Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:1362

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
12053291 VV EXPL 26-5
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:625 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering achterstallig loon en loonstroken toegewezen in kort geding

Eiser was van april tot december 2025 in dienst bij CITT B.V. en vordert betaling van achterstallig loon over juni tot en met december 2025, vermeerderd met wettelijke rente en verhoging, plus afgifte van loonstroken.

CITT is niet verschenen tijdens de zitting, waarna verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat de vordering gegrond is en wijst deze toe, met een matiging van de dwangsom voor het niet verstrekken van loonstroken.

De proceskosten worden aan CITT opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventueel verzet. Het vonnis is uitgesproken door kantonrechter V.F. Milders.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en afgifte van loonstroken met dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12053291 VV EXPL 26-5
datum uitspraak: 16 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. H.J.A. Jansen,
tegen
CITT B.V.,
vestigingsplaats: Dordrecht,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘CITT’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 16 januari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 2 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en zijn gemachtigde besproken. CITT is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] is van 14 april 2025 tot en met 13 december 2025 bij CITT in dienst geweest. CITT heeft het salaris over de periode juni 2025 tot en met 13 december 2025 niet betaald. [eiser] vordert daarom betaling van € 19.812,08 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente, afgifte van loonstroken op straffe van een dwangsom en proceskosten.
2.2.
De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, en zal worden toegewezen. Wel wordt aanleiding gezien de gevorderde dwangsommen voor afgifte van de loonstroken te matigen tot € 25,- per dag, met een maximum van € 2.500,-.
2.3.
De proceskosten komen voor rekening van CITT omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die CITT aan [eiser] moet betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 753,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.625,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als CITT in verzet komt tegen dit vonnis en aan een andere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt CITT om aan [eiser] te betalen:
- € 19.812,08 bruto loon over de periode juni 2025 tot en met 13 december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, te berekenen vanaf het moment dat de maandbedragen opeisbaar zijn geworden, tot de dag van volledige betaling;
- € 9.906,04 bruto aan wettelijke verhoging wegens vertraging over het aan [eiser] toekomende loon zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro.
3.2.
veroordeelt CITT om binnen een maand nadat dit vonnis is betekend loonstroken aan [eiser] te verstrekken over de maanden juni 2025 tot en met december 2025, op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag dat CITT niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,-;
3.3.
veroordeelt CITT in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.625,94;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954