de verzoeken toewijst, moet het dagelijks bestuur het griffierecht aan verzoeker vergoeden in de zaak over het strafontslag. In die zaak krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het dagelijks bestuur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak over het salaris af (ROT 26/126);
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak over het strafontslag toe (ROT 26/997) en schorst het bestreden besluit van 28 januari 2026 tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voor de leesbaarheid zal de voorzieningenrechter het in de uitspraak hebben over de staking van de salarisbetaling. Hiermee wordt echter ook bedoeld de staking van de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB.
2.Artikel 55a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement.
3.Artikel 56c, tweede lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement.
4.Artikel 78 van Pro het Ambtenarenreglement.
5.Artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j. van het Ambtenarenreglement.